Categorie archief: praktisch

Interview : Rotor DC (2/2)

Wat? Deuren, lampen, of zelfs lavabo’s  uit het stadhuis van Antwerpen zijn te koop? Online dan nog wel. Als dat geen verhaal is voor de kleinkinderen weet ik het ook niet. Wie dat mee mogelijk maakt?  De schelmen van Rotor Deconstruction uit Anderlecht natuurlijk. Ik interviewde hen het afgelopen jaar al twee keer. Hieronder het meest recente interview, uit Knack Weekend in juni 2017. Dat voor Flanders DC in januari, toen ze de Henry Van de Velde Award Bedrijf 2016 mochten ontvangen,  vind je hier

Al twaalf jaar geven ze gebruikte bouwmaterialen een tweede leven. Miuccia Prada is fan, Rem Koolhaas ook. We zijn amper halfweg 2017 en ze kregen al een belangrijke designprijs, leverden een exporuimte af, begonnen les over afbraak te geven aan de Technische Universiteit van Delft en verhuisden naar een nieuw kantoor mét showroom. Kortom, Rotor draait goed.

Ontwerpcollectief Rotor geeft gebruikte bouwmaterialen een tweede leven

Maarten Gielen (links) en Lionel Devlieger tussen het stenen aanbod op het terrein van Rotor in Anderlecht. © Fred Debrock voor Knack Weekend

Wanneer bij de doop van hun nieuwe hoofdkwartier in Anderlecht de fles schuimwijn niet kapot spat tegen de gevel, haalt Maarten Gielen een aansteker boven, brandt het touwtje door, schudt de fles en spuit de bubbels op de gevel. “Zo, wie wil er een glas?” Even nuchter en praktisch als op dit feestelijke moment, voert hij samen met Lionel Devlieger sinds 2005 het ontwerpcollectief Rotor aan. Terwijl er wordt geklonken, herhaalt hij hun hoofdbekommernis. “Zeshonderdduizend ton bouwmaterialen wordt jaarlijks als afval uit Brussel afgevoerd. Achthonderdduizend ton bouwmaterialen wordt ingevoerd. Zou het niet beter zijn om die bouwmaterialen in Brussel te hergebruiken?” En meteen voegt hij er – alweer nuchter – aan toe: “Onze bijdrage is bescheiden: wij halen voorlopig 0,1%. Maar we zorgen voor toegevoegde waarde: we werken met lokale leveranciers, aannemers, transporteurs… Hergebruik werkbaar maken is het verhaal van de kip en het ei. Architecten en ontwerpers die met tweedehandsmaterialen willen werken kunnen dat alleen maar als er een dienstverlening is. Die dienstverlening, wij dan, kan alleen maar overleven als er ook klanten zijn.” Vroeger overleefde Rotor op onderzoekswerk rond hergebruik van industriële bouwmaterialen, daarna bouwden ze artistieke presentaties van gebruikte materialen en nog later werden ze een echt demontagebedrijf. Nu breken ze voornamelijk kantoren af, inventariseren slim, stockeren en verkopen door aan ontwerpers en architecten. Of ze bouwen er zelf interieurs mee.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels. © FRED DEBROCK voor Knack Weekend

“Wij werken niet met afval”, verduidelijkt Maarten Gielen bij een rondleiding door hun nieuwe plek. “Wij zijn het afval voor: wij hergebruiken de componenten zoals ze zijn. We gaan ze niet versmelten of vermalen. Wat goed is, moet je als dusdanig kunnen gebruiken : een tegel, een wand, een plafond… We maken hoogstens schoon en herverpakken. Kijk, twee à drie keer per week krijgen wij de sleutel van een gebouw. Alles wat wij er niet uithalen gaat naar de sloop en de afvalberg. Maar we zijn realistisch. Wij weten dat een architect en aannemer een serieuze verantwoordelijkheid nemen en dus betrouwbare materialen willen.”

NÉT NIEUW

Hun team van zo’n twintig ontwerpers, architecten, arbeiders en ingenieurs is opgesplitst in twee bedrijven: Rotor zelf, dat het onderzoekswerk levert en Rotor DC. “Wij zijn drie in één”, vertelt Lionel Devlieger: “Architect, die de waarde en de bruikbaarheid van de materialen inschat op een af te breken werf. Tezelfdertijd aannemer, die weet hoe de demontage praktisch kan verlopen zonder dat er bijvoorbeeld schroeven kwijtraken. En ten slotte ook verhuizer.” In Anderlecht zit iedereen samen op één plek. “Handig, onze ontwerpers kunnen letterlijk komen shoppen in de showroom en het depot”, lacht Lionel.

De klanten zijn divers: schattenjagers die helemaal wild worden van bijvoorbeeld een jarenvijftigtegel van Lucien Engels. “Veel handelaars zijn actief in rustieke materialen zoals parket, marmer of schouwen, of meer industriële materialen zoals baksteen en stoer metalen fabrieksmeubilair. Maar wij houden het veeleer modernistisch”, vindt Maarten Gielen. Een tweede groep klanten bestaat uit architecten en ontwerpers die unieke, goedkope of ecologische interieuroplossingen zoeken, zoals binnenwanden, brandwerende deuren, wastafels, plafonds of tegels. “Daar telt prijs én ecologie mee.” Een opvallend nevenprojectje is Ditto: gereinigde klinken, scharnieren, schroeven en moeren, die in twee gewone doe-het-zelfzaken netjes verpakt naast de nieuwe onderdelen te koop liggen.

De week na de opening starten Lionel Devlieger en Maarten Gielen met doceren aan de Technische Universiteit van Delft. “Hoe tof is het om aan architecten, opbouwers per definitie, eens les te geven over afbraak!”

rotordb.org en rotordc.com

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels. © FRED DEBROCK voor Knack Weekend

PROJECTEN IN 2017

1. Tegels, Gent en Anderlecht

“Tegels houden ons al een tijdje bezig. Een van de eerste projecten waar door ons gerecupereerde tegels gebruikt werden, was in 2015, door Doorzon Interieurarchitecten in de winkel Moor & Moor in Gent. Onlangs ontmantelden we interieurs uit een universiteitsgebouw in Luik. Duizenden vierkante meters keramische tegels lagen er, per kamer telkens volgens een ander patroon geschikt. In de winkel hebben de architecten die tegelpatronen speels gecombineerd. Die tegels uit Luik hebben we volgens een zelf ontwikkelde methode gereinigd. Ze zijn in perfecte staat en kunnen voor een zeer redelijke prijs worden verkocht. We stelden dat reinigingsproces deze winter voor op de expo Manufactuur in Z33 in Hasselt. We ontvingen net een economische beurs om uit te zoeken hoe we dat semiautomatisch kunnen doen. Een van de hangars hier zal daarvoor gebruikt worden.”

TEGELS, Gent en Anderlecht

TEGELS, Genk, Hasselt en Anderlecht © Z33

2. Mad, Brussel

“We ontwierpen samen met architecten V+ het nieuwe MAD, een grondige transformatie van drie panden. Hier geen recuperatiematerialen, alles is nieuw en wit. We kozen wel voor materialen die aan iedere oppervlakte een aparte textuur en karakter geven, want wit is nooit gewoon wit. We staken er ook knipogen in naar typische materialen van openbare ruimten. De zwarte Pirellivloer, zoals in Brusselse metrostations, vind je hier bijvoorbeeld in het lichtgrijs.”

MAD, Brussel

MAD, Brussel

3. Bar Rural, Parijs

“Zelf zijn we helemaal wild van gelijmde, gelamineerde spanten van 25 of 30 meter lang die gebruikt worden voor de structuur van sporthallen en zo. Die maken wij bij de afbraak handelbaar door ze te verzagen in de lengte, maar ook in de breedte. Je kunt er zoveel mee doen. Ontwerper Lionel Jadot heeft er in een bar in Parijs een soort Flintstones-achtige tafels van gemaakt. Dat kunnen wij nooit verzinnen. Wij maakten er zelf een eettafel van voor onze kantoorkeuken. De oneffenheden vulden we op met op maat gefreesd inox. Lionel Jadot komt geregeld materialen bij ons kopen, ook bijvoorbeeld voor ijssalon Gaston of voor Cohabs in Brussel.”

BAR RURAL, Parijs

BAR RURAL, Parijs © ISABELLE KANAKO

Interview : Rotor DC (1/2)

Consistentie en gezond verstand. Zie daar het geheim van Rotor. Sinds 2005 concentreert dit Brusselse collectief zich op één zaak: het hergebruik van hoofdzakelijk bouwmaterialen. Vanuit elke hoek bekijken ze de zaak: theoretisch en esthetisch, maar ook politiek en cultureel. En vooral: praktisch.

In zijn werkbroek begroet Maarten Gielen mij. “Ik kom recht van een werf”. Samen met Tristan Boniver, Michaël Ghyoot en Lionel Devlieger richtte hij in 2005 het collectief Rotor op. Eerst doken ze in de industriële afvalbakken van Brusselse fabrieken en maakten er een database van zodat ook anderen al dat bruikbaar materiaal konden vinden. Ze ontdekten dat er ook schoonheid te vinden was en gebruikten mooi afval om hun boodschap “waarom weggooien wat eigenlijk perfect bruikbaar is?” kracht bij te zetten op tentoonstellingen in Duitsland en op de Architectuur Biennale van Venetië. Ze charmeerden niet alleen Miuccia Prada die hen uitnodigde om iets te doen met haar stock catwalks, maar ook Rem Koolhaas die hen inviteerde om door het archief van zijn bureau OMA te gaan. Ze werden curator van de Architectuur Triennale in Oslo en publiceerden een kritisch boek over duurzaamheid. Ze leverden studierapporten af, richtten gebouwen in en werden als adviseur ingeschakeld door overheden en bedrijven. Ze richtten de website opalis.be op waar aannemers en architecten een adressenlijst vinden met herbruikbaar bouwmateriaal. Bedachten nog een zeer toegankelijke expo in Luik n.a.v. de laatste designbiënnale Reciprocity. En zo’n twee jaar geleden lanceerden ze Rotor Deconstruction: een, zeg maar, afvalverwerkend bedrijf. Het verklaart de werkbroek van Maarten. En het verklaart waarom Rotor ondertussen 20 mensen in dienst heeft: de helft architecten, onderzoekers en ontwerpers, de andere helft arbeiders. En soms wordt de ene onderzoeker, en de andere arbeider.

In 2013 werd Rotor gecontacteerd door een groot kantoorvastgoedbedrijf dat jaarlijks enorme oppervlakten verbouwt. Het bedrijf wilde weten of Rotor iets kon doen met de materialen die vrijkwamen. Maarten Gielen: “We maakten een inventaris van wat er in die gebouwen zat en begonnen mogelijke bestemmingen te zoeken. Omdat het bedrijf wilde dat wij budgetneutraal werkten, onderzochten we welke materialen genoeg waarde hadden om hun eigen demontage te financieren. Het waren er flink wat, zo bleek. Dat model hebben we behouden in Rotor Deconstruction. In het begin hadden we geen depot, en vervoerden we zaken rechtstreeks van afbraak- naar opbouwwerf. Nu hebben we een hybride model. Een groot deel van wat we verzetten passeert niet meer langs de depot. Dat is in volume en gewicht zeker het grootste deel. Het heeft geen zin om betondallen twee keer te verhuizen. Dan worden ze te duur. Maar aan de meest waardevolle stukken kan je waarde toevoegen door ze aan de juiste mens op het juiste moment in de juiste omstandigheden te verkopen.”

Ontmanteling van het BNP Paribas Fortis hoofdkantoor Brussel - Foto RotorOntmanteling van het BNP Paribas Fortis hoofdkantoor Brussel – © Rotor
Restauratie van het gebouw voor Civiele Bouwkunde (Val Benoits Spl) - Foto: Olivier BeartRestauratie van het gebouw voor Civiele Bouwkunde (Val Benoits Spl) – © Olivier Beart

 

LEGO

Rotor Deconstruction is bijna hoofdzakelijk in kantoren aan het werk en dat is logisch, vindt Maarten: “In Brussel is de standaardpraktijk voor de betere kantoorgebouwen op het einde van een huurcontract meestal zo dat je de kantoorruimtes opnieuw casco achterlaat. Dat levert een enorme turnover aan materialen op. Ondertussen werken we ook voor de vijf grootste concurrenten van dat eerste vastgoedkantoor. Omdat het systeem werkt.”

Maarten vergelijkt een modern kantoorgebouw met een grote Lego. Er wordt aan systeembouw gedaan: een deur of muur wordt honderd keer herhaald. “Veel materialen zijn ontworpen om verplaatsbaar te zijn en moeten meerdere keren ingezet kunnen worden. Een droom voor hergebruik, want daarmee kunnen architecten meteen aan de slag. Maar door het ontbreken van een markt voor die materialen loopt het meestal systematisch fout.” “Omdat de operatoren ontbreken,” vult Lionel Devlieger aan. “De aannemerswereld is gericht op het leveren en plaatsen van materialen. Aannemers die enkel de verplaatsing doen van werf naar werf bestaan niet.” Rotor doet dit wel. “Het probleem is dat je drie types vaardigheden nodig hebt,” duidt Maarten nog. “Enerzijds een architect die de waarde en de bruikbaarheid van een component inschat. Anderzijds de aannemer die weet hoe de demontage praktisch kan verlopen en wat hiervan de kostprijs is. En tenslotte ook de expertise van een verhuisfirma. Veel schade aan materialen gebeurt nadat ze verwijderd zijn uit de gebouwen. Wat is bijvoorbeeld de juiste manier om een grote hoeveelheid glazen platen te vervoeren? Daar kruipt heel wat denkwerk in. Er is dus de verhuisfirma, de aannemer en de architect, maar er zijn weinig bedrijven die de kennis van de drie samen combineren. Dit is onze metier. Wij nemen zo’n zes à zeven keer per week een inventaris van een gebouw. Voor ons is het nuttig om daarvoor dan een app te ontwikkelen die dat sneller en efficiënter doet. Daarin worden foto’s, afmetingen en opbouwinstructies opgeladen, krijgt alles een barcode en kan het vertrekken. Andere aannemers of architectenbureaus ontwikkelen dat niet voor één werf.”

Veel concurrentie heeft Rotor niet. Enkel voor de meer rustieke en nobele bouwmaterialen is die er wel. Parket, marmer of schouwen bijvoorbeeld worden gebracht naar handelaars die hierin gespecialiseerd zijn.

Het magazijn in Vilvoorde (detail) - Foto RotorHet magazijn in Vilvoorde (detail) – © Rotor
Uit de sloop geredde deuren - Foto RotorUit de sloop geredde deuren – © Rotor

 

KLINKEN IN PLASTIC ZAKJE

Afbreken is één, maar opbouwen en klanten vinden is de andere kant van het Rotor Deconstruction verhaal.

“Enerzijds heb je te maken met bijna antiek, heel klein in volume, maar heel hoog in waarde, zoals lampjes van Jules Wabbes, kapstokken, chique kantoormeubilair… Dat verkopen we via onze eigen website, of soms zelfs via veilinghuizen. Anderzijds heb je grote volumes van materialen met een eerder lage waarde. Zo voeren we gebruikte plankenvloeren van de Muntschouwburg af naar een winkel met ecologische bouwmaterialen. Daar staan ze in de rekken tussen andere werfplaten en worden ze door aannemers gekocht om ramen tijdelijk af te sluiten, een vloer te beschermen of als bekisting voor een betonnen balkje of zo. Klein beslag zoals klinken van deuren en kastjes poetsen we op, steken we in een plastic zakje en daar plakken we een barcode op. Die hangen hier in Brussel in materialenwinkels naast nieuwe producten, aan een iets betere prijs. Een product is ook een hele dienstverlening. Als je dertig kilometer moet omrijden voor een klink, dan doe je het niet, maar als je de keuze zo dichtbij hebt, dan werkt dat wel. Er zijn uiteenlopende motiveringen bij klanten. Soms is het puur economisch, maar even goed kan een ecologische overtuiging de doorslag geven, of de erfgoed- of culturele waarde.”

Ditto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag - Foto RotorDitto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag – © Rotor
Ditto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag - Foto RotorDitto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag – © Rotor

 

DESIGN&BUILD

“Wij blijven een ontwerpbureau en vinden ook dat aspect erg belangrijk. We bouwden bijvoorbeeld de Parodi boekenwinkel in Brussel met materiaal uit verschillende gebouwen in Brussel en Gent. En in 2018 zullen we de nieuwe kantoren van de Sociale huisvestingsmaatschappij De Zonnige Kempen inrichten. Opmerkelijk is dat we werken volgens het design&build principe: we zijn én ontwerper én bouwer, een veelbelovend principe in de context van hergebruik. Binnen het geijkte stramien van een overheidsopdracht bijvoorbeeld wordt eerst een ontwerper aangesteld, die materialen kiest en een bestek opmaakt. Vervolgens maken meerdere aannemers een offerte en wordt de meest voordelige gekozen. Wij vinden het echter veel interessanter om ontwerp én bouw in één offerte te laten meedingen. Voor kantoorgebouwen zouden we dan kunnen zeggen: dat materiaal hebben we, we kennen een aannemer die met dat materiaal kan werken en wij stellen een inrichting voor. Dan krijg je de beste prijs/kwaliteit verhouding.”

Dat een simpele prijsvraag soms volstaat, merkte Rotor toen UGent hen vroeg om mee na te denken over een nieuwe bestemming voor de boekenrekken uit de Boekentoren die door Robbrecht & Daem gerenoveerd wordt. “In de eerste plaats vroegen ze of we niet geïnteresseerd waren in een deel van de rekken. Maar die rekken werden samen met het gebouw geplaatst. Het is zelfs zo dat het ritme van de kolommen van het gebouw aangepast is aan de standaardmaten van die rekken en niet andersom. Het probleem was dat die rekken voor de verbouwing moesten verwijderd worden. Een klassieke aannemer zou serieus doorrekenen om de rekken te demonteren, te stockeren en weer aan te leveren, precies omdat hij niet meteen een oplossing weet. In de eerste besparingsronde wordt dan logischerwijze afgezien van deze piste en worden er gewoon nieuwe besteld. Wij stelden voor om een aparte prijsvraag te maken voor de rekken. Onze prijs van zorgvuldige ontmanteling, inventarisatie, demontage, stockage en montage werd vergeleken met een offerte voor nieuwe rekken. En wat bleek? De bestaande rekken hergebruiken was concurrentieel tegenover de aankoop van nieuwe rekken. Een deel van de recentere boekenrekken uit de toren zijn wel verkocht en in heel wat woonkamers terecht gekomen.

Een heel ander soort erfgoed kwam Rotor tegen in Wallonië. Maarten: “In Luik hebben we een universiteitsgebouw ontmanteld waar duizenden vierkante meters keramische tegels lagen, per kamer telkens volgens een ander patroon geschikt. Een derde kon gered worden. Dat zijn we nu aan het reinigen volgens een eigen ontwikkelde methode. De tegels zijn in perfecte staat en kunnen aan een heel redelijke prijs worden verkocht.

En dan wil Lionel het toch nog even hebben over een van de belangrijkste argumenten voor hergebruik van bouwmaterialen: de embodied energy. “Die tegels werden in de jaren dertig geproduceerd bij Cerabel (Henegouwen), in ovens met extreem hoge temperaturen waarbij veel CO2 is vrijgekomen. Voor ons dragen die tegels CO2 in zich. Wanneer wij die tegels hergebruiken, sparen wij al die CO2 uit die niet meer opnieuw vrijgemaakt moet worden voor een nieuwe vloer. Die tegels zijn nog perfect en lang niet afgeschreven, ook al zou een econoom dat natuurlijk wél al lang zo omschreven hebben.”

Dit interview verscheen naar aanleiding van de  Henry Van de Velde Award die Rotor DC kreeg in 2016. Lees hier een interview van een half jaar later in Knack Weekend.

 

Herfstwoontrend (1): Waterverf

Dat blurry dezer dagen trendy is in woningen, schreef ik al begin dit jaar. De trend lijkt zich grondig voort te zetten. Net voor de zomer liet Pinterest weten welke zoektermen veel gebruikt werden en “watercolour” bleek een van de meestgezochte termen (naast multiplex keukens, groene tegels en planten voor de badkamer).

Geen gemakkelijke trend om thuis te proberen, maar voor de durvers: hierbij wat inspiratie.

 

Gespot in het trends nummer van Elle Decoration van Augustus: deze muur uit stampleem in een woning van architecte Tatiana Bilbao, in Mexico. foto Iwan Baan.
uit de najaarscollectie van Stelton, die u kent van de koffiekannen
Stelton kaasmes
Enigma, het nieuwe restaurant van Albert Adria, door Pritzker Price winnaars RCR Arquitectes. Een 3D aquarel, alsof u in een bevroren landschap zit te eten.

In Enigma in Barcelona mag u foto’s maken, maar enkel voor privégebruik. En zonder flash. Het is het antwoord op de allereerste FAQ op hun website: “mag ik fotograferen of filmen tijdens het eten?” Die staat nog voor de vraag hoelang een etentje duurt en nog voor alle vragen over allergieën.

Soft Ice plate uit de nieuwe Hay Kitchen lijn, binnenkort ook bij ons te koop
Liquefy tafel van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Liquefy van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Bubble glass objecten van Ferm Living, beschikbaar vanaf midden oktober
AMPM van La Redoute

 

Bump collectie van Tom Dixon, net voorgesteld op Maison & Objet
Le Creuset, lees mijn artikel over millennium pink hier.
tapijt van Christophe Hefti, op dit moment te zien bij Galerie Maniera in Brussel

Picture Perfect (4) : Hybrides in de regen

Lancaster stoel van ontwerper Michael Young voor Emeco Chairs, toegepast in het interieur van The Line Hotel in Los Angeles, door interieurbureau Knibb Design

Veel namen. Die leest u onder deze foto. Er is de man die de stoelen tekende: Michael Young, een industrieel designer, fan van metalen en van Azië, waar hij een studio heeft.

Emeco Chairs, de Amerikaanse makers van de lichte aluminium Navy Chair is de fabrikant en het merk dat deze stoelen op de markt brengt. Op hun Instagrampagina zag ik dit beeld afgelopen zomer. Emeco is gespecialiseerd in het gieten van aluminium en maakten  dus de gepolijste gerecycleerde zitting en rugleuning. De houten poten van deze stoelen werden gemaakt door een toeleverancier, een Amish schrijnwerker uit de buurt van …  Lancaster in Pennsylvania.

De combinatie van gegoten aluminium en blank hout vormt een wat atypische hybride. Een combinatie van een industrieel en een eerder ambachtelijke techniek. Van een spiegelend en een mat materiaal. Van hard en zacht. De mix met het blinkende aluminium maakt deze eenvoudige stoel visueel levendiger dan een puur houten stoel (ook wel kouder aan de poep, maar dat terzijde. Er is ook een kussentje beschikbaar voor wie daarover zou zeuren zoals ik).

Michael Young legde het in 2010 zo uit, toen hij de stoel ontwierp:  “I have worked extensively with the aluminium manufacturing process recently, and with some of the best equipped factories in Asia. I was looking at the ways to join other materials with aluminium over the last few years and thinking about a chair. I feel passionate about working with natural materials that live for ever; wood and metal are really the materials that connect to the human.  So there was no question that the richness of their ageing processes would be a perfect combination. I felt that using wood would create a softer edge to a product whilst the aluminium would speak to its sophistication and heritage.” Rijkelijk en stijlvol ouder wordende stoelen,  wie wil dat nu niet?

In elk geval hebben de ontwerpers van Knibbdesign de visuele tegenstelling helemaal uitgespeeld toen ze de Lancasters voor dit interieur bestelden. Ze plaatsten de stoelen met glanzende zitting op een minstens even blinkende vloer. Hoewel die donker is, reflecteert die het licht overvloedig, zodat een  fijne warme gloed ontstaat. Alsof er net een dikke verlossende regenbui gepasseerd is op een  hete zomerdag.

Het is een vloerafwerking die in huiselijke setting niet evident is,  maar die hier goed werkt, in een restaurant van The Line Hotel in Los Angeles.  De breuk met de  brave Scandinavische stijl is -althans in hotels, restaurants en café’s – al een tijdje geleden ingezet. Rijkelijk, gesofisticeerd, glamoureus zijn woorden die in menig nieuw hotel, bar of restaurant van toepassing zijn. Probleem is dat de nieuwe art-deco-interieurs al gauw een soort decor worden waar je eerder kostuumdrama’s ziet plaatsvinden dan ongedwongen etentjes. Toch is chic hier niet stijfjes.

Misschien ligt het geheim van de warmte van dit beeld (ondanks het koude aluminium aan de poep) wel in de nuchterheid van de houten stoelpoten?  In het muntgroen dat de voorbije jaren furore maakte in hedendaagse interieurs? Of in de geruststellende messing theepot op de houten tafel? Of misschien  toch in de zachtgele verf, met spons op de muur aangebracht? Helemaal zoals in de jaren negentig….

In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

PS: Dit beeld toont trouwens een andere trend die op kousenvoeten nadert: na messing,  brons en koper is het weer tijd voor chroom,  inox, gepolijst aluminium (zoals hier) of gewoon simpel spiegelend glas. U weze gewaarschuwd.

Picture Perfect (1) : De mosterdgele sofa

 

Sebastian Herkner sofa voor Linteloo © Sigurd Kranendonk

Mosterdgeel. Er valt  op deze foto van een nieuwe sofa van de Nederlandse fabrikant Linteloo niet naast kijken. De kleur van een broodje hotdog, maar ook van een chique cocktailjurk met bijhorende handschoenen. In sé redelijk retro, en toch doet deze sofa behoorlijk contemporain aan. Hoe dan?

Dankzij zijn onderkant.

Modulaire sofa’s zijn sinds jaar en dag opgebouwd zoals een veredelde Duplo-set. Met een aantal basisvormen kunt u dan “helemaal uw eigen sofa samen stellen”. Ik neem er de technische fiche bij. Dit bijvoorbeeld is een 2,5 seater 1 arm left   (de fabrikant zit niet zelf in de zetel als hij linker of rechterkant bepaalt)  vastgeklikt aan een longchair right. En hop, een hoeksofa is geboren. Er bestaat ook een versie die minder diep is (undeep, heet dat dan officieel). Nu moet u weten dat er bij sofa’s van deze hoogte (430 mm om precies te zijn)  meestal wordt gekozen uit twee pistes: ofwel staan de modules handig op  slim gepositioneerde pootjes, meestal zo onzichtbaar mogelijk. Ofwel is de onderkant opgebouwd uit comfortabele kubussen.

Hier in deze foto (scroll gerust even naar boven) krijgt u visueel het beste van twee werelden. De onderkant is helemaal open wanneer u er voor staat, en gesloten voor wie van achter of opzij kijkt.  Een extreem dun frame in vooraanzicht, maar stoer in zij- en achteraanzicht. Ideaal voor Instagram.

De onderkant is bovendien zoals een boxspringbed bekleed met stof. Een klassieke grijze tweed.   En ook dat is niet toevallig. Dat levendige grijze textiel doet -althans visueel- denken aan beton en dat materiaal is en blijft immens populair. In simpel “natuur” versie of in de massa gekleurd. Vooral accessoires worden dikwijls uit beton gemaakt. Ook terrazzo (ooit een goedkoop cementmengsel met stukjes marmer of andere steenoverschot) is extreem populair in hedendaagse woningen en op Instagram (#terrazzo maar eens: 98 245 posts op dit moment) . Niet alleen als bouwmateriaal, maar ook als lampen. En zelfs compleet fake als print op behang, tote-bag of zelfs telefoon- en laptopcovers. Wie wil er nu met een terrazzo-tegel tegen het oor rondlopen? Bon, ik wijk af.

Een sofa, die moet er best wat comfortabel uitzien en dat wordt hier benadrukt met over de leuning geplooide kussens. Het idee van  die plooikussens werd populair sinds Vico Magistretti zijn Maralunga bedacht in de jaren zeventig, waarbij die leuning rechtopstaand of liggend kan toegepast worden.

Een rond tapijt uit glansfluweel brengt wat luxe én nonchalance in het verder vrij eenvoudige, Japans aandoende huis.  De immergroene bamboe aan het raam en diens perfect vallende schaduw brengt de natuur naar binnen, een populaire wens anno 2017. Maar de getrapte salontafel (ook een ontwerp van de Duitser Sebastian Herkner, die de sofa tekende) had ik in dit beeld toch wat dichterbij gezet, kwestie van net iets gemakkelijker aan de olijven te kunnen die hier picture perfect bij zouden passen.

Ik heb de sofa vorige maand uitgetest in Milaan in de showroom van Linteloo. Vijf minuutjes. Zonder cocktail. Hij stond er vooral in de kleuren beige, grijs, crème en taupe.


In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer elke week  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.  

In een andere reeks No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld. 

No Pictures Please (4): Wifi in de kapel

Waarschuwing: dit is een boekbespreking. Over een boek over architectuur. Zonder prentjes bovendien. Maar wel over tijdsreizen. Ha!

Vandaag 10 mei werd het programma voor het gloednieuwe Festival van de Architectuur voorgesteld.  Herbestemmen is een van de speerpunten van dat festival.

Architecten zijn tijdsreizigers. Het heden bepaalt hun werk door bijvoorbeeld huidige wetgevingen en technische mogelijkheden. De toekomst moet architecten bezighouden, willen ze het gebouw zo lang mogelijk laten gebruiken. En het verleden? Dat is de context waarin architecten werken: het landschap of de bewoonde kern waarin hun gebouwen zich een plek zullen toe-eigenen.

In een nieuw boek van uitgeverij Gestalten kreeg dat tijdreizen de hoofdrol: onder de titel Upgrade worden 52 vrij spectaculaire Europese renovatieprojecten getoond. Van een Zwitserse ruïne tot een cementfabriek in Spanje, van een modernistische Italiaanse woning tot een Gentse rijwoning: allen werden verbouwd tot hedendaagse en toekomstgerichte woningen of werkplekken. Sommigen te midden de stad, anderen op desolate plekken aan de kust, in de bergen of aan een meer. Vooral visueel indrukwekkende projecten werden voor het boek geselecteerd: woningen waar nieuw en oud naadloos in elkaar overgaan of net spannend clashen.

Soms zijn er – in postzegelformaat – ook foto’s toegevoegd van voor de verbouwing, wat extra verhelderend kan zijn. Wat blijft en wat gaat? Is de vraag die de architecten en bouwheren in élke renovatie moeten stellen. Alleen is het antwoord in de projecten in dit boek nét iets extremer dan een slim geplaatste poutrel of steunbalk in een doordeweekse rijwoning. Extra troef: er zijn ook zes Belgische en vijf Nederlandse projecten in het boek opgenomen. Experts Graux en Baeyens uit België en Zecc uit Nederland komen met elk drie projecten ruim aan bod.

Dat het niet gemakkelijk is om bijvoorbeeld isolatie rond een ruïne te voorzien kunt u zich voorstellen. Om nog van leidingen, verlichting of wifi te spreken. Het is geen toeval dat op de cover van dit boek een muurlamp te zien is van Jean Prouvé die met een draad aan een stopcontact in de vernieuwde grond zit. Improviseren hoort bij renoveren. Vandaar dat de kracht van dit boek, naast de mooie plaatjes, ook in de sterke adhoc oplossingen ligt. Hoe multifunctionele opvouwmeubels in rood meranti-multiplex in een door B-ild architecten gerenoveerde bunker in Vuren op ruimte én warmte brengen bijvoorbeeld. Of, ook dicht bij huis, drie compleet andere manieren om licht binnen te halen in oude schuren: Maxwan architecten haalt een lichtstraat in het dak in Geldermalsen; architecten de vylder vinck taillieu snijden een spie uit een Vlaamse schuur; en architect Bart Lens kiest voor een lang smal raam met onzichtbaar kader in Pepingen. In elk geval: ideeën genoeg in dit boek, ook voor wie niet net een verlaten ruïne op een klif op de kop heeft getikt.

Upgrade, Home Extensions, Alterations and Refurbishment, Gestalten,

€ 39.90, ISBN: 978-3-89955-699-5. www.gestalten.com

Dit artikel verscheen in het Aprilnummer van Feeling Wonen / Gael Maison (en français dus)  en Eigen Huis & Interieur. 

No Pictures Please (3): De kwestie van de melkfles

Afval bestaat niet meer, anno 2017. Meer dan ooit zijn er mogelijkheden om afval gericht af te danken of te vermijden, om te recycleren en te hergebruiken. Maar wat doe ik met mijn lege melkfles?

Zondigen. Dat doe ik om de twee weken. Door een kleine vuilniszak buiten te zetten met daarin al mijn huishoudelijk afval. In één zak! Ik hoor drie verschillende vuilniszakken in huis te heb- ben, een glasbak én een kartonnen doos voor papier. Die twee laatste, dat lukt nog net, maar pmd en groenafval apart houden doe ik niet. Omdat ik in een klein appartement woon en geen plaats heb voor al die verschillende zakken. Ik doe er weken over om een pmd- of gft-zak gevuld te krijgen. Dus voel ik me altijd even heel slecht op woensdagavond, als ik dat ene zakje met al eens een melkfles en wat aardappelschillen aan de deur zet.

DESIGN HELPT HET KLIMAAT

Dat stemmetje dat dan “schande!” roept, heb ik op- gelopen in de jaren tachtig. als kind werd het er bij ons ingehamerd: sorteren kan je leren! Met over het algemeen een goed resultaat. In België zijn we kam- pioen in recycleren. Gemiddeld 70 procent van ons afval wordt gerecycleerd. Daarmee staan we aan de top in Europa.

Ik weet dat het moet. Ik weet ook waarom. Ik heb godbetert zelfs ooit Michael Braungart ontmoet. De Duitse chemicus is samen met William McDonough de grondlegger van het cradle-to-cradleprincipe. Dat benadrukt dat grondstoffen op het einde van een levenscyclus niet het stort op moeten, maar opnieuw gebruikt moeten worden, voor nieuwe producten.

“We zijn niet met te veel op aarde, we zijn gewoon te stom”, vertelde Braungart mij een kleine tien jaar geleden. “De opwarming van de aarde is geen ethische kwestie. Het is een praktische designkwestie. Door producten op een andere manier te ontwerpen, kunnen we de problemen oplossen. Door ze te bedenken in een biologische of een technologische kringloop.”

UNIVERSELE RECHTEN VAN MATERIALEN

Ondertussen is Braungarts principe van ecodesign goed verspreid in de industrie. Zijn theorie is de voedingsbodem voor de theorie van die nieuwe afval- goeroe van het moment: architect Thomas Rau. Rau pleit voor services: koop geen lamp, maar koop een soort abonnement om je huis te verlichten. Fabrikanten zullen er dan alle voordeel bij hebben om duurzaam te werken, op alle vlakken. Dan nemen zij de oude peertjes gewoon mee als ze kapot zijn, en ge- bruiken ze de onderdelen opnieuw. Makes sense.

Rau werkt aan circulaire verlichting, circulaire interieurs, kleding, witgoed. en ook aan materialenpaspoorten voor gebouwen en producten. Dat is een samenvatting en telling van alle specifieke materialen die gebruikt zijn. en hij gaat zelfs nog een stap verder: hij pleit voor de universele rechten van materialen, naar analogie met de universele rechten van de mens. Hij wil materialen niet alleen een identiteit geven, maar ook rechten. Zou ik mijn anonieme waardevolle melkfles minder snel richting verbrandingsoven sturen als die een paspoort en rechten heeft?

ETEN HERVERDELEN
Zelf probeer ik de afvalberg kleiner te maken door het gros van mijn huishoudspullen en meubels in de kringwinkels of op rommelmarkten te kopen. (een gemiddelde Vlaming koopt 5 kg aan in kringwinkels (2015), meestal textiel, meubels en huisraad. Het doel is om tegen 2022 naar 7 kg te gaan.) Ik laat mijn fiets nog liever voor 90 euro repareren dan dat ik een nieuwe koop. Ik supporter voor mijn ouders, die fervente vrijwilligers zijn in het lokale Repair Café. Ik ga met een eigen boodschappentas naar de winkel, met mijn menu in de achterzak. Ik maak meestal genoeg voor twee dagen. Ik heb daartoe maar een mini-koelkastje nodig en ik gooi amper eten weg.

Dat laatste is niet onbelangrijk. eetbaar voedsel ver- dwijnt immers nog te vaak in de vuilniszak. “16 à 17 kilogram per Vlaming in 2015 om precies te zijn, dat als ‘vermijdbaar voedselafval’ wordt geklasseerd”, aldus Jan Verheyen van de Ovam. langs Vlaamse kant is er de website voedselverlies.be, die tips en informatie bundelt. langs Waalse kant is er het Plan reGal, dat met 17 acties tegen 2025 dertig procent van de verspilling wil terugdringen op alle echelons van de voedselketen. Onlangs nog werden in Vlaanderen de eerste Food Waste awards uitgereikt. Viel bijvoorbeeld in de prijzen: Rekub, een organisatie die pop- uprestaurants opent met voedseloverschotten.

STRAFFEN EN BELONEN

De overheid doet haar best om afval aan te pakken. er zijn twee strategieën om gedrag aan te passen, dat weet elke ouder: straffen of belonen. Het eerste gebeurt al het langst: verbieden en taxeren. restafvalzakken zijn duurder dan vuilniszakken voor gesorteerd afval. Plastic zakjes worden gebannen in winkels in Wallonië sinds december 2016. In Vlaanderen klinkt de roep naar zo’n ban ook steeds luider. kleine, belangrijke stappen.

anderzijds, en dat is een meer belonende strategie, helpt de overheid ons om “minder stom” te zijn, zoals Braungart het noemt. Ik breng mijn lege batterijen, inktpatronen, elektronische toestellen en olie zonder probleem naar de winkels waar ik ze kocht, bijvoor- beeld. Omdat ik er toch moet zijn. en omdat die win- kels daartoe verplicht werden. Hoe belangrijk nabij- heid is bij afvalverwerking, wordt steeds duidelijker. er worden experimenten uitgevoerd en onderzoek ver- richt, ook bij ons. “Supermarkten produceren een aanzienlijke hoeveelheid afval en nemen veel stedelij- ke ruimte in beslag. Ze bieden de uitgelezen kans om afvalverwerking te koppelen aan ruimtelijke innovatie”, vinden Carmen Van Maercke en Caterina Rosso. Zij zijn de curatoren van de expo ‘een nieuwe kijk op afval’, die nog tot juni loopt in de Singel in Antwerpen.

POP-UPCONTAINERPARK

Mijn glas gooi ik in de glascontainer naast de ingang van de supermarkt, maar mijn lege melkflessen kan ik onderweg (nog) niet kwijt. Nochtans bestaat het, enkele straten verder: een sorteerstraatje. Dat is een plek op een pleintje waar in verschillende luikjes gesorteerd afval terechtkan. een inwoner krijgt een elek- tronische betaalkaart om de vuilnisbakken te openen, via een weegschaal betaal je per kilogram per pmd, gft of restafval. “Antwerpen heeft er, Gent, Sint-Niklaas, Lier en Nieuwpoort. en ook andere kustge- meenten experimenteren ermee. Zij kennen immers een meeuwenplaag én hebben veel tweedeverblijvers die de vuilniszakken al eens te vroeg buiten zetten”, aldus Jan Verheyen van de Ovam.

Nog een initiatief waar ik reikhalzend naar uitkijk: een pop-upcontainerparkje op wandelafstand. Op gezette tijden zal een reizend minicontainerpark naar elke wijk trekken om er grof huisvuil gericht op te halen. “De eerste experimenten lopen”, aldus de Ovam. Ideaal voor wie zoals ik alleen af en toe een kapotte plastic emmer of een restje verf heeft.

TRUCS VOOR EEN ANDER GEDRAG

Een slechte gewoonte aanpassen? Daar zijn psychologische trucs voor. Op de website van moinsdedechets vul ik een charter in. Ik mag vrij uit een lijst van twaalf vijf beloftes kiezen. “Moi, Leen Creve m’engage à respecter 5 comportements exemplaires: Je fais mes paiements en ligne. J’achète des fruits et des légumes de saison. Je prends une boîte à tartines. J’utilise les deux faces d’une feuille. J’évite les parfums de maison.”

Ik kies strategisch die zaken die ik ofwel al doe, ofwel het makkelijkst zijn. Maar die melkfles blijft me aanstaren, om de veertien dagen op woensdagsavond. Zal ik aan dat charter een zesde belofte toe- voegen en dan toch maar blauwe zakken kopen (ik heb net ontdekt dat die ook in kleine formaten bestaan)? Zal ik met mijn halflege exemplaar aan de deuren van mijn buren aankloppen om te checken of ze hetzelfde probleem hebben? Dat stemmetje in mijn hoofd zou er blij mee zijn. en de overheid ook.

Dit artikel verscheen eerder in het aprilnummer van Nest. In het meinummer, vanaf vandaag 5 mei in de winkel, bekeek ik hoe en waarom abonnementen op jeansbroeken, maatpakken of BMW’s interessant kunnen zijn.  

Lentewoontrend (11): De interieurkleuren van nu

 

Aytm

Diep, rijk en voluptueus. De nieuwe kleurcombinaties voor in huis  zijn geïnspireerd op de natuur, art deco en het menselijke lichaam. 

Natuurlijk zijn er ook dit jaar “kleuren van het jaar” geselecteerd: jeansbroekblauw bijvoorbeeld. Of felgroen. Maar toch lijkt de tijd van dé kleur van het moment een beetje voorbij. Eerder dan dé kleur, zijn er grote kleurgroepen te zien van verfrissende kleurcombinaties. Drie grote regenbogen (zie kader) duiken op in de interieurs vandaag: enerzijds is alles wat met de natuur te maken heeft populair en kunnen groenen in zo wat alle tinten. Ook diepe art deco tinten die bovendien op erg grafische wijze toegepast worden en met messing, goud of andere metallic details gecombineerd worden. In die trend is ook de terugkeer van donkere interieurkleuren te kaderen. Meest verrassend is de subtiele huidskleur die onder verschillende namen opduikt en zowel met knalrood als met donkerbruin of beige gecombineerd wordt. Of geel. Anything goes. Regeltjes voor interieurkleuren, die bestaan nog amper.

 

En de accentmuur, waarbij een van de vier muren een opvallende kleur of patroon krijgt en de drie anderen discreter geschilderd worden, lijkt op dit moment minder populair. De kleuren worden de hele kamer rond gebruikt, of op andere manieren toegepast. “Er wordt wel meer met ‘accentvlakken’ gewerkt: strepen, blokken, cirkels, grafische vormen allerhande,” legt Isabelle De Ganck, Colour Manager bij verffabrikant Levis uit. “Een andere nieuwe hedendaagse techniek die de traditionele accentmuur vervangt, is het ombre-effect: twee kleuren op één muur die zacht in elkaar overvloeien.”

“Vermits accentmuren een beetje ‘uit’ raken, neemt het gebruik van behangpapier ook wat af. De enige reden om tegenwoordig nog behang te gebruiken is als die een structuur heeft. Variatie in texturen en materialen worden steeds belangrijker in een hedendaags interieur. Denk in raamdecoratie bijvoorbeeld ook aan de evolutie van strakke Japanse panelen naar lange, weelderige overgordijnen met grote hoeveelheden textiel,” verduidelijkt Isabelle De Ganck van Levis verder nog.

De opvallendste nieuwe trend is dat kleur niet alleen via gordijnen, tafelkleden, beddengoed, tapijten of accessoires het huis binnenkomt. Echt kleurrijke meubels zijn immers weer populair. Niet zozeer knalrood of Yves Klein blauw, maar meubels met diverse en schijnbaar bij elkaar gegooide kleuren. Meubelfabrikanten hebben daarvoor zelfs hun eigen kleurexperts. De Nederlandse ontwerpster Hella Jongerius bijvoorbeeld doet de job van kleurbepaler al jaren voor Vitra. Eerder dit jaar bracht ze haar boek “I dont’ have a favourite colour” uit. Dat het geen evidentie is, kleuren kiezen, weet ze maar al te goed. “De mogelijkheden zijn zo goed als oneindig. Je kunt er onzeker van worden. Die diversiteit overweldigt me nog altijd. Kleur is tenslotte een complex onderwerp: kleuren veranderen in de loop van de dag en zijn extreem moeilijk te reproduceren uit het geheugen. Ik heb maar één raad en overtuiging op dit punt: vertrouw voor kleuren op je intuïtie.”

Haar collega-ontwerpster Patricia Urquiola is dan weer art director bij het Italiaanse Cassina en haar hand en smaak is duidelijk te merken. Dat meubels best wel kleurrijk mogen zijn, benadrukt ze met haar nieuwe fauteuil Gender waarin ze roze, groen, blauw, beige, leder en stof moeiteloos combineert. “Het zijn tijden waarin alles in elkaar overloopt, toch?”. Toen Urquiola een hotel aan het Como meer aan het inrichten was (dat net opende) vroeg de klant haar naar het kleurschema “Niet nodig,” zou Urquiola gezegd hebben. “We gebruiken het blauw van het water, en het groen van de tuinen en het bos.” “Ik ben niet bang om kleur te gebruiken,” legt Urquiola uit. “Ik weet dat mijn kleurgebruik soms wat onconventioneel is. Kleur is een middel. Soms maakt kleur deel uit van de ziel van een project, maar soms niet. En dan kan het gebeuren dat ik kleurloos werk.” Zowel Jongerius als Urquiola zijn meesters in ongedwongen mix ’n match van kleuren en materialen en beïnvloeden met hun intuïtieve aanpak een hele generatie ontwerpers en fabrikanten.

Soberder en misschien net iets rationeler zijn dan weer de Franse broers en ontwerpers Bouroullec. Kleurexpert Hilde Francq is vol lof over de broers Bouroullec. “Ik schreef net een boek “Kleur verkoopt” ,dat eind mei verschijnt. Ik interviewde daarvoor de Bouroullecbroers. Ook zij kiezen nooit voor typische kleuren. Ze verleggen grenzen. Ze legden uit dat puur zwart, industrieel gefabriceerd, niet interessant is. Wel heel erg donker aubergine bijvoorbeeld, bijna zwart. Dat is harmonieuzer. Je ziet het niet, maar je voelt het wel.”

 

Trendkleur 1/ Nude

Montana

“Pink will be the new black heb ik drie jaar geleden voorspeld,” zegt Hilde Francq. “Op dat moment hebben weinigen dat geloofd. Roze is nu al aanwezig in flink wat interieurs, maar het wordt nog zachter. Nog witter. Dat nude is een niet-evidente kleur, maar eigenlijk combineert ze gemakkelijk: met donkerrood en bordeaux bijvoorbeeld, maar ook met geel. En met messing natuurlijk. Deze kleur blijft!”

Muller Van Severen voor Valerie Objects

“Zowel poederroze als oudroze en abricot (een zachter oranje) zijn grote hits bij ons,” klinkt het bij behangfabrikant Arte. De vrij klassieke fabrikant Durlet, gespecialiseerd in leder, koos resoluut voor zachtroze stof bij de voorstelling van een nieuwe bank van ontwerper Sylvain Willenz. “We vinden het interessant om de ‘ernstigere’ lederkleuren te mengen met enkele frissere en optimistische kleuren (in stof),” aldus zaakvoerder Anton Vanzieleghem. Tegelijkertijd tonen ze hun leder op een ander model zo puur als mogelijk. En zacht als een babyvel.

Durlet

Trend 2/ Art Deco

Arte

“De Scandinavische interieurmerken geven nog steeds de toon aan. Vrij nieuw is het Deense Aytm. Zij laten de typische Scandinavische stijl met lichte kleuren en hout achterwege en kiezen voor een gesofisticeerd, donker kleurenpalet met accenten in glas en metaal. De verfijnde objecten lijken wel een hedendaagse interpretatie van art deco,” aldus Hilde Francq. Art deco, de interieur- en architectuurtrend van zo’n 100 jaar oud was grafisch, felgekleurd, chic en elegant. Een beetje een mix ook van stijlen. Vooral het rijkelijke komt terug. “Door fluweel, maar ook door metallics en marmer in diepe kleuren bijvoorbeeld. Klassieke materialen die zekerheden bieden in onzekere tijden,” aldus Francq. Ook Muuto en Normann Copenhagen hebben nu metallics in de collectie. En Montana herlanceert een draadstaal rekje dat Verner Panton himself ooit in 1971 ontwierp voor hen.

Deltalight bij Roomin

“Metallic kleuren zoals goud en chroom tinten zijn onze nieuwste toevoegingen.” “Het zijn de kleuren van de oude meesters,” legt Saskia Vanderhaeghe, product manager bij Boss Paints, uit. “Het is een rijk en weelderig palet van groenen. De kleur van pauwenstaarten. Maar ook dieppaars, accenten van roze, lederkleuren, roestbruin, rood en geel koper, …….” Ook geometrische patronen uit de art deco komen duidelijk naar voor in behangpapier en in hometextiel en zelfs lampen, spiegels en andere interieuraccessoires.

Sabine Marcelis bij Victor Hunt


Trend 3/ Groen als de bomen

Boss Paints

Deze trend spreekt het meest voor zich: natuur in huis halen doen we op allerlei manieren: door veel hout te gebruiken, kurk, natuursteen en dus ook natuurtinten. Groene meubels zijn opvallend aanwezig, maar ook in de kleurpaletten van de verffabrikanten duikt de tint in alle verscheidenheid op: van het nog altijd populaire muntgroen tot moskleur en bijna blauw.

Brabantia

Tot natuurlijk echte natuur: grote kamerplanten en een boeket bloemen zijn de ultieme groenmakers in huis. Een boeket bloemen is meteen een goed experiment om te checken welke kleurcombinaties goed werken in een bepaalde ruimte.

Levis

Lentewoontrend (10): tips voor drie types thuiswerkers

Zoals het prikklokje thuis tikt…

Waar let je best op bij de inrichting van een werkplek thuis? Praktische tips en ideeën voor wie fulltime thuis zit, voor wie gedeeltelijk pendelt of voor die grote groep mensen die af en toe een paar uur van thuis uit werken.

 

Fulltime thuiswerken

Concentratie! Dat is het doel voor een goede werkplek. Wie fulltime thuiswerkt staat dus voor de uitdaging om op de plek waar ook geleefd wordt toch een focus te vinden. Wie geluk heeft, kan een aparte kamer inrichten die helemaal rond dat werken ingericht kan worden. In antieksfeer of vintage of in de populaire industriële sfeer? “We zien absoluut de voorkeur uitgaan naar een meer huiselijke sfeer,” vindt Bart Beaumont, interieurarchitect bij ’t Casteelken. “Vroeger was de bureaukamer een mini-kantoortje, een soort kopie van de bedrijfskantoren. Maar nu verkiezen mensen een warmere en gezelligere ruimte. Merken zoals Vitra hebben ook al een tijdje een home-collectie met warmere materialen. De typologie van een kamerkantoor is wel nog traditioneel: een ladekastje op wieltjes voor onder de werktafel, en een kast in dezelfde stijl als de tafel. Opvallend is dat architecten de aparte bureaukamer niet meer wegstoppen op zolder, maar meer en meer aan de woonkamer laten grenzen. Met daartussen een schuifdeur bijvoorbeeld. Die blijft overdag open, maar wanneer de kinderen thuis zijn, kan ze handig toe. Na het werk gebruiken de kinderen die kamer ook soms en dan is het weer handig dat de computer vlakbij staat om wat toezicht op hen te kunnen houden vanuit de leefruimte.”

Vooral voor dagelijkse thuiswerkers is comfort van groot belang: een goede bureaustoel is noodzakelijk. Maar ook hier geldt: hoe huiselijker die aandoet, hoe beter. Zelfs het Italiaanse merk Poltrona Frau, toch dé lederexpert, lanceerde afgelopen herfst enkele stoelen in stofuitvoering. Belangrijk voor wie uren achtereen op dezelfde plek zit, is een goede verlichting. Een plekje bij het raam is fijn, en voor wie daar niet over beschikt zijn er daglichtlampen, of bureaulampen, wederom in de stijl die u zelf wil. “Het gebeurt dat mensen een tafellamp die eigenlijk sfeermaker is voor een leefruimte, als kantoorlampje gebruiken,” weet Bart Beaumont. “De grens is vaag.”

 

Kleurrijk en warm is de Landa collectie van Alki; gedeeltelijk met textiel bekleed.

 

 

Rival van Konstantin Grcic voor Artek, een draaistoel uit hout is zeldzaam.

 

Buzzispace

 

Gedeeltelijke thuiswerkers

Voor mensen die niet elke dag van de week thuis werken, is een aparte ruimte niet altijd mogelijk. Volgens Vincent Van Duysen, architect en art director voor de Italiaanse meubelfabrikant Molteni&C, twee mogelijke pistes: “Ofwel ga je voor een meubel dat discreet ingewerkt is in de woonkamer. Dat bestaat bij Molteni&C bijvoorbeeld in de 505 collectie van Nicola Gallizia. Het bureautje is gewoon opgenomen in een modulaire wand die ook fungeert als boekenkast, bar- en televisiemeubel. De tweede optie is om voor een heuse secretaire te gaan. Een antiek model bijvoorbeeld, of een nieuw. Handig daaraan is dat het opengeklapt kan worden wanneer nodig, en weer gesloten worden als het werk erop zit. Dit jaar brachten we twee opvallende eye-catchers uit: eentje van Jasper Morrison en eentje van Michele De Lucchi.” Die laatste, een erfgenaam van de Memphis beweging heeft een duidelijke filosofie over de rol van een bureau: “Het is in feite een ruimte waar je al je tools, werkmateriaal bewaart, een aandenken of twee, favoriete objecten, wat boeken en documenten die je misschien niet direct nodig hebt, maar je weet maar nooit. Het is een plek die je karakter weerspiegelt, en je weet: je karakter is het meest precieuze dat je hebt.” Je kan een bureau heel subtiel in een woonkamer integreren, vindt ook Bart Beaumont van ’t Casteelken: “Door de eetkamerstoelen en bureaustoelen bijvoorbeeld uit dezelfde serie te kiezen en bij die laatste wieltjes te voorzien. Of door een klein bureautje te zetten, er bestaan tafeltjes van 1m15 breed. Net groot genoeg voor een laptop en wat documenten. Opvallende trend is dat de retrotafeltjes populair zijn.” Mick van der Kolff, salesmanager van Lensvelt merkt dat de AVL Office chair uit hun collectie het goed doet. “Het is een perfect compromis tussen een klassieke bureaustoel en een stoel voor de woonkamer. En verkrijgbaar in stof en leder. ” Wanneer een bureau gewoon in de leefruimte wordt opgenomen, is het belangrijk om slim op te bergen. Dat laatste hoeft niet persé in een afgesloten kast, maar kan ook in een huiselijke opbergdoos. Of in een weg te rollen ladekastje dat wanneer niet gebruikt een ideaal platform is voor decoratie. Flink wat bureautjes hebben kleine laden onderaan, waar de laptop en functionele objecten gewoon in verdwijnen wanneer de dagtaak erop zit. Sommige kantoorbenodigdheden zijn bovendien zo mooi dat ze probleemloos op een bureautje kunnen blijven staan en zelfs sfeermakers worden in de ruimte. Enkele merken bieden ook hangbureautjes aan die, zoals een barmeubel toe geklapt kunnen worden en zo geen ruimte innemen wanneer ze niet gebruikt worden. Ook een oplossing voor gedeeltelijke thuiswerkers: een bureautje in een verloren hoekje in huis: in een brede gang of onder de trap of een schuin dak bijvoorbeeld.

Mr. Walter ladenkastje van Bulo fungeert als zitbankje voor het raam.
De Stadera bureau van Franco Albini uit 1954, heruitgebracht door Cassina, past zonder moeite in een gang.

 

 

Secretello is de speelse secretaire van Michele De Lucchi voor Molteni, hier in vol daglicht achter een hoekje opgesteld.
Boekenkast én bureau in één, deze Unit van Marina Bautier voor Stattmann Neue Möbel.

 

Sporadische thuiswerker

Wie maar af en toe thuiswerkt, komt al gauw op de eettafel terecht. En dat is zelfs de bedoeling. “We merken dat veel mensen bij de aankoop van een tafel nadenken over wat daar allemaal op gebeurt: eten, natuurlijk. Maar ook huiswerk van de kinderen en van de ouders,” legt Bart Beaumont van ’t Casteelken uit. “Een glazen tafel is dan niet ideaal natuurlijk, want dat voelt te koud aan voor wie er uren achtereen aan de laptop aan moet zitten. Dus verkopen we veel houten tafels, die veel warmer aanvoelen.” Dat weet ook Mick van der Kolff van Lensvelt. “Ik werk thuis ook gewoon aan de Beefeater tafel van Bertjan Pot,” geeft hij toe. “Dat werkt prima.” Niet alleen hout is populair, maar er bestaan ook tafels met lederen top bijvoorbeeld. Wie aan die grote tafel graag iets comfortabeler zit, kan opteren voor een combinatie van bijvoorbeeld vier gewone eetkamerstoelen en twee comfortabelere modellen, eventueel op wieltjes zelfs.

Wie niet lang moet zitten, kan dat ook wel op een krukje. Dat zitmeubeltje wordt makkelijk gecombineerd met een ondiep tafeltje, waar het krukje gewoon weer onder schuift, na gebruik. Er bestaan werkbladen die aan een boekenrek vasthangen, maar ook aan de achterkant van een sofa. Zelfs wie maar af en toe thuiswerkt heeft meestal meer nodig dan een laptop. Ook daar kunnen opbergoplossingen in textiel een oplossing bieden. Die kunnen gewoon in de huiskamer weggezet worden wanneer niet nodig. Een snel ingeplugde tafellamp die zowel op een kast tegen de muur als op de eettafel gezet kan worden, brengt extra licht op donkere dagen. Of de nu populaire wandlampen met arm die wanneer nodig boven de tafel gedraaid kunnen worden en ’s avonds voor wandsfeerverlichting kunnen dienen. Extra plaatsbesparend zijn de pupiterachtige sta-bureautjes om rechtstaand aan te werken. Die kunnen als kleine commode of catch-all dienen in het dagelijkse leven, en als werkplek wanneer af en toe eens nodig.

 

 

Console achter de sofa, bij B&B Italia

 

Bureaulampje van Design is Wolf
Een grote eettafel, zoals deze van Joli, kan perfect dienst doen als werkblad.

 

Ideaal voor avondwerk: lamp met arm van Lampe Gras.

 

Jaswig sta-bureautje, bekroond met de Henry Van de Velde PublieksAward 2016

Dit artikel verscheen in kortere versie in januari 2017 in Feeling Wonen, Gaël Maison en Eigen Huis & Interieur. 

 

Lentewoontrend (9) : Wild bos strak geregisseerd

“Ik zie mijn bostuin als een voorstelling, met de bomen en planten als personages.” Tuinarchitect Jan Minne regisseerde vlak bij Brussel een magisch bos. Frederik Vercruysse maakte er prachtige beelden van in de zomer, in de herfst én in de lente. Ik mocht vervolgens eens gaan kijken hoe die tuin tot stand gekomen is. 

“Het is het einde van het dorp, zonder huisnummer. Aan de bosrand, in een wegel, tegenover een grote weide met paarden.” Sommige plekken kun je niet terugvinden met straatnaam en huisnummer, of als locatie op Google Maps.

Vroeger was dit een typisch weekendhuisjesperceel: met een gazonnetje en grote sparren. Tot tuinarchitect Jan Minne er landde. Hij was eerst modeontwerper en graficus, maar raakte tijdens een reis door de bergen van China en India in de ban van landschappen, bomen en planten. Hij begon in zijn tuin in het Brusselse te experimenteren en groeide in het beroep. Dit is zijn weekendbos.

Er staan twee huisjes op het perceel, veeleer boshutten. Iets nieuws bouwen mag hier niet, maar renoveren, dat kon wel. Eentje is een zomerhuisje, het andere gebruikt Jan in de winter. Ze worden bijna overwoekerd door het bos dat hij hier met de jaren bouwde.

“Enkele sparren liet ik staan, dat zijn mijn wachters. Wat brem en de rododendrons bleven. In de loop der jaren heb ik veel bomen en struiken toegevoegd die eigenlijk niet in zo’n bos horen, maar er op een spannende manier mee dialogeren en contrasteren. Het gazon is een spontane wildgroei geworden: boshyacinten, klimop, varens en honderden nieuwe plantjes.

Deze plek was een van mijn eerste creaties: een tuin die op een verrassende manier doorloopt tot diep in het aanpalende lorkenbos.” Ondertussen richtte hij talloze privétuinen in, plantte hij een 75 jaar oude eik op een plein in Diksmuide en ontwierp een tuin voor de universiteit van Hasselt. Hier in dit bosje aan de rand van Brussel laat hij zich helemaal gaan. “Ik hou van unieke bomen en struiken, ik rijd de hele Benelux rond langs kwekers, op zoek naar speciale exemplaren. Ik kies planten op basis van hun schors, de verkleuring en de vorm van blad, hun bloemen, hun geur … Ik zie mijn tuin als een schilderij. Bomen en planten zijn de personages. Misschien is het veeleer een theatervoorstelling. Ik ben de regisseur, maar zij spelen het spel. Natuur groeit en kiest een eigen weg, ik kan alleen maar sturen, met al mijn botanische kennis in mijn hoofd. Ik maak beelden, maar die beelden veranderen. Afhankelijk van het seizoen, het licht en de groeisnelheid van de planten. Een tuin is realiteit in zijn puurste vorm, maar ook een ruimte om in te verdwijnen. Een plek om te aarden én te dromen.”

info: www.janminne.be meer foto’s op de website van Frederik Vercruysse

Dit artikel verscheen op 19 april 2017 in Knack Weekend