Categorie archief: kunst

Herfstwoontrend (4): I see faces

Over maskers. En handen.

Zijn het zo eenzame tijden dat we graag gezichten in huis hebben? Personages die deel uitmaken van ons leven, maar toch ook niet? Is het klassieke geschilderde portret stilaan vervangen door het een  variant in drie dimensies? In elk geval, ik zag veel gezichten de afgelopen weken. Op expo’s, maar ook in campagnebeelden van interkeurmerken. Mijn favorieten.

De maskers van Walter

Dé tentoonstelling van dit najaar is voor mij tot nu toe Powermask van modeontwerper Walter Van Beirendonck in het Wereldmuseum in Rotterdam. Inspirerend door de schitterende scenografie die hedendaagse kunst, mode en design samenbrengt met exotische, rituele en soms eeuwenoude maskers.  De expo loopt nog tot 7 januari, en er bestaat ook een al even inspirerend boek, mét de tentoonstellingsschetsen van Van Beirendonck.

Met open mond

Deze zomer kwam ik in Frankrijk deze vogelnestjes van de Brusselse artiest Eric Croes tegen. 

Ik bleef zijn werk volgen. Deze nieuwe geglazuurde vogelnestkastjes hieronder vind ik geweldig.

eric croes
eric croes

Schuursponsvrolijkheid

Designlabel Hay heeft niet alleen een reeks maskers om aan de muur te hangen, maar ook deze heerlijke schuursponsjes (vanaf 5 euro). Instant happiness toch?

Antimodernisme uit Denemarken

Werelberoemd in Denemarken, maar nu ook vlotter bij ons beschikbaar: het werk van Bjorn Wiinblad. Deze cache-pots bijvoorbeeld kenmerken ’s mans hyperdecoratieve stijl.

Handgemaakt

Ik zag personages à volonté in het atelier van Hilde Segers van Circaterra Céramique  in de Franse Pyreneeën. “Ik maak al lang schalen met personen, maar mensen blijven erdoor gefascineerd. Een ziel in huis, dat spreekt aan, zeggen ze.”

Hilde Segers, circaterra céramique

Ook hand gemaakt

Deze handen vormen een fruitschaal, van Harry Allen, te koop bij Domus Plus in Roeselare.

Domus PLus

Hands up

Dat ontwerper Jaime Hayon fan is van mannekes in zijn werk is geen nieuws, hij tekent ze overal op. Deze vaasjes voor BD Barcelona stralen zijn joie de vivre helemaal uit. Ik interviewde hem maar één keer, jaaaaaaaren geleden (11 jaar om precies te zijn) voor Knack Weekend en toen zei hij dit:

“Mijn rule number one is dat ik iets wil maken dat ik zelf graag zie. Ik kan niet liegen tegen mezelf. Ik zie ontwerpers die zeggen : “Onze taak is de industrie in stand te houden.” Zo denk ik dus niet : ik ben hier om gelukkig te zijn in wat ik doe. Niet om het probleem van anderen op te lossen. Ik wil kwaliteit en ik wil mijn dromen waarmaken. Mensen schreeuwen om nieuwe dingen, dingen die persoonlijkheid hebben en die een tijd meegaan.

Op uw 23ste werkte u al bij Fabrica, de creatieve communicatiedenktank van Benetton. U stond er vrij snel aan het hoofd van het departement design. Is dat geen contrast met…

(onderbreekt) Toen was ik mezelf niet. Ik leerde veel van fotograaf Oliviero Toscani. Hij heeft mijn derde oog geopend om dingen te zien. Maar ik verkoos om de positieve kant van het leven te zien. Hij toont de slechte realiteiten van de wereld. De gelukkigste en tegelijk de meest trieste dag van je leven, is de dag dat je beseft dat de wereld niet is zoals je dacht dat hij was. Dan krijg je een klap in je gezicht. En die klappen wil Toscani uitdelen. Maar ik wil mij niet in negativisme wentelen. (Brult in de cassetterecorder) : Ik wil vooral plezier hebben in wat ik doe.”

Hij zwoer toen nooit een Ikea-stoel te ontwerpen (wat hij tot dusver niet deed), en hij droomde luidop van een luxueuze rolstoel. (Ook voorzover ik weet nog niet gerealiseerd). Zijn vrolijkheid bleef.

Bd Barcelona

Novembre voor 1 november

Gufram (van de cactus) presenteerde deze limited edition versie van de schedelzetel Jolly Roger van Fabio November, een ode aan Mexico en diens traditie om op El Día de Los Muertos (1 november dus) de doden te eren. Handbeschilderd.

Gufram

Sculptuur achter de toog

Het was de mama van eigenaar en interieurarchitect Sam Peeters, Anny Dierckx, die dit sculptuur maakte dat in het gloednieuwe Antwerpse hotel Pilar achter de toog naar elke bezoeker kijkt.

Pilar

Guilty pleasure

Hierom vind ik Instagram en het wereldwijde web écht geweldig: er bestaat #iseefaces.

En ik volg @Shitgardens, ook een guilty pleasure.

Uit het archief: Unfold, interview uit 2012

Het duo Unfold is DESIGNER OF THE YEAR 2017. Waarom? Omdat ze vooruitlopen.  “Hun werk loopt vijf à tien jaar vooruit op de werkelijkheid”, kopt het ere-interview in Knack Weekend deze week.  Om dat te bewijzen: een interview uit 2012 in datzelfde Knack Weekend. Toen lag hun focus qua materiaal nog meer op keramiek dan nu. Maar het was wel hun basis. 3D-printen blijft hen uitdagen, daar bestaat geen twijfel over. Proficiat!

Porseleinprinters

De derde industriële revolutie is aangebroken, kopten magazines, kranten en websites enkele maanden geleden. Daarmee verwezen ze naar de opkomende alternatieven voor de klassieke industriële methoden, waarbij een fabriek identieke massaproducten aflevert. De alternatieven heten fablabs, 3D-printers en open source design. Ook in ons land is een jonge generatie designers met nieuwe productiemogelijkheden bezig. Unfold uit Antwerpen bijvoorbeeld, het bureau van Claire Warnier en Dries Verbruggen. Ze haalden als een van de vaandeldragers van de “nieuwe industriële revolutie” pas nog de voorpagina van de New York Times. Hun L’Artisan Electronique is een “pottenbakkersstudio in het digitale tijdperk met een virtuele pottenbakkersschijf en een keramiekprinter”. Concreet : door de handen voor een laser te bewegen, wijzig je een ronddraaiende 3D-tekening op een scherm voor je. Zodra je tevreden bent over het resultaat, druk je op de knop, waarna de printer met spuitkop laagje per laagje een vaasje of kopje van klei opbouwt. Unfold noemt het stratigraphic porcelain. Toen bij Knack Weekend een uitnodiging binnenviel om de keramiek- en glasfabrieken van Iittala (de oude industriëlen, zeg maar) te gaan bezoeken, leek het ons een goed idee om daar de jonge revolutionairen op af te sturen.

Hoe goed kent u het materiaal keramiek eigenlijk ?

Dries Verbruggen : Het is het oermateriaal, het eerste wat gebruikt werd om functionele objecten mee te maken. Het heeft een schijnbare eenvoud, maar toch is het een heel complex materiaal.

Complex ?

Claire, mijn vader en ik hebben een paar jaar avondschool keramiek gevolgd. Ik begreep nooit dat mensen hun leven konden wijden aan één materiaal, ik vond dat kneuterig, zeker keramiek. Maar toen zag ik dat het gewoon erg moeilijk is en erg veel ervaring vraagt om het goed toe te kunnen passen. Het is pure chemie.

Wat hebt u geleerd van die avondschool ?

De basis. L’Artisan Electronique hebben we alleen maar kunnen maken omdat we geen specialisten zijn. We kennen wat van klei, maar ook van de beginselen van elektronica, software en van 3D-tekenen. Als we met echte keramisten spreken over 3D-printen met klei, dan zeggen ze onmiddellijk dat het onmogelijk is. Vanuit hun praktische ervaring geven ze soms compleet nutteloze tips. Omdat we bij l’Artisan Electronique precies tegen alle logica en gewone methoden ingaan. Er zit een heel gat tussen keramiek als pottenbakken en keramiek als veelgebruikt technisch industrieel materiaal. Die kloof vinden wij zo interessant. Dat keramiek, met zijn historische en duurzame associaties, ook met nieuwe technieken gecombineerd kan worden.

Welke klei gebruikt u het liefst ?

Porselein, maar we zoeken constant. Als we productieklare objecten willen afleveren, hebben we iets anders nodig. Dat is niet zo simpel, we zijn al twee jaar bezig met porseleinrecepten. En dan stoot je op de onwaarschijnlijke kennis van mensen die er al hun hele leven mee bezig zijn. We zijn ook met keramiekfirma’s gaan praten, die vinden dat allemaal heel interessant, maar het zijn ook voor hen geen ideale tijden om te gaan experimenteren. We hebben bijvoorbeeld ook al tests gedaan voor het Architectural Association School of Architecture in Londen, om te zien of sommige ideeën toepasbaar zijn op betonstructuren.

L’Artisan Electronique heeft dus een rol in deze wereld ?

Ja, en daar zijn we blij om. We doen nu tests voor echte producten. We denken andersom : we maken eerst de machine en kijken dan waarvoor we die allemaal kunnen gebruiken. Ambachtsmensen moesten vroeger eerst hun tool kunnen maken vooraleer ze aan hun ambacht konden beginnen. Zwaardsmeden in Japan maakten hun eigen gereedschap, waardoor ze een andere stijl hadden dan hun collega. Digitale tools hebben die dimensie niet. Software wordt gemaakt door grote firma’s die natuurlijk op zoek gaan naar de grootste gemene deler. Het uitgangspunt van l’Artisan Electronique ging op dat probleem in : kunnen wij als klein ontwerpbureau een digitale tool maken die nuttig kan zijn, én toekomstgericht én persoonlijk ? Die analogie van de pottenbakkersschijf werkt wel. Er is in de klassieke ontwerpsoftware te weinig relatie tussen de acties die je doet met je handen en het resultaat. Er is qua handeling geen verschil tussen een gebouw ontwerpen en Facebook checken. Je klikt en je sleept met je muis en je doet maar.

Op de allereerste Designbiennale van Istanbul werden jullie gevraagd voor een tentoonstelling over veranderende machtsstructuren en ongewone productiemethoden. Jullie geloven erg in codesign waarbij consumenten hun goederen mee ontwerpen.

Ja, de keramiekprinter was daarop gebaseerd : mensen bedenken altijd dingen die je niet hebt bedacht als ontwerper. Als ontwerper leg je de grenzen en de esthetische stijl vast die zorgen dat het object zal functioneren, al de rest bepaalt de consument zelf. Je krijgt iets wat wij voor de helft hebben gedaan, de gebruiker zorgt voor de andere helft. Daar geloven wij in.

Hoe vonden jullie onze uitnodiging om naar Iittala in Finland te gaan ?

Ik was benieuwd. Ik had gedacht dat de productie vooral in het Oosten zou gebeuren en effectief wordt er in Thailand geproduceerd, maar ook in Helsinki. Daar zag ik een moderne fabriek, waarin geïnvesteerd is. Alle knowhow zit daar.

Bekijkt u als ontwerper zo’n fabriek op een specifieke manier ?

Ik ben geïnteresseerd in de rijke geschiedenis van zo’n merk, natuurlijk. We hoorden dat er bij een renovatie oude mallen gevonden waren, maar ze wisten nog niet wat ze ermee gingen doen. Dat intrigeert mij immens. Als je mij zou vragen wat ik het liefste zou ontwerpen voor Iittala, dan zou ik willen kijken naar wat er is aan structuren en geschiedenis en manieren van werken, eerder dan een nieuw kommetje te bedenken. Een object is het resultaat van een proces, en vooral dat proces interesseert ons : bedrijfsstructuren, tradities, copyrights,… Het dorp dat we de dag daarna bezochten bestaat volledig uit ontwerpers en glasblazers, daar voel je gewoon de chemie, maar toch vind ik dat Iittala daar te weinig mee doet.

Hoe zou u de bestaande collectie aanpakken ?

Die nieuwe reeks Sarjaton is ontstaan uit het idee dat mensen geen volledig servies meer kopen, maar dat ze moeten kunnen mixen en matchen, en telkens stukken kunnen bijkopen die erbij passen. Maar was het misschien ook niet interessant geweest om de hele Iittalacollectie te bekijken en waar nodig schakels te versterken, in plaats van toch nog een nieuwe lijn uit te denken ? Ik kreeg ter plekke een boek over hun jarenlange huisdesigner Kaj Frank. Een van zijn eerste opdrachten was precies een set samenstellen voor mensen met een lager inkomen. Hij had echt goede ideeën om dingen bij elkaar te doen passen. Er zit zoveel in de geschiedenis in dat bedrijf, het ligt er gewoon om te rapen.

U bracht hen zelfs een cadeau mee ? Een kopie van hun Aaltovaas ?

Ja, dat was het resultaat van een van onze recente projecten, onze Kiosk, een bakfiets met een 3D-printer in en een 3D-scanner. Het idee is dat we ermee naar exposities of winkels rijden en dan dingen kopiëren en ze voor de deur op straat verkopen. Het is een provocerend idee, we zijn niet voor of tegen kopiëren, we tonen gewoon hoe simpel het is. 3D-printers worden almaar goedkoper, wie weet kan iedereen zich over vijf jaar thuis eentje permitteren ? Muziek, film, foto’s, allemaal sectoren die al gedigitaliseerd zijn, nu is het de beurt aan echte objecten. Een paar maand geleden heeft Piratebay ook een afdeling toegevoegd voor fysieke goederen. Het ís er gewoon. Weinig ontwerpers en fabrikanten zijn daarmee bezig. Ze steken hun kop in het zand en zeggen dat de kwaliteit toch nog te laag is en zo. Dat zijn dingen die men ook over muziek- en filmkopies zei.

In de Kiosk hadden we dus van een glazen Aaltovaas een plastic kopie gemaakt. De 3D-tekening daarvoor hadden we gewoon online gevonden. Iedereen kan ze online vinden. Dat is de realiteit. Dus, dan zou Iittala toch beter dat model op hun eigen website gratis beschikbaar stellen ? Dan heb je het zelf in de hand hoever mensen ermee kunnen spelen bijvoorbeeld door de wanddikte aan te laten passen. Dan combineer je echt het ambachtelijke en het digitale. En heb je een marketingtool en websitebezoekers.

Kreeg u nog andere ideeën bij uw bezoek ?

Ik zag de arbeiders vazen blazen in een stalen mal. Vakmannen die perfect hun job kennen, maar aan de lopende band dezelfde perfecte vaas maken. Wat verderop zagen we een volledig geautomatiseerde robotarm ongeveer dezelfde handelingen uitvoeren. Daar werd snel aan voorbijgegaan, dat werd blijkbaar als iets negatiefs beschouwd, ‘mondgeblazen’ klinkt toch net wat romantischer. Maar ik ben net gefascineerd door machines en door de vraag hoe je een machine ook het recht kan geven op kleine onvolmaaktheden zoals een vakman ?

DOOR LEEN CREVE

ID UNFOLD

Als jonge designstudenten ontmoetten Claire Warnier en Dries Verbruggen elkaar in Eindhoven, aan de Design Academy. Exact tien jaar na hun afstuderen hebben ze niet alleen hun handen vol met twee jonge kinderen, maar ook met hun goed draaiende ontwerpstudio. Ze werkten onder meer al voor Jaga, Heineken, Nederlands Architectuur Instituut, Middelheim Museum en Unilever. Claire was een tijdlang curator in Z33 in Hasselt en Dries geeft les aan Sint Lukas in Brussel en aan de Design Academy.

Dit artikel verscheen in oktober 2012 in Knack Weekend. Op 26 oktober 2017 ontving het duo de prijs van DESIGNER OF THE YEAR. Lees het artikel met Unfold in Knack Weekend van deze week, door collega Thijs Demeulemeester,  hier. Er loopt nu een expo bij Bank Delen in Antwerpen. Die verhuist  op 27 oktober naar het Design museum Gent.

 

Interview Yves Obyn

De vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West-Vlaanderen 2017 werd gisterenavond uitgereikt in Roeselare. Ik mocht beide laureaten interviewen.

©Kaat Pype

Surrealisme voor de Instagramgeneratie

Niet dat de jonge Yves Obyn mensen per se uit hun evenwicht wil brengen, maar ze één seconde op het verkeerde been zetten, vindt hij wel interessant. Zijn medium? Mdf-platen, hout en multiplex.

“Wij zijn geen meubelfirma. We maken wel meubels, af en toe. Alles is te koop, behalve wat al verkocht is.” Dat Yves Obyn zichzelf graag relativeert, is duidelijk. Ook in zijn werk houdt de jonge Bruggeling van humor, een kleine sneer en zelfs van maatschappelijke commentaar. Al vindt hij dat eerder bijkomstig. Het woord ‘surrealist’ neemt hij niet in de mond als hij het over zichzelf heeft, maar eigenlijk is hij het wel.

 

Wilde je altijd al een eigen atelier? Met zagen en klemmen en sergeanten zoals hier?

“Neen, helemaal niet. Ik heb nooit gestudeerd voor meubelmaker, ik ben opgeleid als grafisch vormgever. Maar al tijdens mijn studies vond ik drie dimensies interessanter dan twee. Ook toen al was ik vooral bezig met installaties en performances. Mijn grote droom was films te maken, nu vertel ik verhalen met mijn meubels en ensceneringen. Mijn atelier is als een filmstudio waar ik een eigen wereld kan creëren. Op die manier maakt ook de gebruiker deel uit van het verhaal. Deze prijs bevestigt dat ik hier toch iets nuttigs doe. Heel mijn oeuvre is opgebouwd uit experimentjes. Trial and error. Nu pas ben ik zover dat ik vind dat ik mijn objecten ook kan verkopen.”

Hoe werk je? Met een schetsboek? Computertekeningen?

“Ik maak. En probeer. Ik gebruik niet de conventionele schrijnwerkerstechnieken, want die ken ik niet. Wel heb ik meestal een duidelijk beeld voor ogen voor ik aan iets begin. Dan vraag ik me af hoe ik dat beeld kan vertalen in een fysiek object en begin ik te experimenteren. ‘Wat wil je eigenlijk vertellen?’ Die vraag werd ons in de hogeschool van Sint-Lucas het meest gesteld. Dat heb ik goed onthouden. Het doel van het verhaal en het sterke beeld blijven voor mij primeren. Een idee is niet af als ik het niet ‘gemaakt’ hebt.”

Waar haal je inspiratie voor die beelden?

“Overal. Ik hou er vooral van om te kijken naar mensen en hoe ze zich gedragen in dagdagelijkse situaties. Ik kan mezelf helemaal verliezen als ik ergens zit te eten en om mij heen kijk. Ik zie de mensen maar ook hun verhalen, die ik er al dan niet zelf bij verzin. Als je wat langer kijkt, zie je dat elke mens uniek is en elk op zijn manier invulling geeft aan zijn wereld. Toen ons eerste kindje geboren was, ging ik vaak wandelen in de buurt. Daar viel me op hoe de bewoners van hun voortuin, soms amper twee vierkante meter groot, toch iets persoonlijks willen maken. Het is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Die voortuintjes vind ik niet lelijk maar juist fascinerend. We zouden die mensen moeten feliciteren in plaats van ze met de vinger te wijzen omdat ze niet binnen de norm vallen.”

Wat heb je tot nu toe al gemaakt?

“Vroeger maakte ik vooral grote installaties, zoals replica’s van vliegtuigen en de maanlander. Daarrond speelde zich dan een verhaal af. Maar doorheen de jaren is mijn werk subtieler geworden. Ik hou ervan om alledaagse dingen en herkenbare beelden uit hun context te halen. Een tijd geleden maakte ik een reeks straatmeubels: een bushokje, een zitbank, een vuilnisbak… Dingen die we kennen en waarrond zich van alles afspeelt. Maar ik wil ze binnen gebruiken, in een huiselijke context. Het zou ook een setting kunnen zijn voor een pop-uprestaurant. Waar opgeklede mensen zouden kunnen eten als waren het hangjongeren. Ik wil met mijn werk mensen op een subtiele manier uit hun comfortzone halen. Ik hou van de conventies in onze cultuur maar vind het ook leuk om ze onderuit te halen. Ik maakte bijvoorbeeld een melkkannetje dat lijkt omgevallen te zijn en waarbij de vlek een koeienhuid is. En een eetkamerset die rechtstreeks uit een actiefilm geplukt kan zijn, met kogelgaten erin. Ik heb ook een doodskist gemaakt met een opening in de vorm van een kruis ter hoogte van het hart, waaruit de ziel kan ontsnappen. Het toont aan hoe het gebruik van techniek voor een meerwaarde kan zorgen in een verhaal.”

 

Ik haal ook veel inspiratie uit populaire cultuur, uit Amerikaanse films en hiphop. Vooral de fascinatie voor de American dream om ooit rijk en beroemd te worden houdt me bezig. Misschien is het stiekem wel mijn eigen droom.”

 

Wat maakt jou blij?

“Ik hou van de praktijk van het maken. Vaak realiseer ik meerdere prototypes van objecten, die al dan niet al een functie hebben, tot op het moment dat ik een afgewerkt product heb. Dat proces geeft me de grootste voldoening. Van zodra het af is, ben ik met mijn gedachten al bij een nieuw project. Ik zou niet zoals een muzikant elke avond dezelfde song kunnen spelen. In mijn atelier ben ik baas in mijn eigen wereld. Daar kan ik me uitleven met de meest absurde dingen. Zoals het namaken van een Ikeatrapje (Bekväm). Dat kost mij wel vijf keer meer aan tijd en materiaal, maar het voelt als een overwinning als je iets kunt namaken dat eigenlijk ontworpen is voor massaproductie.

 

Wat is volgens jou de rol van kunstambachten in 2017?

“Misschien is dat wel de perfectie een stamp geven? De structuren die je kent heel even overhoop gooien en een ander perspectief geven? Niet alles moet blijven zoals het is, toch? Ik heb geen probleem met de ideale wereld die we elke dag op social media voorgeschoteld krijgen, maar ik vind het belangrijk te beseffen dat alles geënsceneerd is. Ik vind het spannend om mensen een klein beetje op het verkeerde been te zetten. Mijn kartonnen dozen, die ik toon op de expo van Provincie West-Vlaanderen, zijn laden. Maar op het eerste gezicht lijkt het of de bewoners nog in de verhuisdozen zitten. Dat ene moment van twee keer kijken, daar doe ik het voor.”

Deze tekst is gemaakt in opdracht van Provincie West-Vlaanderen. Er loopt op dit moment een tentoonstelling.

 

Interview Peter Vermandere

De vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West-Vlaanderen 2017 werd gisterenavond uitgereikt in Roeselare. Ik mocht beide laureaten interviewen.

© Kaat Pype

Het mag wat wringen

Peter Vermandere smeedt al 25 jaar sieraden. Met zilver en edelstenen maar ook met plastic of zwarte walnoten. Hij vergelijkt zijn werk met dat van een kok en van een circusartiest.

 

Zeven broches zond edelsmid Peter Vermandere in voor de Vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West- Vlaanderen 2017. Zeven variaties, zeven souvenirs aan Idar-Oberstein, de bakermat van de Duitse edelstenenindustrie. Het stadje is een begrip in de juwelenwereld, vanwege de overvloed aan edelstenen en slijperijen. Maar Vermandere ontdekte er ook industriële schatten. Van in het begin, toen hij als achttienjarige vanuit de Westhoek naar Antwerpen trok, is hij tegelijk bezig met creëren en ontdekken.

 

Al heel jong wist je dat je edelsmid wilde worden. Waarom?

“Vanwege de materie. Ik vond edelsmeden de meest pure manier om materie te laten spreken. Haar structuur, de manier waarop ze zich vormt, intrigeert mij mateloos. Dat lag wat moeilijk in het kunstonderwijs toen, dat heel erg gericht was op concepten. Ik werk heel intuïtief. Ik wil mezelf verrassen. Ik hou ervan om met zilver te werken, maar ook met zwarte walnoten, die ik doorsnij. Of met restjes al dan niet edelstenen, met fossielen, met plastic zelfs. Zo maak ik bijvoorbeeld mijn gezichtjes, emoticons bijna. Een restje edelsteen, oesterparel of fossiel is de start, daaraan maak ik dan een ‘kopje’. Maar altijd probeer ik iets draagbaars te maken.”

Wat is een goed sieraad volgens jou?

“Voor een juweel geldt: als het maar voor 95 procent goed is, is het slecht, werkt het niet. Wij kunnen ons weinig fouten veroorloven. Dat heeft te maken met het formaat, maar ook met de precieuze materialen en technieken. Traditioneel bestaat een juwelencollectie uit een twintigtal stuks: vijf hangers, vijf ringen, vier halssnoeren, drie armbanden enz. Ik werk anders. Hangers en snoeren vind ik moeilijk. Armbanden en oorbellen eigenlijk ook. Ik probeer wel, maar ik krijg er mijn verhaal niet gemakkelijk in verteld. Ik maak ook wel ringen, maar in broches ben je vrijer, daar kan ik meer kanten mee uit. Hedendaagse sieraden gaan van superdraagbaar tot superartistiek en alles wat daartussen zit. Mijn creaties krijgen soms het label ‘mode’, soms ‘design’, soms ‘kunst’. Met juwelen raak je alles aan en tegelijk staan ze overal los van. Dat ambigue aspect en die continue ‘identiteitscrisis’ blijft me aantrekken.

Ik fotografeer mijn juwelen zelden op mensen. Ik maak ook geen juwelen die voor iedereen geschikt zijn. Misschien, als ik eerlijk ben, maak ik ze alleen voor mezelf. Dat is mijn drive: mezelf verrassen en uitdagen. Al ben ik wel gelukkig als een uniek stuk uiteindelijk zijn unieke drager vindt ”

Hoe heb je de broches gemaakt waarmee je deze prijs won?

“Ik werd door de Jakob Bengel Stiftung als artist in residence aangenomen om enkele maanden in Idar-Oberstein te werken. Het is een mekka voor juwelenontwerpers, er zijn niet alleen veel edelstenen te vinden en te kopen, maar ook veel slijperijen en een aantal fabrieken die vroeger goedkope metalen juwelen maakten. Vooral die laatste inspireerden mij. In de Bengelfabriek hebben ze persen tot 60 ton druk, waarmee metaal in een matrijs werd geplet tot medaillons en dergelijke. Werknemers konden er zeventig per minuut maken! Supersnel, met de voet. Het unieke van die fabrieken zit in de matrijzen en de machines, die nog steeds gebezigd worden voor speciale projecten. Daar mocht ik gebruik van maken. Ik ging tussen de massa’s matrijzen – wel 15.000 – op zoek naar eentje dat mij aansprak en ik vond een edelweiss. Ik deed er metaal in en hop, wat kreeg ik? Een perfecte edelweiss. Maar, saai. Ik hou wel van een beetje wringen. Dus ging ik er de matrijs verkeerd insteken, omgekeerd, achterstevoren… Uiteindelijk stak ik in de pers aluminium kettingen die er lagen. Dat platte, oneffen maar gedecoreerde schijfje vormde dan een ingrediënt voor een broche. Daar voegde ik edelstenen aan toe om de ode aan de plek compleet te maken. Ik blijf variaties bedenken, ik zit nu aan nummer achtenveertig”.

Hoe ga je concreet te werk in je atelier? Heb je een bepaalde routine?

“Mijn agent in New York houdt er niet zo van als ik dit zeg, maar eigenlijk is mijn werk zoals koken. Eerst verzamel ik ingrediënten, die laat ik wat sudderen en dan bepaal ik op het moment zelf hoe ik ze ga bewerken: koken, bakken, braden, stomen… Ik heb een arsenaal aan technieken tot mijn beschikking. Wat ik doe is handwerk, uiteraard, maar met behulp van machines. Ik heb een diamantzaag om stenen te snijden, een metaaldraaibank, een trekbank, een zaag, een pers… Dat is mijn instrumentarium.

Wie of wat inspireert jou?

“Het woord ‘inspiratie’ verwijst letterlijk naar datgene wat je zuurstof en adem geeft. Ik heb een bibliotheek vol boeken en materialen en ben een verzamelaar van verzamelingen. Maar inspiratie kun je niet dwingen. Dat kan een boek zijn, een fossiel, een steen, muziek, een schets… Ik geloof in serendipiteit: je concentreert je op je werk maar je staat open voor het onverwachte. De Poolse schrijver Witold Gombrowicz gebruikt in zijn dagboeken het woord ‘scheppingsvonk’ als hij het heeft over creativiteit: alles gebeurt terzelfder tijd. Dat herken ik wel.”

Wat betekent kunstambacht voor jou?

“In een circus zie je acrobaten de strafste kunsten uithalen alsof het vanzelf gaat. Maar dat gaat niet vanzelf, die mensen zijn opgegroeid in die wereld, hebben uren en uren, dagen en dagen, weken en weken getraind. Pas als je de technieken volledig beheerst, kun je zorgeloos beginnen te spelen. Dat geldt ook voor edelsmeden. Als ambachtsman streef je naar meesterschap. Maar je moet ook weten wanneer je moet stoppen. Perfectie durft wel eens saai te zijn. Dat is misschien de definitie van kunstambacht: iets dat artistiek is, maar ook goed gemaakt.

Ambachten zullen blijven bestaan, maar alleen als ze raken aan kunst en aan het artistieke. Als het zin heeft om iets zelf te maken. Ooit was bijvoorbeeld lithografie de standaard industriële druktechniek, dan volgde offset en daarna digitale druk. Nu nog worden er litho’s gemaakt, maar ze zijn bijna uitsluitend het domein van kunstenaars. Het gaat niet om het ambacht an sich, maar om wat je ermee vertelt.”

Deze tekst is gemaakt in opdracht van Provincie West-Vlaanderen. Er loopt op dit moment een tentoonstelling.

Herfstwoontrend (2) : Calder achterna

Een oogvijs in het plafond draaien, en er iets aanhangen, er bestaat amper een simpelere manier om een ruimte aan te kleden (los van gordijnen dan). Sculpturale mobiles à la Calder zijn ongelooflijk populair dezer dagen. Als lampen, als kamerplanthouder, of gewoon als mobile. Meestal simpel zwart, maar soms ook in felle kleuren. Evenwichtsoefeningen in huis, de ideale metafoor voor het eeuwige zoeken naar de work-life balance?

 

Atelier Haussmann
Artemide
Cappellini
DePadova
Hay, zelfdovende kandelaar.
Michael Anastassiades voor Flos, volgend jaar in productie
Multiplex, ooit ontworpen door Charles en Ray Eames, nu in productie bij Vitra.
Lambert & Fils in de vitrine van Conran shop in Parijs, voor de Paris Design Week die deze week plaatsheeft

Uit het archief: interview met Michael Anastassiades

Ontwerper Michael Anastassiades heeft sinds vandaag een expo lopen in Galerie Atelier Jespers  in het kader van Design September in Brussel. Het ideale moment dus om dit interview uit november 2013 voor Knack Weekend nog eens boven te halen. Zijn principes zijn immers ongetwijfeld dezelfde gebleven, het is een serieuze man.  Hij was toen al lang bezig, maar zijn naam was toch nog nieuw in de designwereld. Ik ben wat blij dat ik hem sindsdien min of meer moeiteloos uitgesproken krijg. Want de man blijft toonaangevend in de lampenwereld.

Zijn eerste lamp was er een die absolute stilte nodig had om te kunnen branden. Interview met Michael Anastassiades, lampenontwerper uit Londen en zintuiglijke veelvraat.

Helemaal boven in zijn huis staan we na de vele trappen wat uit te blazen, de assistent van Michael Anastassiades en ik. Maar het kan geen kwaad om even niets te zeggen, want het uitzicht is overweldigend en verandert constant : achter de voorbijrijdende treinen van Waterloo Station draait het reuzenrad London Eye. Hier woont de Cypriotische ontwerper Michael Anastassiades (46) en dit huis vertelt veel over de man : dat hij houdt van beweging. Van natuurlijke materialen, zoals donker hout, marmer en gepatineerd leder. Van koper en glas. En dat het een propere mens is. Al zou dat natuurlijk ook kunnen liggen aan het feit dat er toen net een expo liep met zijn jongste lampen voor Flos : de IC en de String Lights.

Hoewel hij al zo’n twintig jaar lampen bedenkt en zelf laat maken in ateliers in heel Europa, zijn dit de eerste die industrieel vervaardigd zullen worden. En dat is omdat hij nu eenmaal een perfectionist is, zegt de burgerlijk ingenieur als we hem een week later opbellen : “De expertise en technische kennis van Flos is zo uitzonderlijk dat alleen zij dit kunnen maken. Ze appreciëren mijn werk, dat voel ik.”

FLEXIBILITEIT

In elk geval zullen veel verbouwers zijn nieuwe String Lights appreciëren, want de lange draden en het ophangsysteem maken het mogelijk om zonder boren, slijpen of kappen op gelijk welke plek in huis exact daar licht te hebben waar je dat wilt : boven die ene leesplek aan het raam, boven de grote gezinstafel, aan de kinderhoek of in de hal. “Wanneer je de kamer opnieuw inricht, dan verhang je ze gewoon. Als je verhuist, neem je ze gewoon mee. Ik hou van die flexibiliteit. En ik hou van de sculpturale kwaliteiten die je met verlichting kunt creëren : niet alleen als ze aanstaat, maar ook als ze uitgeschakeld is. In de natuur zorgt licht ervoor dat niets ooit twee keer hetzelfde is. Licht creëert leven en zorgt voor dynamiek. Die magie wil ik een klein beetje proberen vangen, zoals bijvoorbeeld lichtkunstenaars James Turrell en Dan Flavin dat ook doen.”

String Lights Flos

Hij is beeldend kunstenaar, bedenkt ook eenmalige installaties of richt ruimten in met levende planten. Toch is hij veeleer per toeval met lampen begonnen, zegt hij. “Een van de eerste die ik bedacht, was de Anti-Social Light. Die had een ingebouwde decibelmeter, wanneer het niet absoluut stil was, kon je ze absoluut niet doen branden. Het was een statement piece, natuurlijk. Maar ik wilde wel dat ze echt bestond. En zo ben ik ze zelf beginnen te produceren. Dat vind ik mijn taak als productontwerper. Zoals een schilder schilderijen wil maken, wil ik producten maken. Geen ideeën. Daarna maakte ik de Tube Chandelier, dat moet in 1996 geweest zijn, en dat is mijn entree geworden. Sindsdien heb ik gewerkt aan een uitgebreid netwerk van ateliers in heel Europa : glasblazers, steenkappers, houtbewerkers, metaalbewerkers. Zij maken mijn lampen. Maar ik ontwerp ook spiegels, tafels en andere objecten. Daarbij vind ik de afwerking cruciaal, het tactiele en de kwaliteit van de materialen.”

Bovenstaande collecties duiken flink op in hedendaagse interieurs en in publieke ruimten. Ze passen helemaal in de art-deco trend van vandaag. Bij Atelier Jespers toont Anastassiades de expo 13 mobiles.  Nog tot 2 oktober. www.atelierjespers.com

 

Lentewoontrend (5): artistieke kleurvlakken

Ik zag daarnet dit beeld in de mannenspecial van Knack Weekend van deze week. Woontrends en modetrends durven al eens vlak bij elkaar te liggen.

Dries Van Noten SS17

Bijna abstracte kunst, een beetje camouflage en vooral veel kleur: de nieuwe kleurvlakken in huis zijn ietwat grillig, wild en onvoorspelbaar. Niet alleen of software als textiel, maar ook in hardware zoals servies. Spelen maar. De trendmeester hier? Het Franse label Moustache.

Canova, Constance Guisset voor Moustache
Happy bord, van Maarten Baas, Sergio Herman en Cor Unum, veel spannender dan de Sergio Herman servies bij Serax.
Clutch als minilandschap, bij House Doctor
Ferm Living
Habitat
Silkscreen tapijt van Les graphiquants, voor Moustache, 80 % zijde, 20 % wol

 

Zara Home
nog meer Moustache

Biennale Interieur (7) : Wat pijnlijk is om afgebroken te zien te worden

Biennale Interieur beloofde op voorhand om beleving voorop te zetten. En geen  “productcatalogus” te zijn. Daarom ging ik de beurs enkele keren rond. Op zoek naar die beleving. Wat deed mij lachen? Wat deed mij nadenken? Wat ontroerde? Waar voelde ik me meest thuis? Wat gaat zelfs een klein beetje pijn doen als het zondagavond afgebroken zal worden?

Een show, dat is ook altijd de functie van een beurs. Een event waar je bij wil geweest zijn, dat je met eigen ogen gezien wil hebben. Enkele standhouders overtroffen zichzelf en toonden op een prachtige manier waar ze toe in staat zijn.

  1. Allaert aluminium

allaert-x-studio-dessuant-bone-perpetual-motion-2

voor een video: klik hier: studio-dessuant-bone-allaert-aluminium-2

Een van dé blikvangers van de beurs is de stand van Allaert aluminium. Zij vroegen de Parijse studio Dessuant Bone om aan de slag te gaan met hun aluminium profielen. Perpetual motion heet hun bewegende installatie.met roze en transparante deuren en ramen. Een … euh … straf staaltje vakmanschap.

2. Green mood

Green Mood ©Piet Albert Goethals
Green Mood ©Piet Albert Goethals

Ik ben fan van mosmuren. Daar worden gestabiliseerde mossen en andere planten (planten die in een soort coma gebracht worden) gebruikt om op muren landschappen te maken. Green mood uit Brussel werd in 2014 opgericht en somt als haar hoofdingrediënten korst- en veenmossen op, varens en het ietwat vage “wilde planten”. Een wild effect werd in elk geval gecreëerd in de kokerstand die de eveneens Brusselse ontwerper Alain Gilles uitstekende. Simpel en duidelijk.

3. De keukens  

screen-shot-2016-10-22-at-11-02-23

Een beurs is natuurlijk geen woning, maar de woonkamer die het West-Vlaamse Obumex installeerde op een hoekstand in hal 6, daar zou ik gerust tien dagen kunnen geïnstalleerd zitten. Een kook- en werkzone in natuursteen, met tafel ernaast en prachtige vintage stoeltjes van Pierre Jeanneret uit de jaren vijftig. Hopelijk krijgt alvast de keuken ergens een tweede leven? Hetzelfde geldt overigens voor de andere keukens op de beurs zoals die van PJ Mares en Bulthaup.

4. Greenhouse van Jonathan Muecke

jonathan Muecke ©Piet Albert Goethals
jonathan Muecke ©Piet Albert Goethals

“Is het een paviljoen? Is het een bank? Is het een podium?” David Van Severen vond ook geen woorden om het Green House van de Amerikaanse kunstenaar en architect Jonathan Muecke  aan de Zuidelijke ingang van Kortrijk Xpo te omschrijven. Met eronder grote houten eiken banken.  Zélf omschrijft de architect het zo: “The Green House was developed as an exterior’s interior or interior’s exterior – understanding that both an interior and an exterior are always present – that it is the proximity and presence of the objects that determine their distinction. The ‘Interior’ was developed by isolating and then lowering the overhead plane and extending it outwards in all directions.” De banken verhuizen naar de galerie in Brussel, het paviljoen zelf verdwijnt helaas.

Lees hier wat mij ontroerde, hier wat mij vrolijk maakte en hier wat mij deed nadenken.

Biennale Interieur loopt nog tot zondag 23 oktober in Kortrijk Xpo en de stad.

Biennale Interieur (6): Wat mij ontroerde.

Biennale Interieur beloofde op voorhand om beleving voorop te zetten. En geen  “productcatalogus” te zijn. Daarom ging ik de beurs enkele keren rond. Op zoek naar die beleving. Wat deed mij lachen? Wat deed mij nadenken? Wat ontroerde? Waar voelde ik me meest thuis? Wat gaat zelfs een klein beetje pijn doen als het zondagavond afgebroken zal worden?

Ontroering. Het is zeldzaam dat ik in een expohal, met veel indrukken, geuren, kleuren en lawaai heel even helemaal stil word. En toch.

  1. Oak bench van de jonge Thelonious Goupil

screen-shot-2016-10-21-at-12-48-33

Een eik die in twee gezaagd wordt, is een perfecte bank. Simpel. Arte povera.

 

2. Een gebroken hart

Philipp Käffer
Philipp Käfer op the German Wall

The GermanWall, dat waren een rist Berlijnse designers die erg dichtbij elkaar gepresenteerd stonden. Ontroeren deed deze wandlamp. Straf, vooral in combinatie met de bijhorende tekst. “Starting from the idea that something has to be destroyed to shape something new. The initial material and form were split into pieces, and rearranged to form a product with a new function or appearance. The Broken Heart lamp for instance consists of reflectors that split a circular light. From one perspective the viewer sees a heart, but when changing position, it breaks into bits of reflected light.”

3. Paddenstoelen

screen-shot-2016-10-21-at-12-53-29
Bar Terra ©anmichiels

De cateringpunten op de Biennale worden sinds enkele edities bedacht door hedendaagse ontwerpers die daarvoor moeten meedoen met de Biennale Awards wedstrijd. Deze Bar Terrra was een van de vijf winnaars. Bedacht door Carolien Pasmans, Bram Aerts en Claudio Saccucci van Trans Architeectuur en Stedenbouw Gent, draaide deze bar rond paddenstoelen. Ze lieten enkele dagen op zich wachten, maar ergens halfweg de beurs stonden de paddenstoelen ineens in volle getale te pronken. “they are alive!” instagramde An Michiels (een van de Biennale medewerkers) bij deze foto. Hoe een natuurfenomeen zo spannend kan zijn.

4. De werkbank van opa

Pinscher
Pinscher

Opvallend hoe professioneel de standen van de jonge ontwerpers zijn, in de hallen herkenbaar door de zilveren lappen stof die verticaal boven de jongerenafdeling hangen. Mooi was het eerbetoon van Stijn d’Hondt die naast de tafels in uitzonderlijke materialen, die hij op de markt brengt onder de naam Pinscher, ook de werkbank van zijn grootvader plaatste. Een stofjas draagt en opa’s bril in de bovenzak houdt.

Lees hier wat mij vrolijk maakte en hier wat mij deed nadenken. Coming up next: wat pijn zal doen als het afgebroken wordt en wat u misschien over het hoofd heeft gezien.

Biennale Interieur loopt nog tot en met zondag in Kortrijk Xpo en in de stad.

Biennale Interieur (4): Wat mij deed nadenken

Biennale Interieur beloofde op voorhand om beleving voorop te zetten. En geen  “productcatalogus” te zijn. Daarom ging ik de beurs enkele keren rond. Op zoek naar die beleving. Wat deed mij lachen? Wat deed mij nadenken? Wat ontroerde? Waar voelde ik me meest thuis? Wat gaat zelfs een klein beetje pijn doen als het zondagavond afgebroken zal worden?

Ik begin met de ratio.

 

Wat deed mij nadenken op Biennale Interieur? 

  1. The Anthropocene Style van Philippe Rahm in een zilveren box
Philippe Rahm ©Frederik Vercruysse
Philippe Rahm ©Frederik Vercruysse

Curatoren Office Kersten Geers David Van Severen nodigden internationale gasten uit om een van de zilveren boxen in te richten en rond het thema Interiors een installatie te maken. Philippe Rahm is expert in binnenklimaten en bekijkt zijn werk van daaruit. In de catalogus van Interieur schrijft hij bijvoorbeeld: “if the white and minimum neutrality of the Modernist style has enjoyed succes without stop today, it is because the essential and original mission of the decorative interior design was lost after the invention of central heating in the late 19th century, the invention of of electric lighting in the first half of of the 20th century and the invention of air conditioning in the middle of the 20th century. the invention and implementation of heating, ventilation, lighting, were a hundred times more effective than a curtain or a candle. The decorative art of the past was a set of ways to improve the thermal comfort of the cold and dark interiors of old buildings.” Vanuit dit soort bedenkingen stelt Rahm op Biennale Interieur zeven decoratieve kunstobjecten voor voor deze tijd (waarin we rekening moeten houden met slinkende energievoorraden en broeikasgasuitstoten); Hij ontwierp deze objecten specifiek voor ons soort klimaat om het interieur comfort te verbeteren. Hij baseerde zich op fysica: zo ligt er het laag-effusiviteitstapijt met beton en polyurethaan vlakken. Wanneer de temperatuur 20 °C is, dan voelt het betonnen vierkantje aan als 22°C en dat ernaast uit polyurethaan als 29°C. Verder staat er een high soort tennisscheidsrechter-stoel die wil profiteren van het stijgen van de warmte, hangt er een spiegelwand en staat er een paravent die warmte terugkaatsen… Verhelderend voor een niet-fysicus en erg nuttig in een setting van een beurs waar ook betonnen tafels, flink wat marmeren objecten, grote glasramen, akoestische panelen en indrukwekkende lichtinstallaties gebouwd zijn.

2. Studio Basil op 19 oktober op Future Archive 

Future Archive ©Frederik Vercruysse
Future Archive ©Frederik Vercruysse

De stand van Future Archive, opgebouwd met grote archiefrekken, werd gevuld door creatief bureau Baroness O.  met hun favoriete internationale objecten en aangevuld met gloednieuwe stuks van exposanten op de beurs. Elke dag nodigden zij een andere ontwerper of creatieveling in dat archief uit om met de objecten te werken. Op 19 oktober was dat Studio Basil. terwijl flink wat archiefgasten decoratief of grafisch te werk gingen, startten zei vanuit een simpele vraag: Wat is dit object waard voor u? Ze maakten stickertjes met boodschappen als “Give it to me, yeah” of “sure, i’ll take it” of “this is now”; Die kon een bezoeker dan op de in plastic verpakte objecten plakken. En op de vraag: hoeveel wil je ervoor betalen kon je “loads”, “little” of “normal” kleven. Een fijn onderzoek. Waar willen beursbezoekers eigenlijk veel voor betalen? En waar weinig? Wat vinden zij actueel en wat oubollig? Keuren en commentaar geven doe je sowieso als beursbezoeker. Het is verfrissend dat ook eens echt luidop te kunnen doen. Ik wacht de opgetelde resultaten met nieuwsgierigheid af.

3. Design retail Summit op 17 oktober

screen-shot-2016-10-21-at-11-30-03
hoodvragen van de summit ©layout Joris Kritis

Eerlijk? Ik vind het een van de spannendste vragen van het moment: hoe zullen wij meubels in de toekomst kopen? Ik schreef er een tekst over in de catalogus van de Biennale (wie er eentje koopt, krijgt er gratis een fles Omer bij, hopla). Ik vind het spannend omdat ik zie hoe vrienden zich niet naar de woonboulevards begeven, maar zich voor interieurinspiratie op het internet storten: Pinterest, Instagram, webshops, ze kennen veel beter de weg dan ik. Meubelmerken maken makkelijk en snel leverbare flatpacksofa’s voor de stadsmens die geen zin heeft om weken te achten of een verhuislift te huren. Er ontstaat ongerustheid dat onze interieurs er binnenkort generisch uit zullen zien, omdat we ons allemaal op dezelfde online bronnen baseren. Ik vind het zo spannend dat ik verbaasd was dat een bondig minicongres met drie toonaangevende sprekers niet de grote massa trok. Maar de sprekers Jo Caudron, Tobias Lutz en Ewald Damen stelden dan weer niet teleur. Uiteraard hebben zij ook geen pasklare antwoorden op de vele vragen, maar ze gaven wél inspirerende voorbeelden, tactieken en reflecties mee. Afwezigen, u had ongelijk.

Lees hier wat mij ontroerde en hier wat mij vrolijk maakte.

 

Biennale Interieur loopt nog tot en met zondag in Kortrijk Xpo en in de stad.