Categorie archief: fotografie

Herfstwoontrend (1): Waterverf

Dat blurry dezer dagen trendy is in woningen, schreef ik al begin dit jaar. De trend lijkt zich grondig voort te zetten. Net voor de zomer liet Pinterest weten welke zoektermen veel gebruikt werden en “watercolour” bleek een van de meestgezochte termen (naast multiplex keukens, groene tegels en planten voor de badkamer).

Geen gemakkelijke trend om thuis te proberen, maar voor de durvers: hierbij wat inspiratie.

 

Gespot in het trends nummer van Elle Decoration van Augustus: deze muur uit stampleem in een woning van architecte Tatiana Bilbao, in Mexico. foto Iwan Baan.
uit de najaarscollectie van Stelton, die u kent van de koffiekannen
Stelton kaasmes
Enigma, het nieuwe restaurant van Albert Adria, door Pritzker Price winnaars RCR Arquitectes. Een 3D aquarel, alsof u in een bevroren landschap zit te eten.

In Enigma in Barcelona mag u foto’s maken, maar enkel voor privégebruik. En zonder flash. Het is het antwoord op de allereerste FAQ op hun website: “mag ik fotograferen of filmen tijdens het eten?” Die staat nog voor de vraag hoelang een etentje duurt en nog voor alle vragen over allergieën.

Soft Ice plate uit de nieuwe Hay Kitchen lijn, binnenkort ook bij ons te koop
Liquefy tafel van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Liquefy van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Bubble glass objecten van Ferm Living, beschikbaar vanaf midden oktober
AMPM van La Redoute

 

Bump collectie van Tom Dixon, net voorgesteld op Maison & Objet
Le Creuset, lees mijn artikel over millennium pink hier.
tapijt van Christophe Hefti, op dit moment te zien bij Galerie Maniera in Brussel

Picture Perfect (4) : Hybrides in de regen

Lancaster stoel van ontwerper Michael Young voor Emeco Chairs, toegepast in het interieur van The Line Hotel in Los Angeles, door interieurbureau Knibb Design

Veel namen. Die leest u onder deze foto. Er is de man die de stoelen tekende: Michael Young, een industrieel designer, fan van metalen en van Azië, waar hij een studio heeft.

Emeco Chairs, de Amerikaanse makers van de lichte aluminium Navy Chair is de fabrikant en het merk dat deze stoelen op de markt brengt. Op hun Instagrampagina zag ik dit beeld afgelopen zomer. Emeco is gespecialiseerd in het gieten van aluminium en maakten  dus de gepolijste gerecycleerde zitting en rugleuning. De houten poten van deze stoelen werden gemaakt door een toeleverancier, een Amish schrijnwerker uit de buurt van …  Lancaster in Pennsylvania.

De combinatie van gegoten aluminium en blank hout vormt een wat atypische hybride. Een combinatie van een industrieel en een eerder ambachtelijke techniek. Van een spiegelend en een mat materiaal. Van hard en zacht. De mix met het blinkende aluminium maakt deze eenvoudige stoel visueel levendiger dan een puur houten stoel (ook wel kouder aan de poep, maar dat terzijde. Er is ook een kussentje beschikbaar voor wie daarover zou zeuren zoals ik).

Michael Young legde het in 2010 zo uit, toen hij de stoel ontwierp:  “I have worked extensively with the aluminium manufacturing process recently, and with some of the best equipped factories in Asia. I was looking at the ways to join other materials with aluminium over the last few years and thinking about a chair. I feel passionate about working with natural materials that live for ever; wood and metal are really the materials that connect to the human.  So there was no question that the richness of their ageing processes would be a perfect combination. I felt that using wood would create a softer edge to a product whilst the aluminium would speak to its sophistication and heritage.” Rijkelijk en stijlvol ouder wordende stoelen,  wie wil dat nu niet?

In elk geval hebben de ontwerpers van Knibbdesign de visuele tegenstelling helemaal uitgespeeld toen ze de Lancasters voor dit interieur bestelden. Ze plaatsten de stoelen met glanzende zitting op een minstens even blinkende vloer. Hoewel die donker is, reflecteert die het licht overvloedig, zodat een  fijne warme gloed ontstaat. Alsof er net een dikke verlossende regenbui gepasseerd is op een  hete zomerdag.

Het is een vloerafwerking die in huiselijke setting niet evident is,  maar die hier goed werkt, in een restaurant van The Line Hotel in Los Angeles.  De breuk met de  brave Scandinavische stijl is -althans in hotels, restaurants en café’s – al een tijdje geleden ingezet. Rijkelijk, gesofisticeerd, glamoureus zijn woorden die in menig nieuw hotel, bar of restaurant van toepassing zijn. Probleem is dat de nieuwe art-deco-interieurs al gauw een soort decor worden waar je eerder kostuumdrama’s ziet plaatsvinden dan ongedwongen etentjes. Toch is chic hier niet stijfjes.

Misschien ligt het geheim van de warmte van dit beeld (ondanks het koude aluminium aan de poep) wel in de nuchterheid van de houten stoelpoten?  In het muntgroen dat de voorbije jaren furore maakte in hedendaagse interieurs? Of in de geruststellende messing theepot op de houten tafel? Of misschien  toch in de zachtgele verf, met spons op de muur aangebracht? Helemaal zoals in de jaren negentig….

In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

PS: Dit beeld toont trouwens een andere trend die op kousenvoeten nadert: na messing,  brons en koper is het weer tijd voor chroom,  inox, gepolijst aluminium (zoals hier) of gewoon simpel spiegelend glas. U weze gewaarschuwd.

Picture Perfect (3): La Piscine

Les extrement se touchent. De ronde rivierkeien op de bodem van een ondiep poeltje buiten zijn de perfecte tegenhanger voor het pluizige grijze tapijt onder een eveneens doorschijnend oppervlak van de salontafel binnen. Doordat de vloer van de zithoek onder het waterniveau ligt, en enkele verschillende stroompjes als watervallen van nog hoger komen, is de waterbeleving helemaal compleet. Ook omdat het raamkader zo subtiel werd gehouden. De bijna rabarberachtige bladeren van de Gunnera plant, en de subtielere Waldstenia en de witte duizendknoop geven meteen verrassend veel variatie vlak bij het raam. Beter dan televisie, zelfs als het regent is er wat te beleven op die paar vierkante meter voor het raam. Een ondiep (30cm hier) rechthoekig vijvertje zoals dit wordt spiegelvijver genoemd. Dat fungeert zoals de naam doet vermoeden als weerspiegelaar: van de wolken of blauwe lucht. Van de bovenstaande planten, of eventueel van de architectuur. Allemaal afhankelijk van uw eigen perspectief en van de lichtinval.

Niet diep heeft voor- en nadelen: de aanleg is goedkoper en het nodige volume water en bijhorende filterinstallatie moeten dus niet de zwaarste zijn. Aandachtspunt is echter meteen wél de zuivering: omdat het niet diep is, warmt het water snel op en koelt het snel af, extremere temperatuurschommelingen die ideaal zijn voor algen. En die willen de meeste mensen dan weer liever niet, ook al omdat ze het spiegelend beeld verstoren. Het water wordt in dit badje van Biopool gefilterd door een externe filter die aangestuurd wordt vanuit de kelder onder het terras (waar eveneens een garage is), waardoor er in dit geval amper onderhoud nodig is. De watervalletjes komen vanuit een witgelakt aluminium element dat meteen ook dienst doet als plantenbak én zitbank achteraan. De tuin is aangelegd door Tuinonderneming Monbaliu en tuinarchitect Francis Broos.

Info: www.biopool.be 

Dit artikel staat flink ingekort in Feeling Wonen / Gael Maison & Eigen Huis & Interieur van deze maand, nu in de winkels.

In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

In een andere reeks No Pictures Please, bundel ik  dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

No Pictures Please (5): Millennial Pink blijft

De eenhoorn, zeepbellen, regenbogen en bloemenkransen. Wie uit de eerste flowerpowergeneratie had kunnen voorspellen dat ze zo hip zouden zijn bij tieners dezer dagen? En wie had tien jaar geleden durven te beweren dat meubelmerken en masse roze sofa’s op de markt zouden brengen? “Roze is het nieuwe zwart”, verklaart kleurexpert en trendwatcher Hilde Francq al jaren. “De kleur is niet langer kinderlijk. Roze is volwassen geworden.”

Hoe is dat zo gekomen?

“Door de kredietcrisis. Harde tijden zijn immers de ideale voedingsbodem voor roze. Uit onderzoek blijkt dat mensen in de Verenigde Staten en Europa die kleur associëren met gevoeligheid, tederheid, zachtheid, zoetheid en de kindertijd. Exact waar ze nood aan hebben in tijden van crisis.”

Waar kwam dat roze eerst voor?

“Niet in de mode, maar in de interieursector. Het Nederlandse ontwerpduo Scholten en Baijingslanceerde pastelkleuren, en ook de Bouroullec-broers pikten het snel op. Ze gebruikten naar eigen zeggen ‘een verschrikkelijke rode daad samen met een verschrikkelijke witte draad’ voor een soort gebreide stoel voor Vitra, die dus roze uitviel. De Scandinavische meubelmerken volgden snel. Pas daarna was het aan de mode: Raf Simons bij Jil Sander in 2012, en snel ook merken zoals Cos. En vervolgens ging de rest overstag. Nu is het gemeengoed. Zelfs haren worden vlotjes roze geverfd. Niemand kijkt ervan op.”

Is het roze ondertussen veranderd?

 

“Absoluut. Eerst was het inderdaad pastelroze met rood en wit erin. Daarna, en daar zitten we middenin, volgde huidskleur. Die valt te verklaren door de gezondheidshype en verwijst naar de aandacht voor het menselijke pure lichaam. Huidskleur is de kleur van een aanraking, van een knuffel. Iets waar we, in deze tijden van schermen en sociale media, blijkbaar naar snakken. Kleur hangt samen met de vormen. Zo zijn meubels minder hoekig dan vijf jaar gelden: ze hebben meer rondingen, als een menselijk lichaam.”

Hoe combineert een mens die verschillende tinten roze?

“Ik vind het geweldig met Yves Klein elektrisch blauw. Het wordt ook vaak met geel gecombineerd, met wit, of met messing, natuurlijk.”

Welk roze komt eraan in 2018?

“Perzikroze. Bijna oranje dus. Het hangt samen met de opgang van het feminisme, en met de aandacht voor nuchterheid en eenvoud. Geen enkele kleur is zo flatterend als roze, voor alle huidtypen bovendien. Zoals gezonde blozende wangen.”

Kleur verkoopt, Hilde Francq, uitgeverij Lannoo Campus, 34,99 euro.

Dit artikel verscheen in Knack Weekend van 28 juni 2017

In de serie No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

In een andere reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

Picture Perfect (2): de doorzichtige plant

 

Ik hou van mannen met een baard. Ik hou ook van mooie armen. En van planten! Toch maakt dit beeld mij niet blij.

Ik leerde Paper Collective kennen in de Antwerpse winkel Espoo, van Dries en Mies. Zij verkopen al jaren de posters met bergen, landschappen en dennenappels op. Die kosten tussen de 20 en 50 euro en er zijn er meestal maximum 500 van gemaakt. En 10 % van de sales van die prints gaat naar een goed doel naar keuze van de artiest. Mooie prenten. Die perfect passen in de wat een vriendin onlangs omschreef als “natuurhistorischmuseum-stijl-interieur” .

Als kind van mijn tijd ben ik fan van oldfashion botanische tekeningen. Ik heb er zelfs een op mijn lijf laten tatoeëren. Ik schreef er eerder zelfs een artikel over voor Nest. Over de botanische tekeningen, niet over de tattoo.

Maar dus, Paper Collective  werkt al een poosje samen  met Moebe, een eveneens Deens merk dat dan weer in zijn collectie Frame als bestseller heeft: twee plexiglaasjes die met een elastiek samen te houden én op te hangen zijn. Simpel en verkrijgbaar vanaf een dikke twintig euro. Leeg. De twee merken vulden elkaar aan op beurzen en in catalogi: de ene de kader, de andere de prent. Hopla.  En ze kwamen in dezelfde winkels terecht.

Begin deze maand lanceerden beide merken een samenwerking die  hierboven zo elegant wordt getoond door een Scandinaaf (tiens, dat woord komt meer in het meervoud dan in het enkelvoud voor, blijkbaar). Samen met Norm Architects brengen ze zeven verschillende transparante prints uit van planten, “speciaal gecreëerd voor de Moebe-Frames”. (De prints zullen  zullen in standaard A5, A4 en A3 uitkomen).

© Moebe / Rasmus Rønne Studio

De foto’s zijn een verlengde van de serie Sabi Leaves die Norm architects eerder in zwart-wit en op papier presenteerden bij Paper Collective. Daarover bestaat dit korte promotekstje:

Jonas Bjerre-Poulsen of Norm Architects uses a rewording of a passage from Wabi Sabi for Artists, Designers, Poets and Philosophers to explain the idea behind the new print:

“The Sabi Leaves photos are inspired by the gathering of botanic samples and classic botanic illustration. Playing with an element of decay, the Sabi Leaves also become iconic expressions of time frozen. They are visibly vulnerable to the effect of weathering and have recorded the sun, wind, rain, heat and cold in a language of discoloring, rust, tarnish, stain, warping, shrinking, shriveling and cracking. Their nicks, chips, bruises, scars, dents, peeling and other forms of attrition are a testament to their history. Through the transparency of print and frame the leaves get a unique sense of multi-dimensionality rarely achieved in printed products.“

Door de foto’s nu niet op een dikke witte poster, maar op een transparant vel te stoppen maken de drie bedrijven het nog gemakkelijker voor de consument om instant dat groene gevoel binnen te halen. What’s not to like? Dit is een kamerplant zonder vervelend gedoe. Zonder water te moeten geven. Zonder bladeren die afvallen.

Maar ook zonder groei. Zonder bloei. Zonder schaduwen, verkleuringen, plekjes en plagen. Zonder echt verval.  Dit zijn  met andere woorden planten die nooit veranderen. Die netjes aan het nageltje blijven hangen. Proper afwasbaarmet een microvezeldoekje  bovendien. Het is dat ze er zelf over waren begonnen, maar dat heeft toch helemaal niets te maken hebben met het toelaten van vergankelijkheid en imperfectie?  Meer anti-wabi sabi bestaat toch niet?  En trouwens:  waarom dan niet gewoon een koppel (gedroogde) bladeren of bloemen tussen dat plexiglas klemmen in plaats van 39,95 euro voor een transparante technisch hoogstaande print?  Waarom moeten zelfs kamerplanten, die amper natuurlijk meer zijn, nog meer getemd worden? Waarom blijft er in vele woningen enkel een zielig dun velletje over? Een ingekaderd schelleke plastic natuur?

Ik moet denken aan boomsoorten die blijkbaar te gevaarlijk dik kunnen groeien om naast autowegen te mogen geplant worden. En aan verdriet om gekapte of bijna gekapte stadsbomen.

 


In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.  Hier de eerste.

Picture Perfect (1) : De mosterdgele sofa

 

Sebastian Herkner sofa voor Linteloo © Sigurd Kranendonk

Mosterdgeel. Er valt  op deze foto van een nieuwe sofa van de Nederlandse fabrikant Linteloo niet naast kijken. De kleur van een broodje hotdog, maar ook van een chique cocktailjurk met bijhorende handschoenen. In sé redelijk retro, en toch doet deze sofa behoorlijk contemporain aan. Hoe dan?

Dankzij zijn onderkant.

Modulaire sofa’s zijn sinds jaar en dag opgebouwd zoals een veredelde Duplo-set. Met een aantal basisvormen kunt u dan “helemaal uw eigen sofa samen stellen”. Ik neem er de technische fiche bij. Dit bijvoorbeeld is een 2,5 seater 1 arm left   (de fabrikant zit niet zelf in de zetel als hij linker of rechterkant bepaalt)  vastgeklikt aan een longchair right. En hop, een hoeksofa is geboren. Er bestaat ook een versie die minder diep is (undeep, heet dat dan officieel). Nu moet u weten dat er bij sofa’s van deze hoogte (430 mm om precies te zijn)  meestal wordt gekozen uit twee pistes: ofwel staan de modules handig op  slim gepositioneerde pootjes, meestal zo onzichtbaar mogelijk. Ofwel is de onderkant opgebouwd uit comfortabele kubussen.

Hier in deze foto (scroll gerust even naar boven) krijgt u visueel het beste van twee werelden. De onderkant is helemaal open wanneer u er voor staat, en gesloten voor wie van achter of opzij kijkt.  Een extreem dun frame in vooraanzicht, maar stoer in zij- en achteraanzicht. Ideaal voor Instagram.

De onderkant is bovendien zoals een boxspringbed bekleed met stof. Een klassieke grijze tweed.   En ook dat is niet toevallig. Dat levendige grijze textiel doet -althans visueel- denken aan beton en dat materiaal is en blijft immens populair. In simpel “natuur” versie of in de massa gekleurd. Vooral accessoires worden dikwijls uit beton gemaakt. Ook terrazzo (ooit een goedkoop cementmengsel met stukjes marmer of andere steenoverschot) is extreem populair in hedendaagse woningen en op Instagram (#terrazzo maar eens: 98 245 posts op dit moment) . Niet alleen als bouwmateriaal, maar ook als lampen. En zelfs compleet fake als print op behang, tote-bag of zelfs telefoon- en laptopcovers. Wie wil er nu met een terrazzo-tegel tegen het oor rondlopen? Bon, ik wijk af.

Een sofa, die moet er best wat comfortabel uitzien en dat wordt hier benadrukt met over de leuning geplooide kussens. Het idee van  die plooikussens werd populair sinds Vico Magistretti zijn Maralunga bedacht in de jaren zeventig, waarbij die leuning rechtopstaand of liggend kan toegepast worden.

Een rond tapijt uit glansfluweel brengt wat luxe én nonchalance in het verder vrij eenvoudige, Japans aandoende huis.  De immergroene bamboe aan het raam en diens perfect vallende schaduw brengt de natuur naar binnen, een populaire wens anno 2017. Maar de getrapte salontafel (ook een ontwerp van de Duitser Sebastian Herkner, die de sofa tekende) had ik in dit beeld toch wat dichterbij gezet, kwestie van net iets gemakkelijker aan de olijven te kunnen die hier picture perfect bij zouden passen.

Ik heb de sofa vorige maand uitgetest in Milaan in de showroom van Linteloo. Vijf minuutjes. Zonder cocktail. Hij stond er vooral in de kleuren beige, grijs, crème en taupe.


In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer elke week  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.  

In een andere reeks No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld. 

Lentewoontrend (9) : Wild bos strak geregisseerd

“Ik zie mijn bostuin als een voorstelling, met de bomen en planten als personages.” Tuinarchitect Jan Minne regisseerde vlak bij Brussel een magisch bos. Frederik Vercruysse maakte er prachtige beelden van in de zomer, in de herfst én in de lente. Ik mocht vervolgens eens gaan kijken hoe die tuin tot stand gekomen is. 

“Het is het einde van het dorp, zonder huisnummer. Aan de bosrand, in een wegel, tegenover een grote weide met paarden.” Sommige plekken kun je niet terugvinden met straatnaam en huisnummer, of als locatie op Google Maps.

Vroeger was dit een typisch weekendhuisjesperceel: met een gazonnetje en grote sparren. Tot tuinarchitect Jan Minne er landde. Hij was eerst modeontwerper en graficus, maar raakte tijdens een reis door de bergen van China en India in de ban van landschappen, bomen en planten. Hij begon in zijn tuin in het Brusselse te experimenteren en groeide in het beroep. Dit is zijn weekendbos.

Er staan twee huisjes op het perceel, veeleer boshutten. Iets nieuws bouwen mag hier niet, maar renoveren, dat kon wel. Eentje is een zomerhuisje, het andere gebruikt Jan in de winter. Ze worden bijna overwoekerd door het bos dat hij hier met de jaren bouwde.

“Enkele sparren liet ik staan, dat zijn mijn wachters. Wat brem en de rododendrons bleven. In de loop der jaren heb ik veel bomen en struiken toegevoegd die eigenlijk niet in zo’n bos horen, maar er op een spannende manier mee dialogeren en contrasteren. Het gazon is een spontane wildgroei geworden: boshyacinten, klimop, varens en honderden nieuwe plantjes.

Deze plek was een van mijn eerste creaties: een tuin die op een verrassende manier doorloopt tot diep in het aanpalende lorkenbos.” Ondertussen richtte hij talloze privétuinen in, plantte hij een 75 jaar oude eik op een plein in Diksmuide en ontwierp een tuin voor de universiteit van Hasselt. Hier in dit bosje aan de rand van Brussel laat hij zich helemaal gaan. “Ik hou van unieke bomen en struiken, ik rijd de hele Benelux rond langs kwekers, op zoek naar speciale exemplaren. Ik kies planten op basis van hun schors, de verkleuring en de vorm van blad, hun bloemen, hun geur … Ik zie mijn tuin als een schilderij. Bomen en planten zijn de personages. Misschien is het veeleer een theatervoorstelling. Ik ben de regisseur, maar zij spelen het spel. Natuur groeit en kiest een eigen weg, ik kan alleen maar sturen, met al mijn botanische kennis in mijn hoofd. Ik maak beelden, maar die beelden veranderen. Afhankelijk van het seizoen, het licht en de groeisnelheid van de planten. Een tuin is realiteit in zijn puurste vorm, maar ook een ruimte om in te verdwijnen. Een plek om te aarden én te dromen.”

info: www.janminne.be meer foto’s op de website van Frederik Vercruysse

Dit artikel verscheen op 19 april 2017 in Knack Weekend 

Woontrend: blurry

Halftransparantie is helemaal terug in onze woningen. Ik schreef voor Knack Weekend van deze week onderstaand artikel over een halfdoorzichtige vitrinekast, maar er zijn veel meer voorbeelden te vinden.  Die breng ik hieronder nog even samen.

Alvast een update op basis van een aantal preview beelden die eind maart 2017 in mijn mailbox vielen:

Sebastian Herkner preview, voor Edition van Treeck
Bouroullec preview op Instagram
het Belgische Kewlox, te zien in Milaan

Glas, hars, textiel zijn de perfecte halfdoorzichtige schermen. Teasers voor wat erachter te zien is. Schimmen voor 2017! Té perfecte beelden, we zijn het blijkbaar beu gezien…

Ferm Living
Ferm Living

Engels draadglas, dat is de vakterm voor het bobbelige glas met vierkantjes in. Die hokjes ontstaan door de ‘bewapening’ van het glas met metaaldraad, wat ervoor zorgt dat het glas niet zomaar uit elkaar valt wanneer het breekt. Het werd daarom veel in grote ramen gebruikt in scholen en publieke ruimten of als antidiefstalglas voor kelderraampjes of in voordeuren. In elk geval is het de jongste decennia wat in onbruik geraakt, wegens betere alternatieven. Het wordt haast nooit toegepast in meubelen, maar daar brengt het Deense merk Ferm Living nu verandering in. Deze ‘Haze’- vitrinekast met metalen frame werd ontworpen door twee jonge Denen die samenwerken onder de naam Says Who. “Wij maken deel uit van de New Scandinavian Design-beweging”, zeggen ze zelf. “Dat wil zeggen dat we ons designerfgoed respecteren, maar dat we ermee aan de slag gaan om te passen in onze eigen tijd.” Wij, tijdgenoten, zien dit blurry beeld in een woon- of badkamer alvast helemaal werken. Zoals een Instagram- of Snapchat-effectje, maar dan in het echt.

‘Haze’-vitrinekast is 155 cm hoog, 70 cm breed en 32 cm diep, ze kost 1349 euro en is te bestellen op fermliving.com of via een van de Belgische winkeliers die op hun website vermeld staan.

dit verscheen in Knack Weekend van 4 januari 2017

Nog meer blurry design:

Bocci
Bocci
architectenbureau Serck (foto: cafeine.be)
architectenbureau Bilquin Serck (foto: cafeine.be)
Squid in expo Hands On Design in Design museum Gent, loopt nog tot maart
Squid in expo Hands On Design in Design museum Gent, loopt nog tot maart 2017

 

Uit het archief : Ilse Crawford

screen-shot-2016-11-15-at-06-22-26

Knalrood en zijdezacht. Als je het ziet, wil je het aanraken. Het boek dat tien jaar geleden op mijn bureau belandde, heeft een textielcover en er staat in witte letters en in diepdruk een vraag op : Home Is Where the Heart Is ? En onderaan een naam : Ilse Crawford. Ik begon net over wonen te schrijven en ik kende haar niet. De Britse bleek een ontwerpstudio in Londen te leiden waarmee ze hotels, winkels en woningen inricht. En objecten ontwerpt. Ze bleek de hoofdredacteur van de allereerste Britse Elle Decoration-magazines. En ze bleek de afdeling man & well-being in de Design Academy opgericht te hebben. Maar dat wist ik allemaal niet toen ik dat boek voor het eerst uitlas. Niet de beelden bleven hangen, maar haar woorden over hoe een huis een thuis wordt.

Het boek van Crawford heb ik altijd bij de hand gehouden en mee verhuisd : tussen woningen en tussen kantoren. Toen ik eind deze zomer dus in de nieuwe catalogus van Ikea op pagina 9 kwam, rinkelde er meteen een belletje. “Nu ons leven steeds digitaler wordt, snakken we meer naar het fysieke”, staat er te lezen. Woorden uit het boek. Met daarboven een foto van Ilse Crawford. En met beeld van de gloednieuwe collectie die ze tekende voor de meubelgigant: Sinnerlig. Die werd in april in Milaan voorgesteld en kreeg flink wat aandacht. “We gebruiken natuurlijke materialen die je zintuigen stimuleren, je weer in contact brengen met jezelf en je gevoelens, en die de band met je woning versterken”, zo verklaart ze haar tactiele mantra. “De objecten en meubelen beantwoorden aan onze primitieve menselijke instincten. Ze zien er niet alleen goed uit, ze voelen goed aan. Ze ruiken goed, en ze klinken goed.”

Mooie woorden, maar werkt het ook ? Begin oktober vatten we in de Ikeawinkel post aan de kurken eettafel. En ja hoor, gevoeld dat er wordt. “Ik vind kurk niet mooi”, klinkt het bij een moeder. “Ja, maar het voelt zo fijn”, zegt haar dochter. Een andere bezoekster blijft staan, voelt, gaat zitten en besluit. “Dit is een zeer mooie tafel. Ik zou ze zo als bureau gebruiken. Het is veel fijner om aan te zitten dan een witgelakte tafel.” Dat was de bedoeling. Ilse Crawford: “We hebben de collectie losjes opgedeeld in drie categorieën : werken, eten en loungen. En elk van die drie heeft een meubelstuk in de hoofdrol. Respectievelijk een schraagtafel, een eettafel en een dagbed. Als inspiratie, niet als voorschrift. De schraagtafel kan bijvoorbeeld overdag een bureau zijn, maar ’s avonds eettafel. Een bank kan een console worden en krukjes kunnen bijzettafeltjes worden. Het is aan de gebruiker om te beslissen hoe die met deze dingen wil leven en hoe ze passen in zijn of haar leven.”

SCANDINAVISCHE INSPIRATIE

Sinnerlig telt dertig verschillende stuks. Concreet gaat het om die drie grotere meubelen – het dagbed met jute is het duurste stuk uit de collectie, voor 345 euro – en verder kleinere stuks : krukjes met gewone en verbrande kurk, keramiekservies, lampen, glazen en karaffen, en banken. Het goedkoopste is een bloempot voor 4,99 euro.

screen-shot-2016-11-15-at-06-32-22

Nochtans heeft Ilse Crawford geen opleiding als architect of ontwerper. Ze studeerde architectuurgeschiedenis en werd als 27-jarige de eerste hoofdredacteur voor de Britse Elle Decoration. “Voor magazines werken was een prima opleiding. Het zette me met beide benen op de grond, gaf inzicht in wat echt werkt. Ik zag zoveel nieuws dat ik begon te selecteren op wat zou blijven duren en waar mensen een connectie mee voelen.” De meeste interieurs die ze voorgeschoteld kreeg, gingen eerder over het spectaculaire dan om het normale, legde ze in The Wall Street Journal uit. “Maar ik ben net geïnteresseerd in hoe je het normale een up- grade kunt geven. Het interessante is precies om te weten waar je ruimte kunt laten voor mensen. Als mensen het object dat je maakt of de ruimte die je ontwerpt niet kunnen aanpassen, dan zijn we mislukt.”

Waar ze haar menselijke focus vandaan haalde ? Thuis, bij haar Deense moeder en Britse vader. “Mijn interesse in de manier waarop ruimtes mensen beïnvloeden, dateert van toen ik erg jong was. De grote familie en het idee dat er rond onze tafel altijd plek was, trok mensen aan. De informaliteit en de warmte waren als een magneet. Wanneer ik andere woningen bezocht, die veel meer gecontroleerd waren, was ik me altijd zeer bewust van de temperatuur die meteen een aantal graden zakte.”

Ilse Crawford omschrijft zichzelf als “een designer, academicus en creatief directeur”. Die combinatie van denken en doen leverde haar de jongste jaren niet alleen opdrachten op voor zowel de rich and famous als voor de grote massa, maar ook een eredoctoraat aan de University of Arts in Londen. Haar interieurs en objecten zijn niet alleen bedoeld om ons functionele brein te prikkelen of het oog te strelen, maar ook de rest van ons lijf. Onze handen en mond als het om een kopje gaat waar we dagelijks uit drinken. Ons zitvlak, benen, dijen en rug als het stoelen of sofa’s betreft. Warm design. Laat de winter maar komen.

Dit artikel verscheen in oktober 2015 in Knack Weekend. Sinds deze zomer werk ik aan de Sinnerlig tafel. Ze stond toen al ergens ver verstopt in het warenhuis. Omdat Ikea zelf geen cijfers wil vrijgeven, besluit ik dan maar dat ze, gezien de quasi onzichtbaarheid in de winkels, misschien wel niet zo goed verkocht, deze collectie. Nu ik deze ochtend even op de website zocht, is er van de grotere meubels geen spoor meer…. Doet het kurk nog te retro aan voor de vijftigers en zestigers? 

ILSE CRAWFORD

• Studeert History of Architecture aan de London University.

• Wordt in 1989 de eerste hoofdredacteur van de Britse Elle Decoration.

• Richt in 1998 Donna Karan Home op in New York, enkele jaren later haar eigen designstudio, waar vandaag ongeveer 25 mensen werken.

• Doet de inrichting van interieurs, hotels, restaurants over de hele wereld, zoals Soho House in New York en de pas afgewerkte lounge van Cathay Pacific in Hongkong.

• Ontwerpt meubels voor onder meer De La Espada en Georg Jensen en dus Ikea.

• 2016 : Ontwerper van het jaar bij de vakbeurs Maison & Objet in Parijs.

Words to live by : Ode to Geert Bekaert

screen-shot-2016-11-14-at-10-56-10

The theme of this 25th edition of the Biennale Interieur is Interiors. How interiors are experienced and inhabited has been the subject of author Geert Bekaert’s writings since the 1950s. Contemporary critic and writer Christophe Van Gerrewey interprets Bekaert’s conclusions. A conversation about architectural criticism then and now. About how Belgians are living and building. And also about Pinterest and Instagram.

By Leen Creve

‘We view Interiors broadly,’ says OFFICE Kersten Geers David Van Severen, the cultural curators, about their choice for the overarching theme of INTERIEUR 2016. ‘From highly technological and ‘living’ spaces to artistic installations and total interiors. We want to offer a catalogue of a hypothetical world.’ With that premise in mind, we can’t help but think of that other curator, writer, historian and journalist: Geert Bekaert, who died a few months ago at the age of 88. The experiencing of spaces was crucial to him. Time for a conversation with an expert on his work: writer and professor Christophe Van Gerrewey.

Geert Bekaert and Biennale Interieur

Geert Bekaert was born in Kortrijk in 1928. When Interieur was founded in 1967 he was already a respected journalist and writer for De Linie, Streven, De Nieuwe Gids, Davidsfond, Lannoo and others. He was even hired as an advisor. Later he also wrote for the newspaper De Standaard, and he made films for the Belgian national public-service broadcaster VRT with director Jef Cornelis in the 1970s and 80s. In the meantime he taught at several academies and universities in Amsterdam, Delft, Maastricht, Eindhoven, Antwerp and Leuven. He was announced as guest of honour at the Biennale Interieur in 1988 – in between Philippe Starck (1986) and Andrea Branzi (1990) – and preceded to become president of Biennale Interview from 1991 to 2000. In 2008 Bekaert looked back at the operation on the occasion of its forty-year anniversary. Geert Bekaert passed away in September 2016.

Christophe Van Gerrewey on Geert Bekaert

“I first studied literature and then architecture. His writings were treated in my architecture course. It wasn’t until 2001, when I visited the expo of Xaveer De Geyter in De Singel, that my fascination for his work began. Geert Bekaert had written a text for that exhibition – in it he talks about the relationship between literature and architecture. I didn’t really understand that text and started reading his other work. I chose literature and architecture as the subject of my thesis, and after learning that Bekaert’s collected works were not all collected yet, I focused on that during my PhD. I compiled his texts in collaboration with Mil de Kooning, and from his writings I could read the history of architecture. I divided them into six time periods and six themes. First religion, then living, then society, because architecture went through an identity crisis in the 1970s. In the 1980s, there was a return to the past in postmodernism, causing history to become the main theme. Later, during the 90s, architecture became more openly regarded as a form of culture. If I were to summarize it now, I would say that architecture is becoming more (and forcibly so) political.”

 

I would like to start with a passage from a text written in 1994, on the occasion of the 25th anniversary of the Biennale Interieur. Geert Bekaert was president of the Biennale at the time. ‘The interior materialises anywhere, but is no longer tied to a place. Furthermore, it surpasses time by settling itself in its core. The most beautiful and unexpected aspect of this development in interiors is that it relates to its original meaning again: that it wasn’t tied to forms at all, but was the condition for as much freedom as possible for moving in and dealing with the world of human beings.’ Has he always described interiors in this way?

 

CHRISTOPHE VAN GERREWEY: Interiors can be viewed as the inside of a building, but on the other hand also as what is placed in that building: furniture and smaller elements, anything that is too small to be considered as architecture. He wrote about both of these viewpoints. But indeed, Geert Bekaert did attach great importance to the feeling that an interior can be the centre of the world for someone. An interior has an artificial and temporary character. But that doesn’t mean that it can’t be important. And personal. He also acknowledged that an interior might not exist anymore, because people are always on the move, living out of a suitcase. He once wrote that a hotel room is the ultimate and only true interior.

 

I think that this contradiction has always been present in his prefaces and texts about Interieur. In a 1968 text about the Biennale he wrote this: ‘Now Kortrijk appears with a whole new initiative: a biennale that, under the title Interieur, wants to offer an international confrontation of creativity in the field of interior architecture. What choice will be on offer? The fashionable diktats of the selection? Or absolute freedom? Asking the question in that way, they cannot choose either. If an initiative like the Biennale Interieur wants to be significant in any way, it can only do so by rejecting this out-dated dilemma through an honest search for the factual relationships between people and their interiors in this day and age.’ In this passage he emphasises that you should be free to put together your own interior.

 

Even though he was afraid of its potentially patronising character, he did acknowledge that every two years, Interieur is a moment for the public to question their interiors. In the 1960s it obviously still had much to do with the fight against the modernism and functionalism of the 1950s. And its stark trends and ways of living. Bekaert views Interieur as a moment to realise that there are alternatives to the prevailing standard – that this norm is not the only truth. He believes that this utopia is central to the Biennale Interieur.

Do you think that this role is still applicable to INTERIEUR 2016?

I think so. Today there are also norms and trends that aren’t given a second thought. Let me give an example: these days many people that are in their early sixties – my parents’ age – are renovating their bathrooms. These people aren’t necessarily involved with design, but they do pick up on things and are directed towards trends. Without thinking about it, they choose soulless, sleek bathrooms with square sinks: as soon as you turn on the tap, the water splashes everywhere. They don’t want to be viewed as old-fashioned by choosing a more practical, deep and round sink. They want to be up to speed with trends, even if their old bathroom was still perfectly functional. Interieur still shows alternatives to these norms and trends. There is still hope that it makes people look at their own interior and environment more critically. This is, and will remain, one of the raisons d’êtres of Interieur. But as a fair you never know whether you have succeeded. It is something that you propose to the public without knowing whether it will have any effect.

 

Was this looking for a balance between educating the public without being patronising something that Geert Bekaert was also concerned with in his own work?

Yes, that’s right. The dilemma of on the one hand showing good examples and on the other hand believing that people can make their own decisions has always been a part of his work. He thought his role was to confront people with the possibilities. But as a critic you need to be able to distinguish between the good and the bad at the same time. And to be able to explain why. Bekaert was very knowledgeable about this, but he did always try to clarify that it concerns a large audience and he tried to be as accessible as possible. He was both an academic and a television producer and journalist for a large audience.

 

Was Geert Bekaert unique in this respect?

In the field of architecture, yes. He wrote about architecture from the 1950s until about five years ago. And he always remained inquisitive. And flexible. He liked Charles Vandenhove, but was also one of the first to write about Rem Koolhaas. Many people didn’t understand this, and from a certain viewpoint it might be hard to understand. But he knew who mattered, and that made him a good critic and journalist. He literally wrote nearly every day and published 1,400 texts. These have been collected (by me, among others). And I used his writings to review fifty years of architectural history in my PhD dissertation. On the basis of his work I analysed that period in architecture and divided it into six themes (see text box). His faith in architecture makes him exceptional. He put architecture in perspective but at the same time ascribed it sacred properties. According to him, architecture has a considerable amount of influence on people. 

Where do you think that this belief in good architecture and design in Bekaert’s texts comes from?

Bekaert started working as a journalist for the newspaper De Standaard, when he was still a Jesuit. He was 18 years old when he joined the Jesuits, partly because they provided the best education at the time. He started writing in 1950, first about sculpture, then the modern architecture of churches. After that he increasingly wrote about architecture. His work always consisted of a very existential feeling that something might be at stake in architecture. When he started writing about living and interiors in the 1960s, some of these religious things stuck. They’re present in some disguised version. In 1968 he wrote a text entitled: ‘The sacred is the everyday’. In it, he tries to describe how you almost perform a church service at home. Every meal as a sort of Eucharist celebration. He kept writing about the importance of these kinds of sacred – or in any case meaningful – moments at home, even though he resigned from the Jesuits in 1974.

Bekaert notably didn’t interview many people? Or did he not publish these conversations in the form of interviews?

It is true that he didn’t interview many people. He did it sometimes, but actually he ended up not really considering what those people said. He preferred to look for what was going on in their work himself.

In what other ways is architectural criticism different than say 40 years ago?

I teach architecture theory at EPFL in Lausanne. My students think it’s odd that someone who isn’t an architect would write about architecture. In a way that’s a pity. Bekaert once published a text about Belgian architecture with the subtitle: ‘Thoughts from an outsider’. He thought that only an outsider could speak for the user of inhabitant. At the same time he was a spokesperson for architects who couldn’t or wouldn’t speak about their own work. The post-war, silent generation just constructed buildings without caring all that much. Even Stéphane Beel’s generation didn’t look for words to describe their own work. Today it’s almost indispensible to be able to communicate well as an architect, to state what you stand for as clearly as possible yourself.

How did Bekaert look at Belgian houses?

I found a text from 1989, entitled: ‘A journey through the jungle’. Bekaert’s conclusion in this text is that ‘the Belgian house’ does not exist. It has to be reinvented each time. This individualism, the ideal of the free ‘kavel’ (a housing subdivision of land), is typically Belgian. 

A recent survey by a construction firm showed that in 2016 the average Flemish person still dreams of a three-bedroom detached house in the countryside.

Yes and it’s striking that Bekaert resisted this quite strongly in the 1960s. He did become more lenient over the years, and in the 1980s he said: ‘If villas are the norm, then maybe we should try to make the best villas as possible.’ This theme is still relevant. Perhaps today is the time to look at the boundaries of this ‘verkavelingsdenken’ (thinking in subdivisions). Either way, we are starting to see its limits. The question is whether you can re-educate the public? Whose job is that? The Flemish Government Architect? Politicians? Is it possible to go against a national spirit or zeitgeist? It is a difficult discussion. And the same dilemma applies: patronising is probably not going to work.

Last question: Bekaert never wrote about it, but in contemporary interior architecture, Pinterest and Instagram play an important role. The photographs on those platforms literally inspire builders and renovators across the globe.

I might be a bit old-fashioned, but I believe that you can’t decorate a (living) culture just with imagery. You also need words. I regularly have that discussion. For me, images often say everything and nothing at the same time. I try to look at Geert Bekaert as an example in that sense. He always searched for a vocabulary to put the impact of architecture and design into words. In 2000, he wrote a text about designer Maarten Van Severen. The first sentence is: ‘Why is it that a work by Maarten Van Severen, a table, a chair or a cupboard, can be so captivating?’ Then he goes on in an attempt to answer that question with a profundity that has become rare. Page after page he tries to describe as meticulously as possible the effect that a piece of furniture like that can have – what sitting at a Maarten Van Severen table can mean.

Geert Bekaert was looking for a language to make things discussable and to weigh its pros and cons. The Internet is making this more difficult than before. You can find imagery that is repeated endlessly, but that – as is everything – is bound to a certain place and time. I see that even with architecture students. In the workshops they sometimes bring images for inspiration. But if you ask them to describe what they see, they hardly seem able to do that. That’s a problem. They might know that it is a building by Mies van der Rohe, for instance, but where, in what context, from which period and for which client? They don’t have a clue. So they can’t explain why the architect chose for that solution, right? The Internet is full of these types of context-free images. I think that now more than ever, we are in need of interpretation and context, in the same way that an author like Geert Bekaert provided them.

This article was first published in the Biennale Interieur 2016 catalogue