Interview Peter Vermandere

De vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West-Vlaanderen 2017 werd gisterenavond uitgereikt in Roeselare. Ik mocht beide laureaten interviewen.

© Kaat Pype

Het mag wat wringen

Peter Vermandere smeedt al 25 jaar sieraden. Met zilver en edelstenen maar ook met plastic of zwarte walnoten. Hij vergelijkt zijn werk met dat van een kok en van een circusartiest.

 

Zeven broches zond edelsmid Peter Vermandere in voor de Vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West- Vlaanderen 2017. Zeven variaties, zeven souvenirs aan Idar-Oberstein, de bakermat van de Duitse edelstenenindustrie. Het stadje is een begrip in de juwelenwereld, vanwege de overvloed aan edelstenen en slijperijen. Maar Vermandere ontdekte er ook industriële schatten. Van in het begin, toen hij als achttienjarige vanuit de Westhoek naar Antwerpen trok, is hij tegelijk bezig met creëren en ontdekken.

 

Al heel jong wist je dat je edelsmid wilde worden. Waarom?

“Vanwege de materie. Ik vond edelsmeden de meest pure manier om materie te laten spreken. Haar structuur, de manier waarop ze zich vormt, intrigeert mij mateloos. Dat lag wat moeilijk in het kunstonderwijs toen, dat heel erg gericht was op concepten. Ik werk heel intuïtief. Ik wil mezelf verrassen. Ik hou ervan om met zilver te werken, maar ook met zwarte walnoten, die ik doorsnij. Of met restjes al dan niet edelstenen, met fossielen, met plastic zelfs. Zo maak ik bijvoorbeeld mijn gezichtjes, emoticons bijna. Een restje edelsteen, oesterparel of fossiel is de start, daaraan maak ik dan een ‘kopje’. Maar altijd probeer ik iets draagbaars te maken.”

Wat is een goed sieraad volgens jou?

“Voor een juweel geldt: als het maar voor 95 procent goed is, is het slecht, werkt het niet. Wij kunnen ons weinig fouten veroorloven. Dat heeft te maken met het formaat, maar ook met de precieuze materialen en technieken. Traditioneel bestaat een juwelencollectie uit een twintigtal stuks: vijf hangers, vijf ringen, vier halssnoeren, drie armbanden enz. Ik werk anders. Hangers en snoeren vind ik moeilijk. Armbanden en oorbellen eigenlijk ook. Ik probeer wel, maar ik krijg er mijn verhaal niet gemakkelijk in verteld. Ik maak ook wel ringen, maar in broches ben je vrijer, daar kan ik meer kanten mee uit. Hedendaagse sieraden gaan van superdraagbaar tot superartistiek en alles wat daartussen zit. Mijn creaties krijgen soms het label ‘mode’, soms ‘design’, soms ‘kunst’. Met juwelen raak je alles aan en tegelijk staan ze overal los van. Dat ambigue aspect en die continue ‘identiteitscrisis’ blijft me aantrekken.

Ik fotografeer mijn juwelen zelden op mensen. Ik maak ook geen juwelen die voor iedereen geschikt zijn. Misschien, als ik eerlijk ben, maak ik ze alleen voor mezelf. Dat is mijn drive: mezelf verrassen en uitdagen. Al ben ik wel gelukkig als een uniek stuk uiteindelijk zijn unieke drager vindt ”

Hoe heb je de broches gemaakt waarmee je deze prijs won?

“Ik werd door de Jakob Bengel Stiftung als artist in residence aangenomen om enkele maanden in Idar-Oberstein te werken. Het is een mekka voor juwelenontwerpers, er zijn niet alleen veel edelstenen te vinden en te kopen, maar ook veel slijperijen en een aantal fabrieken die vroeger goedkope metalen juwelen maakten. Vooral die laatste inspireerden mij. In de Bengelfabriek hebben ze persen tot 60 ton druk, waarmee metaal in een matrijs werd geplet tot medaillons en dergelijke. Werknemers konden er zeventig per minuut maken! Supersnel, met de voet. Het unieke van die fabrieken zit in de matrijzen en de machines, die nog steeds gebezigd worden voor speciale projecten. Daar mocht ik gebruik van maken. Ik ging tussen de massa’s matrijzen – wel 15.000 – op zoek naar eentje dat mij aansprak en ik vond een edelweiss. Ik deed er metaal in en hop, wat kreeg ik? Een perfecte edelweiss. Maar, saai. Ik hou wel van een beetje wringen. Dus ging ik er de matrijs verkeerd insteken, omgekeerd, achterstevoren… Uiteindelijk stak ik in de pers aluminium kettingen die er lagen. Dat platte, oneffen maar gedecoreerde schijfje vormde dan een ingrediënt voor een broche. Daar voegde ik edelstenen aan toe om de ode aan de plek compleet te maken. Ik blijf variaties bedenken, ik zit nu aan nummer achtenveertig”.

Hoe ga je concreet te werk in je atelier? Heb je een bepaalde routine?

“Mijn agent in New York houdt er niet zo van als ik dit zeg, maar eigenlijk is mijn werk zoals koken. Eerst verzamel ik ingrediënten, die laat ik wat sudderen en dan bepaal ik op het moment zelf hoe ik ze ga bewerken: koken, bakken, braden, stomen… Ik heb een arsenaal aan technieken tot mijn beschikking. Wat ik doe is handwerk, uiteraard, maar met behulp van machines. Ik heb een diamantzaag om stenen te snijden, een metaaldraaibank, een trekbank, een zaag, een pers… Dat is mijn instrumentarium.

Wie of wat inspireert jou?

“Het woord ‘inspiratie’ verwijst letterlijk naar datgene wat je zuurstof en adem geeft. Ik heb een bibliotheek vol boeken en materialen en ben een verzamelaar van verzamelingen. Maar inspiratie kun je niet dwingen. Dat kan een boek zijn, een fossiel, een steen, muziek, een schets… Ik geloof in serendipiteit: je concentreert je op je werk maar je staat open voor het onverwachte. De Poolse schrijver Witold Gombrowicz gebruikt in zijn dagboeken het woord ‘scheppingsvonk’ als hij het heeft over creativiteit: alles gebeurt terzelfder tijd. Dat herken ik wel.”

Wat betekent kunstambacht voor jou?

“In een circus zie je acrobaten de strafste kunsten uithalen alsof het vanzelf gaat. Maar dat gaat niet vanzelf, die mensen zijn opgegroeid in die wereld, hebben uren en uren, dagen en dagen, weken en weken getraind. Pas als je de technieken volledig beheerst, kun je zorgeloos beginnen te spelen. Dat geldt ook voor edelsmeden. Als ambachtsman streef je naar meesterschap. Maar je moet ook weten wanneer je moet stoppen. Perfectie durft wel eens saai te zijn. Dat is misschien de definitie van kunstambacht: iets dat artistiek is, maar ook goed gemaakt.

Ambachten zullen blijven bestaan, maar alleen als ze raken aan kunst en aan het artistieke. Als het zin heeft om iets zelf te maken. Ooit was bijvoorbeeld lithografie de standaard industriële druktechniek, dan volgde offset en daarna digitale druk. Nu nog worden er litho’s gemaakt, maar ze zijn bijna uitsluitend het domein van kunstenaars. Het gaat niet om het ambacht an sich, maar om wat je ermee vertelt.”

Deze tekst is gemaakt in opdracht van Provincie West-Vlaanderen. Er loopt op dit moment een tentoonstelling.

Herfstwoontrend (2) : Calder achterna

Een oogvijs in het plafond draaien, en er iets aanhangen, er bestaat amper een simpelere manier om een ruimte aan te kleden (los van gordijnen dan). Sculpturale mobiles à la Calder zijn ongelooflijk populair dezer dagen. Als lampen, als kamerplanthouder, of gewoon als mobile. Meestal simpel zwart, maar soms ook in felle kleuren. Evenwichtsoefeningen in huis, de ideale metafoor voor het eeuwige zoeken naar de work-life balance?

 

Atelier Haussmann
Artemide
Cappellini
DePadova
Hay, zelfdovende kandelaar.
Michael Anastassiades voor Flos, volgend jaar in productie
Multiplex, ooit ontworpen door Charles en Ray Eames, nu in productie bij Vitra.
Lambert & Fils in de vitrine van Conran shop in Parijs, voor de Paris Design Week die deze week plaatsheeft

Uit het archief: interview met Michael Anastassiades

Ontwerper Michael Anastassiades heeft sinds vandaag een expo lopen in Galerie Atelier Jespers  in het kader van Design September in Brussel. Het ideale moment dus om dit interview uit november 2013 voor Knack Weekend nog eens boven te halen. Zijn principes zijn immers ongetwijfeld dezelfde gebleven, het is een serieuze man.  Hij was toen al lang bezig, maar zijn naam was toch nog nieuw in de designwereld. Ik ben wat blij dat ik hem sindsdien min of meer moeiteloos uitgesproken krijg. Want de man blijft toonaangevend in de lampenwereld.

Zijn eerste lamp was er een die absolute stilte nodig had om te kunnen branden. Interview met Michael Anastassiades, lampenontwerper uit Londen en zintuiglijke veelvraat.

Helemaal boven in zijn huis staan we na de vele trappen wat uit te blazen, de assistent van Michael Anastassiades en ik. Maar het kan geen kwaad om even niets te zeggen, want het uitzicht is overweldigend en verandert constant : achter de voorbijrijdende treinen van Waterloo Station draait het reuzenrad London Eye. Hier woont de Cypriotische ontwerper Michael Anastassiades (46) en dit huis vertelt veel over de man : dat hij houdt van beweging. Van natuurlijke materialen, zoals donker hout, marmer en gepatineerd leder. Van koper en glas. En dat het een propere mens is. Al zou dat natuurlijk ook kunnen liggen aan het feit dat er toen net een expo liep met zijn jongste lampen voor Flos : de IC en de String Lights.

Hoewel hij al zo’n twintig jaar lampen bedenkt en zelf laat maken in ateliers in heel Europa, zijn dit de eerste die industrieel vervaardigd zullen worden. En dat is omdat hij nu eenmaal een perfectionist is, zegt de burgerlijk ingenieur als we hem een week later opbellen : “De expertise en technische kennis van Flos is zo uitzonderlijk dat alleen zij dit kunnen maken. Ze appreciëren mijn werk, dat voel ik.”

FLEXIBILITEIT

In elk geval zullen veel verbouwers zijn nieuwe String Lights appreciëren, want de lange draden en het ophangsysteem maken het mogelijk om zonder boren, slijpen of kappen op gelijk welke plek in huis exact daar licht te hebben waar je dat wilt : boven die ene leesplek aan het raam, boven de grote gezinstafel, aan de kinderhoek of in de hal. “Wanneer je de kamer opnieuw inricht, dan verhang je ze gewoon. Als je verhuist, neem je ze gewoon mee. Ik hou van die flexibiliteit. En ik hou van de sculpturale kwaliteiten die je met verlichting kunt creëren : niet alleen als ze aanstaat, maar ook als ze uitgeschakeld is. In de natuur zorgt licht ervoor dat niets ooit twee keer hetzelfde is. Licht creëert leven en zorgt voor dynamiek. Die magie wil ik een klein beetje proberen vangen, zoals bijvoorbeeld lichtkunstenaars James Turrell en Dan Flavin dat ook doen.”

String Lights Flos

Hij is beeldend kunstenaar, bedenkt ook eenmalige installaties of richt ruimten in met levende planten. Toch is hij veeleer per toeval met lampen begonnen, zegt hij. “Een van de eerste die ik bedacht, was de Anti-Social Light. Die had een ingebouwde decibelmeter, wanneer het niet absoluut stil was, kon je ze absoluut niet doen branden. Het was een statement piece, natuurlijk. Maar ik wilde wel dat ze echt bestond. En zo ben ik ze zelf beginnen te produceren. Dat vind ik mijn taak als productontwerper. Zoals een schilder schilderijen wil maken, wil ik producten maken. Geen ideeën. Daarna maakte ik de Tube Chandelier, dat moet in 1996 geweest zijn, en dat is mijn entree geworden. Sindsdien heb ik gewerkt aan een uitgebreid netwerk van ateliers in heel Europa : glasblazers, steenkappers, houtbewerkers, metaalbewerkers. Zij maken mijn lampen. Maar ik ontwerp ook spiegels, tafels en andere objecten. Daarbij vind ik de afwerking cruciaal, het tactiele en de kwaliteit van de materialen.”

Bovenstaande collecties duiken flink op in hedendaagse interieurs en in publieke ruimten. Ze passen helemaal in de art-deco trend van vandaag. Bij Atelier Jespers toont Anastassiades de expo 13 mobiles.  Nog tot 2 oktober. www.atelierjespers.com

 

Herfstwoontrend (1): Waterverf

Dat blurry dezer dagen trendy is in woningen, schreef ik al begin dit jaar. De trend lijkt zich grondig voort te zetten. Net voor de zomer liet Pinterest weten welke zoektermen veel gebruikt werden en “watercolour” bleek een van de meestgezochte termen (naast multiplex keukens, groene tegels en planten voor de badkamer).

Geen gemakkelijke trend om thuis te proberen, maar voor de durvers: hierbij wat inspiratie.

 

Gespot in het trends nummer van Elle Decoration van Augustus: deze muur uit stampleem in een woning van architecte Tatiana Bilbao, in Mexico. foto Iwan Baan.
uit de najaarscollectie van Stelton, die u kent van de koffiekannen
Stelton kaasmes
Enigma, het nieuwe restaurant van Albert Adria, door Pritzker Price winnaars RCR Arquitectes. Een 3D aquarel, alsof u in een bevroren landschap zit te eten.

In Enigma in Barcelona mag u foto’s maken, maar enkel voor privégebruik. En zonder flash. Het is het antwoord op de allereerste FAQ op hun website: “mag ik fotograferen of filmen tijdens het eten?” Die staat nog voor de vraag hoelang een etentje duurt en nog voor alle vragen over allergieën.

Soft Ice plate uit de nieuwe Hay Kitchen lijn, binnenkort ook bij ons te koop
Liquefy tafel van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Liquefy van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Bubble glass objecten van Ferm Living, beschikbaar vanaf midden oktober
AMPM van La Redoute

 

Bump collectie van Tom Dixon, net voorgesteld op Maison & Objet
Le Creuset, lees mijn artikel over millennium pink hier.
tapijt van Christophe Hefti, op dit moment te zien bij Galerie Maniera in Brussel

Picture Perfect (4) : Hybrides in de regen

Lancaster stoel van ontwerper Michael Young voor Emeco Chairs, toegepast in het interieur van The Line Hotel in Los Angeles, door interieurbureau Knibb Design

Veel namen. Die leest u onder deze foto. Er is de man die de stoelen tekende: Michael Young, een industrieel designer, fan van metalen en van Azië, waar hij een studio heeft.

Emeco Chairs, de Amerikaanse makers van de lichte aluminium Navy Chair is de fabrikant en het merk dat deze stoelen op de markt brengt. Op hun Instagrampagina zag ik dit beeld afgelopen zomer. Emeco is gespecialiseerd in het gieten van aluminium en maakten  dus de gepolijste gerecycleerde zitting en rugleuning. De houten poten van deze stoelen werden gemaakt door een toeleverancier, een Amish schrijnwerker uit de buurt van …  Lancaster in Pennsylvania.

De combinatie van gegoten aluminium en blank hout vormt een wat atypische hybride. Een combinatie van een industrieel en een eerder ambachtelijke techniek. Van een spiegelend en een mat materiaal. Van hard en zacht. De mix met het blinkende aluminium maakt deze eenvoudige stoel visueel levendiger dan een puur houten stoel (ook wel kouder aan de poep, maar dat terzijde. Er is ook een kussentje beschikbaar voor wie daarover zou zeuren zoals ik).

Michael Young legde het in 2010 zo uit, toen hij de stoel ontwierp:  “I have worked extensively with the aluminium manufacturing process recently, and with some of the best equipped factories in Asia. I was looking at the ways to join other materials with aluminium over the last few years and thinking about a chair. I feel passionate about working with natural materials that live for ever; wood and metal are really the materials that connect to the human.  So there was no question that the richness of their ageing processes would be a perfect combination. I felt that using wood would create a softer edge to a product whilst the aluminium would speak to its sophistication and heritage.” Rijkelijk en stijlvol ouder wordende stoelen,  wie wil dat nu niet?

In elk geval hebben de ontwerpers van Knibbdesign de visuele tegenstelling helemaal uitgespeeld toen ze de Lancasters voor dit interieur bestelden. Ze plaatsten de stoelen met glanzende zitting op een minstens even blinkende vloer. Hoewel die donker is, reflecteert die het licht overvloedig, zodat een  fijne warme gloed ontstaat. Alsof er net een dikke verlossende regenbui gepasseerd is op een  hete zomerdag.

Het is een vloerafwerking die in huiselijke setting niet evident is,  maar die hier goed werkt, in een restaurant van The Line Hotel in Los Angeles.  De breuk met de  brave Scandinavische stijl is -althans in hotels, restaurants en café’s – al een tijdje geleden ingezet. Rijkelijk, gesofisticeerd, glamoureus zijn woorden die in menig nieuw hotel, bar of restaurant van toepassing zijn. Probleem is dat de nieuwe art-deco-interieurs al gauw een soort decor worden waar je eerder kostuumdrama’s ziet plaatsvinden dan ongedwongen etentjes. Toch is chic hier niet stijfjes.

Misschien ligt het geheim van de warmte van dit beeld (ondanks het koude aluminium aan de poep) wel in de nuchterheid van de houten stoelpoten?  In het muntgroen dat de voorbije jaren furore maakte in hedendaagse interieurs? Of in de geruststellende messing theepot op de houten tafel? Of misschien  toch in de zachtgele verf, met spons op de muur aangebracht? Helemaal zoals in de jaren negentig….

In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

PS: Dit beeld toont trouwens een andere trend die op kousenvoeten nadert: na messing,  brons en koper is het weer tijd voor chroom,  inox, gepolijst aluminium (zoals hier) of gewoon simpel spiegelend glas. U weze gewaarschuwd.

Picture Perfect (3): La Piscine

Les extrement se touchent. De ronde rivierkeien op de bodem van een ondiep poeltje buiten zijn de perfecte tegenhanger voor het pluizige grijze tapijt onder een eveneens doorschijnend oppervlak van de salontafel binnen. Doordat de vloer van de zithoek onder het waterniveau ligt, en enkele verschillende stroompjes als watervallen van nog hoger komen, is de waterbeleving helemaal compleet. Ook omdat het raamkader zo subtiel werd gehouden. De bijna rabarberachtige bladeren van de Gunnera plant, en de subtielere Waldstenia en de witte duizendknoop geven meteen verrassend veel variatie vlak bij het raam. Beter dan televisie, zelfs als het regent is er wat te beleven op die paar vierkante meter voor het raam. Een ondiep (30cm hier) rechthoekig vijvertje zoals dit wordt spiegelvijver genoemd. Dat fungeert zoals de naam doet vermoeden als weerspiegelaar: van de wolken of blauwe lucht. Van de bovenstaande planten, of eventueel van de architectuur. Allemaal afhankelijk van uw eigen perspectief en van de lichtinval.

Niet diep heeft voor- en nadelen: de aanleg is goedkoper en het nodige volume water en bijhorende filterinstallatie moeten dus niet de zwaarste zijn. Aandachtspunt is echter meteen wél de zuivering: omdat het niet diep is, warmt het water snel op en koelt het snel af, extremere temperatuurschommelingen die ideaal zijn voor algen. En die willen de meeste mensen dan weer liever niet, ook al omdat ze het spiegelend beeld verstoren. Het water wordt in dit badje van Biopool gefilterd door een externe filter die aangestuurd wordt vanuit de kelder onder het terras (waar eveneens een garage is), waardoor er in dit geval amper onderhoud nodig is. De watervalletjes komen vanuit een witgelakt aluminium element dat meteen ook dienst doet als plantenbak én zitbank achteraan. De tuin is aangelegd door Tuinonderneming Monbaliu en tuinarchitect Francis Broos.

Info: www.biopool.be 

Dit artikel staat flink ingekort in Feeling Wonen / Gael Maison & Eigen Huis & Interieur van deze maand, nu in de winkels.

In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

In een andere reeks No Pictures Please, bundel ik  dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

No Pictures Please (5): Millennial Pink blijft

De eenhoorn, zeepbellen, regenbogen en bloemenkransen. Wie uit de eerste flowerpowergeneratie had kunnen voorspellen dat ze zo hip zouden zijn bij tieners dezer dagen? En wie had tien jaar geleden durven te beweren dat meubelmerken en masse roze sofa’s op de markt zouden brengen? “Roze is het nieuwe zwart”, verklaart kleurexpert en trendwatcher Hilde Francq al jaren. “De kleur is niet langer kinderlijk. Roze is volwassen geworden.”

Hoe is dat zo gekomen?

“Door de kredietcrisis. Harde tijden zijn immers de ideale voedingsbodem voor roze. Uit onderzoek blijkt dat mensen in de Verenigde Staten en Europa die kleur associëren met gevoeligheid, tederheid, zachtheid, zoetheid en de kindertijd. Exact waar ze nood aan hebben in tijden van crisis.”

Waar kwam dat roze eerst voor?

“Niet in de mode, maar in de interieursector. Het Nederlandse ontwerpduo Scholten en Baijingslanceerde pastelkleuren, en ook de Bouroullec-broers pikten het snel op. Ze gebruikten naar eigen zeggen ‘een verschrikkelijke rode daad samen met een verschrikkelijke witte draad’ voor een soort gebreide stoel voor Vitra, die dus roze uitviel. De Scandinavische meubelmerken volgden snel. Pas daarna was het aan de mode: Raf Simons bij Jil Sander in 2012, en snel ook merken zoals Cos. En vervolgens ging de rest overstag. Nu is het gemeengoed. Zelfs haren worden vlotjes roze geverfd. Niemand kijkt ervan op.”

Is het roze ondertussen veranderd?

 

“Absoluut. Eerst was het inderdaad pastelroze met rood en wit erin. Daarna, en daar zitten we middenin, volgde huidskleur. Die valt te verklaren door de gezondheidshype en verwijst naar de aandacht voor het menselijke pure lichaam. Huidskleur is de kleur van een aanraking, van een knuffel. Iets waar we, in deze tijden van schermen en sociale media, blijkbaar naar snakken. Kleur hangt samen met de vormen. Zo zijn meubels minder hoekig dan vijf jaar gelden: ze hebben meer rondingen, als een menselijk lichaam.”

Hoe combineert een mens die verschillende tinten roze?

“Ik vind het geweldig met Yves Klein elektrisch blauw. Het wordt ook vaak met geel gecombineerd, met wit, of met messing, natuurlijk.”

Welk roze komt eraan in 2018?

“Perzikroze. Bijna oranje dus. Het hangt samen met de opgang van het feminisme, en met de aandacht voor nuchterheid en eenvoud. Geen enkele kleur is zo flatterend als roze, voor alle huidtypen bovendien. Zoals gezonde blozende wangen.”

Kleur verkoopt, Hilde Francq, uitgeverij Lannoo Campus, 34,99 euro.

Dit artikel verscheen in Knack Weekend van 28 juni 2017

In de serie No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

In een andere reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

Picture Perfect (2): de doorzichtige plant

 

Ik hou van mannen met een baard. Ik hou ook van mooie armen. En van planten! Toch maakt dit beeld mij niet blij.

Ik leerde Paper Collective kennen in de Antwerpse winkel Espoo, van Dries en Mies. Zij verkopen al jaren de posters met bergen, landschappen en dennenappels op. Die kosten tussen de 20 en 50 euro en er zijn er meestal maximum 500 van gemaakt. En 10 % van de sales van die prints gaat naar een goed doel naar keuze van de artiest. Mooie prenten. Die perfect passen in de wat een vriendin onlangs omschreef als “natuurhistorischmuseum-stijl-interieur” .

Als kind van mijn tijd ben ik fan van oldfashion botanische tekeningen. Ik heb er zelfs een op mijn lijf laten tatoeëren. Ik schreef er eerder zelfs een artikel over voor Nest. Over de botanische tekeningen, niet over de tattoo.

Maar dus, Paper Collective  werkt al een poosje samen  met Moebe, een eveneens Deens merk dat dan weer in zijn collectie Frame als bestseller heeft: twee plexiglaasjes die met een elastiek samen te houden én op te hangen zijn. Simpel en verkrijgbaar vanaf een dikke twintig euro. Leeg. De twee merken vulden elkaar aan op beurzen en in catalogi: de ene de kader, de andere de prent. Hopla.  En ze kwamen in dezelfde winkels terecht.

Begin deze maand lanceerden beide merken een samenwerking die  hierboven zo elegant wordt getoond door een Scandinaaf (tiens, dat woord komt meer in het meervoud dan in het enkelvoud voor, blijkbaar). Samen met Norm Architects brengen ze zeven verschillende transparante prints uit van planten, “speciaal gecreëerd voor de Moebe-Frames”. (De prints zullen  zullen in standaard A5, A4 en A3 uitkomen).

© Moebe / Rasmus Rønne Studio

De foto’s zijn een verlengde van de serie Sabi Leaves die Norm architects eerder in zwart-wit en op papier presenteerden bij Paper Collective. Daarover bestaat dit korte promotekstje:

Jonas Bjerre-Poulsen of Norm Architects uses a rewording of a passage from Wabi Sabi for Artists, Designers, Poets and Philosophers to explain the idea behind the new print:

“The Sabi Leaves photos are inspired by the gathering of botanic samples and classic botanic illustration. Playing with an element of decay, the Sabi Leaves also become iconic expressions of time frozen. They are visibly vulnerable to the effect of weathering and have recorded the sun, wind, rain, heat and cold in a language of discoloring, rust, tarnish, stain, warping, shrinking, shriveling and cracking. Their nicks, chips, bruises, scars, dents, peeling and other forms of attrition are a testament to their history. Through the transparency of print and frame the leaves get a unique sense of multi-dimensionality rarely achieved in printed products.“

Door de foto’s nu niet op een dikke witte poster, maar op een transparant vel te stoppen maken de drie bedrijven het nog gemakkelijker voor de consument om instant dat groene gevoel binnen te halen. What’s not to like? Dit is een kamerplant zonder vervelend gedoe. Zonder water te moeten geven. Zonder bladeren die afvallen.

Maar ook zonder groei. Zonder bloei. Zonder schaduwen, verkleuringen, plekjes en plagen. Zonder echt verval.  Dit zijn  met andere woorden planten die nooit veranderen. Die netjes aan het nageltje blijven hangen. Proper afwasbaarmet een microvezeldoekje  bovendien. Het is dat ze er zelf over waren begonnen, maar dat heeft toch helemaal niets te maken hebben met het toelaten van vergankelijkheid en imperfectie?  Meer anti-wabi sabi bestaat toch niet?  En trouwens:  waarom dan niet gewoon een koppel (gedroogde) bladeren of bloemen tussen dat plexiglas klemmen in plaats van 39,95 euro voor een transparante technisch hoogstaande print?  Waarom moeten zelfs kamerplanten, die amper natuurlijk meer zijn, nog meer getemd worden? Waarom blijft er in vele woningen enkel een zielig dun velletje over? Een ingekaderd schelleke plastic natuur?

Ik moet denken aan boomsoorten die blijkbaar te gevaarlijk dik kunnen groeien om naast autowegen te mogen geplant worden. En aan verdriet om gekapte of bijna gekapte stadsbomen.

 


In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.  Hier de eerste.

Uit het archief : Carolyn Steel

 Gisteren hoorde ik een hedendaagse held: Carolyn Steel, architect en auteur van het boek “De hongerige stad”. Ik hoorde haar niet voor het eerst. Ik mocht haar vijf jaar geleden interviewen. Even enthousiast als toen vertelde ze gisteren over hoe de manier waarop we met ons voedsel omgaan eigenlijk bepaalt hoe we met elkaar en met de planeet omgaan.

Ze kwam supporteren bij de lancering van ’t Dak van Pakt, een samentuin op drie pakhuizen, goed voor 1800 m2 kruiden, fruitbomen en groenten en 200m2 serre. Daarover binnenkort in Knack Weekend meer.

Hoe belangrijk (stads)landbouw dezer dagen is, werd bovendien bevestigd deze ochtend, toen Landgenoten, een coöperatieve aankoper van landbouwgronden de prijs voor Radicale Vernieuwer kreeg van zowel de jury als het Publiek.

Positief duurzaam nieuws vandaag, het mag ook eens.

Hieronder mijn interview van vijf jaar geleden met Carolyn Steel. Ze is bezig aan een nieuw boek, vertelde ze gisteren.

STEDEN ZIJN MEER DAN HUN ARCHITECTUUR. Om architectuur te bestuderen, moet je ervan wegkijken. Ik heb de indruk dat aan het traditionele vakgebied iets ontbreekt, namelijk het leven zelf: net datgene waaraan architectuur dienstbaar zou moeten zijn. Ik wilde de verborgen kant van stedelijkheid, haar relatie met het platteland en met de natuur onderzoeken. Hoe zou het zijn, vroeg ik mij af, als je zou proberen om een stad te beschrijven aan de hand van voedsel ? Dat leidde tot mijn boek De hongerige stad.

OVER VOEDSEL NADENKEN, IS OVER HET LEVEN NADENKEN. We hebben voedsel nodig. Het verbindt ons met elkaar en de natuur en het beïnvloedt ons in bijna elk aspect van ons leven. Sinds het boek kijk ik op een andere manier naar de wereld. Als ik een landschap zie, bedenk ik in hoeverre het aangepast is om ons van eten te voorzien. Als ik door een stad wandel, vraag ik mij af waar men- sen hun maaltijden vinden. Waar zijn de markten, waar zijn de winkels ? Koken ze thuis ? Gaan ze uit eten ? Ik kijk wat bestelwagens leveren, of mensen er gezond uitzien.

HET IS TEGELIJK GEMAKKELIJKER EN MOEILIJKER GEWORDEN DAN VROEGER OM ONS- ZELF TE VOEDEN. Technologieën van nu maken de oogsten efficiënter. Tegelijkertijd verbranden we tien calorieën voor elke calorie die we in het Westen produceren. Dat heeft toch geen zin. Bovendien zijn we met zeven miljard. We moeten ons in de toekomst concentreren op het beheer van grondstoffen. Er zijn er genoeg, maar alleen als we ze eerlijk verdelen, ze behoorlijk waarderen, voorzichtig produceren en stoppen met verspillen.

WESTERLINGEN GAVEN NOOIT EERDER IN DE GESCHIEDENIS ZO WEINIG GELD UIT AAN VOEDSEL ALS NU. Britten besteden slechts tien procent van hun inkomen aan eten, terwijl dat der- tig jaar geleden nog dertig procent was. Dat komt omdat we de echte kosten van het goedkope industriële voedsel op een andere manier betalen : grondstoffen worden opgebruikt en er is veel vervuiling, maar we worden ook geconfronteerd met gezondheidsproblemen als obesitas, kanker en hartziekten. Die kosten zijn immens voor de maatschappij en zullen een steeds grotere rol spelen. In de vorm van een vettaks, bijvoorbeeld. Ik stel het begrip sitopia voor, wat inhoudt dat bij het ontwerp van een stad rekening wordt gehouden met haar voedselproductie en -consumptie.

ZEG MIJ WAT JE EET EN IK ZAL ZEGGEN WIE JE BENT. Die zin werd voor het eerst gepopulariseerd door Anthelme Brillat-Savarin, wellicht de bekendste culinaire filosoof. Ik ben het met hem eens dat voedsel zowel plezier brengt als ons leven vormt. Ik blijf ook onder de indruk van de boer- dichter Wendell Berry, die erg goed schrijft over de relatie tussen voedsel, natuur en leven.

HOE KUNNEN WE EEN GOED LEVEN LEIDEN? DIE VRAAG WAS NIET ANDERS VOOR DE OUDE GRIEKEN DAN VOOR ONS NU. Maar zij zagen het gemakkelijker, omdat ze minder afgeleid werden. Epicurus zegt dat we het leven niet kennen, maar dat we het ook niet kunnen vermijden, dus kunnen we er evengoed plezier aan beleven. Maar met mate, anders verspillen we dat plezier. Een eenvoudige boodschap, die wel tot in de kern van de moderne dilemma’s gaat. We moeten leren ge- nieten van het leven op zich, een nieuwe balans zoeken en focussen op wat dicht bij ons staat.

IEDEREEN HEEFT RECHT OP ETEN, DAT STAAT IN DE UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS. Dat moeten we serieus nemen. Er zijn nieuwe wetten nodig, met strak- kere planningen, nieuwe belastingen en internationale overeenkomsten. De jongste jaren zien we overal ter wereld initiatieven in de goede richting, zoals jullie voedselteams en groententassen.

Carolyn Steel is architecte in Londen bij Kilburn Nightingale Architects en (gast)professor in Cambridge, Wageningen en de London Metropolitan University. Ze was de eerste studio director van het Citiesprogramma van de London School of Economics and Political Science. Vorig jaar verscheen haar boek ‘De hongerige stad’ in het Nederlands, bij het Nederlands Architectuurinstituut. Ze blogt regelmatig op www.hungrycitybook.co.uk.

Dit artikel verscheen in Augustus 2012 in Knack Weekend

Picture Perfect (1) : De mosterdgele sofa

 

Sebastian Herkner sofa voor Linteloo © Sigurd Kranendonk

Mosterdgeel. Er valt  op deze foto van een nieuwe sofa van de Nederlandse fabrikant Linteloo niet naast kijken. De kleur van een broodje hotdog, maar ook van een chique cocktailjurk met bijhorende handschoenen. In sé redelijk retro, en toch doet deze sofa behoorlijk contemporain aan. Hoe dan?

Dankzij zijn onderkant.

Modulaire sofa’s zijn sinds jaar en dag opgebouwd zoals een veredelde Duplo-set. Met een aantal basisvormen kunt u dan “helemaal uw eigen sofa samen stellen”. Ik neem er de technische fiche bij. Dit bijvoorbeeld is een 2,5 seater 1 arm left   (de fabrikant zit niet zelf in de zetel als hij linker of rechterkant bepaalt)  vastgeklikt aan een longchair right. En hop, een hoeksofa is geboren. Er bestaat ook een versie die minder diep is (undeep, heet dat dan officieel). Nu moet u weten dat er bij sofa’s van deze hoogte (430 mm om precies te zijn)  meestal wordt gekozen uit twee pistes: ofwel staan de modules handig op  slim gepositioneerde pootjes, meestal zo onzichtbaar mogelijk. Ofwel is de onderkant opgebouwd uit comfortabele kubussen.

Hier in deze foto (scroll gerust even naar boven) krijgt u visueel het beste van twee werelden. De onderkant is helemaal open wanneer u er voor staat, en gesloten voor wie van achter of opzij kijkt.  Een extreem dun frame in vooraanzicht, maar stoer in zij- en achteraanzicht. Ideaal voor Instagram.

De onderkant is bovendien zoals een boxspringbed bekleed met stof. Een klassieke grijze tweed.   En ook dat is niet toevallig. Dat levendige grijze textiel doet -althans visueel- denken aan beton en dat materiaal is en blijft immens populair. In simpel “natuur” versie of in de massa gekleurd. Vooral accessoires worden dikwijls uit beton gemaakt. Ook terrazzo (ooit een goedkoop cementmengsel met stukjes marmer of andere steenoverschot) is extreem populair in hedendaagse woningen en op Instagram (#terrazzo maar eens: 98 245 posts op dit moment) . Niet alleen als bouwmateriaal, maar ook als lampen. En zelfs compleet fake als print op behang, tote-bag of zelfs telefoon- en laptopcovers. Wie wil er nu met een terrazzo-tegel tegen het oor rondlopen? Bon, ik wijk af.

Een sofa, die moet er best wat comfortabel uitzien en dat wordt hier benadrukt met over de leuning geplooide kussens. Het idee van  die plooikussens werd populair sinds Vico Magistretti zijn Maralunga bedacht in de jaren zeventig, waarbij die leuning rechtopstaand of liggend kan toegepast worden.

Een rond tapijt uit glansfluweel brengt wat luxe én nonchalance in het verder vrij eenvoudige, Japans aandoende huis.  De immergroene bamboe aan het raam en diens perfect vallende schaduw brengt de natuur naar binnen, een populaire wens anno 2017. Maar de getrapte salontafel (ook een ontwerp van de Duitser Sebastian Herkner, die de sofa tekende) had ik in dit beeld toch wat dichterbij gezet, kwestie van net iets gemakkelijker aan de olijven te kunnen die hier picture perfect bij zouden passen.

Ik heb de sofa vorige maand uitgetest in Milaan in de showroom van Linteloo. Vijf minuutjes. Zonder cocktail. Hij stond er vooral in de kleuren beige, grijs, crème en taupe.


In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer elke week  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.  

In een andere reeks No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.