Interview Yves Obyn

De vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West-Vlaanderen 2017 werd gisterenavond uitgereikt in Roeselare. Ik mocht beide laureaten interviewen.

©Kaat Pype

Surrealisme voor de Instagramgeneratie

Niet dat de jonge Yves Obyn mensen per se uit hun evenwicht wil brengen, maar ze één seconde op het verkeerde been zetten, vindt hij wel interessant. Zijn medium? Mdf-platen, hout en multiplex.

“Wij zijn geen meubelfirma. We maken wel meubels, af en toe. Alles is te koop, behalve wat al verkocht is.” Dat Yves Obyn zichzelf graag relativeert, is duidelijk. Ook in zijn werk houdt de jonge Bruggeling van humor, een kleine sneer en zelfs van maatschappelijke commentaar. Al vindt hij dat eerder bijkomstig. Het woord ‘surrealist’ neemt hij niet in de mond als hij het over zichzelf heeft, maar eigenlijk is hij het wel.

 

Wilde je altijd al een eigen atelier? Met zagen en klemmen en sergeanten zoals hier?

“Neen, helemaal niet. Ik heb nooit gestudeerd voor meubelmaker, ik ben opgeleid als grafisch vormgever. Maar al tijdens mijn studies vond ik drie dimensies interessanter dan twee. Ook toen al was ik vooral bezig met installaties en performances. Mijn grote droom was films te maken, nu vertel ik verhalen met mijn meubels en ensceneringen. Mijn atelier is als een filmstudio waar ik een eigen wereld kan creëren. Op die manier maakt ook de gebruiker deel uit van het verhaal. Deze prijs bevestigt dat ik hier toch iets nuttigs doe. Heel mijn oeuvre is opgebouwd uit experimentjes. Trial and error. Nu pas ben ik zover dat ik vind dat ik mijn objecten ook kan verkopen.”

Hoe werk je? Met een schetsboek? Computertekeningen?

“Ik maak. En probeer. Ik gebruik niet de conventionele schrijnwerkerstechnieken, want die ken ik niet. Wel heb ik meestal een duidelijk beeld voor ogen voor ik aan iets begin. Dan vraag ik me af hoe ik dat beeld kan vertalen in een fysiek object en begin ik te experimenteren. ‘Wat wil je eigenlijk vertellen?’ Die vraag werd ons in de hogeschool van Sint-Lucas het meest gesteld. Dat heb ik goed onthouden. Het doel van het verhaal en het sterke beeld blijven voor mij primeren. Een idee is niet af als ik het niet ‘gemaakt’ hebt.”

Waar haal je inspiratie voor die beelden?

“Overal. Ik hou er vooral van om te kijken naar mensen en hoe ze zich gedragen in dagdagelijkse situaties. Ik kan mezelf helemaal verliezen als ik ergens zit te eten en om mij heen kijk. Ik zie de mensen maar ook hun verhalen, die ik er al dan niet zelf bij verzin. Als je wat langer kijkt, zie je dat elke mens uniek is en elk op zijn manier invulling geeft aan zijn wereld. Toen ons eerste kindje geboren was, ging ik vaak wandelen in de buurt. Daar viel me op hoe de bewoners van hun voortuin, soms amper twee vierkante meter groot, toch iets persoonlijks willen maken. Het is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Die voortuintjes vind ik niet lelijk maar juist fascinerend. We zouden die mensen moeten feliciteren in plaats van ze met de vinger te wijzen omdat ze niet binnen de norm vallen.”

Wat heb je tot nu toe al gemaakt?

“Vroeger maakte ik vooral grote installaties, zoals replica’s van vliegtuigen en de maanlander. Daarrond speelde zich dan een verhaal af. Maar doorheen de jaren is mijn werk subtieler geworden. Ik hou ervan om alledaagse dingen en herkenbare beelden uit hun context te halen. Een tijd geleden maakte ik een reeks straatmeubels: een bushokje, een zitbank, een vuilnisbak… Dingen die we kennen en waarrond zich van alles afspeelt. Maar ik wil ze binnen gebruiken, in een huiselijke context. Het zou ook een setting kunnen zijn voor een pop-uprestaurant. Waar opgeklede mensen zouden kunnen eten als waren het hangjongeren. Ik wil met mijn werk mensen op een subtiele manier uit hun comfortzone halen. Ik hou van de conventies in onze cultuur maar vind het ook leuk om ze onderuit te halen. Ik maakte bijvoorbeeld een melkkannetje dat lijkt omgevallen te zijn en waarbij de vlek een koeienhuid is. En een eetkamerset die rechtstreeks uit een actiefilm geplukt kan zijn, met kogelgaten erin. Ik heb ook een doodskist gemaakt met een opening in de vorm van een kruis ter hoogte van het hart, waaruit de ziel kan ontsnappen. Het toont aan hoe het gebruik van techniek voor een meerwaarde kan zorgen in een verhaal.”

 

Ik haal ook veel inspiratie uit populaire cultuur, uit Amerikaanse films en hiphop. Vooral de fascinatie voor de American dream om ooit rijk en beroemd te worden houdt me bezig. Misschien is het stiekem wel mijn eigen droom.”

 

Wat maakt jou blij?

“Ik hou van de praktijk van het maken. Vaak realiseer ik meerdere prototypes van objecten, die al dan niet al een functie hebben, tot op het moment dat ik een afgewerkt product heb. Dat proces geeft me de grootste voldoening. Van zodra het af is, ben ik met mijn gedachten al bij een nieuw project. Ik zou niet zoals een muzikant elke avond dezelfde song kunnen spelen. In mijn atelier ben ik baas in mijn eigen wereld. Daar kan ik me uitleven met de meest absurde dingen. Zoals het namaken van een Ikeatrapje (Bekväm). Dat kost mij wel vijf keer meer aan tijd en materiaal, maar het voelt als een overwinning als je iets kunt namaken dat eigenlijk ontworpen is voor massaproductie.

 

Wat is volgens jou de rol van kunstambachten in 2017?

“Misschien is dat wel de perfectie een stamp geven? De structuren die je kent heel even overhoop gooien en een ander perspectief geven? Niet alles moet blijven zoals het is, toch? Ik heb geen probleem met de ideale wereld die we elke dag op social media voorgeschoteld krijgen, maar ik vind het belangrijk te beseffen dat alles geënsceneerd is. Ik vind het spannend om mensen een klein beetje op het verkeerde been te zetten. Mijn kartonnen dozen, die ik toon op de expo van Provincie West-Vlaanderen, zijn laden. Maar op het eerste gezicht lijkt het of de bewoners nog in de verhuisdozen zitten. Dat ene moment van twee keer kijken, daar doe ik het voor.”

Deze tekst is gemaakt in opdracht van Provincie West-Vlaanderen. Er loopt op dit moment een tentoonstelling.