Categorie archief: design

Herfstwoontrend (4): I see faces

Over maskers. En handen.

Zijn het zo eenzame tijden dat we graag gezichten in huis hebben? Personages die deel uitmaken van ons leven, maar toch ook niet? Is het klassieke geschilderde portret stilaan vervangen door het een  variant in drie dimensies? In elk geval, ik zag veel gezichten de afgelopen weken. Op expo’s, maar ook in campagnebeelden van interkeurmerken. Mijn favorieten.

De maskers van Walter

Dé tentoonstelling van dit najaar is voor mij tot nu toe Powermask van modeontwerper Walter Van Beirendonck in het Wereldmuseum in Rotterdam. Inspirerend door de schitterende scenografie die hedendaagse kunst, mode en design samenbrengt met exotische, rituele en soms eeuwenoude maskers.  De expo loopt nog tot 7 januari, en er bestaat ook een al even inspirerend boek, mét de tentoonstellingsschetsen van Van Beirendonck.

Met open mond

Deze zomer kwam ik in Frankrijk deze vogelnestjes van de Brusselse artiest Eric Croes tegen. 

Ik bleef zijn werk volgen. Deze nieuwe geglazuurde vogelnestkastjes hieronder vind ik geweldig.

eric croes
eric croes

Schuursponsvrolijkheid

Designlabel Hay heeft niet alleen een reeks maskers om aan de muur te hangen, maar ook deze heerlijke schuursponsjes (vanaf 5 euro). Instant happiness toch?

Antimodernisme uit Denemarken

Werelberoemd in Denemarken, maar nu ook vlotter bij ons beschikbaar: het werk van Bjorn Wiinblad. Deze cache-pots bijvoorbeeld kenmerken ’s mans hyperdecoratieve stijl.

Handgemaakt

Ik zag personages à volonté in het atelier van Hilde Segers van Circaterra Céramique  in de Franse Pyreneeën. “Ik maak al lang schalen met personen, maar mensen blijven erdoor gefascineerd. Een ziel in huis, dat spreekt aan, zeggen ze.”

Hilde Segers, circaterra céramique

Ook hand gemaakt

Deze handen vormen een fruitschaal, van Harry Allen, te koop bij Domus Plus in Roeselare.

Domus PLus

Hands up

Dat ontwerper Jaime Hayon fan is van mannekes in zijn werk is geen nieuws, hij tekent ze overal op. Deze vaasjes voor BD Barcelona stralen zijn joie de vivre helemaal uit. Ik interviewde hem maar één keer, jaaaaaaaren geleden (11 jaar om precies te zijn) voor Knack Weekend en toen zei hij dit:

“Mijn rule number one is dat ik iets wil maken dat ik zelf graag zie. Ik kan niet liegen tegen mezelf. Ik zie ontwerpers die zeggen : “Onze taak is de industrie in stand te houden.” Zo denk ik dus niet : ik ben hier om gelukkig te zijn in wat ik doe. Niet om het probleem van anderen op te lossen. Ik wil kwaliteit en ik wil mijn dromen waarmaken. Mensen schreeuwen om nieuwe dingen, dingen die persoonlijkheid hebben en die een tijd meegaan.

Op uw 23ste werkte u al bij Fabrica, de creatieve communicatiedenktank van Benetton. U stond er vrij snel aan het hoofd van het departement design. Is dat geen contrast met…

(onderbreekt) Toen was ik mezelf niet. Ik leerde veel van fotograaf Oliviero Toscani. Hij heeft mijn derde oog geopend om dingen te zien. Maar ik verkoos om de positieve kant van het leven te zien. Hij toont de slechte realiteiten van de wereld. De gelukkigste en tegelijk de meest trieste dag van je leven, is de dag dat je beseft dat de wereld niet is zoals je dacht dat hij was. Dan krijg je een klap in je gezicht. En die klappen wil Toscani uitdelen. Maar ik wil mij niet in negativisme wentelen. (Brult in de cassetterecorder) : Ik wil vooral plezier hebben in wat ik doe.”

Hij zwoer toen nooit een Ikea-stoel te ontwerpen (wat hij tot dusver niet deed), en hij droomde luidop van een luxueuze rolstoel. (Ook voorzover ik weet nog niet gerealiseerd). Zijn vrolijkheid bleef.

Bd Barcelona

Novembre voor 1 november

Gufram (van de cactus) presenteerde deze limited edition versie van de schedelzetel Jolly Roger van Fabio November, een ode aan Mexico en diens traditie om op El Día de Los Muertos (1 november dus) de doden te eren. Handbeschilderd.

Gufram

Sculptuur achter de toog

Het was de mama van eigenaar en interieurarchitect Sam Peeters, Anny Dierckx, die dit sculptuur maakte dat in het gloednieuwe Antwerpse hotel Pilar achter de toog naar elke bezoeker kijkt.

Pilar

Guilty pleasure

Hierom vind ik Instagram en het wereldwijde web écht geweldig: er bestaat #iseefaces.

En ik volg @Shitgardens, ook een guilty pleasure.

Herfstbedenking

Over pepermolens en andere specerijen.

Ik moest twee keer kijken toen ik onderstaand beeld in mijn mailbox kreeg. Een hightech luidspreker van Sonos staat als een archeologische  vondst gepresenteerd tussen een reeks pepermolens. Wat hebben een luidspreker en pepermolens in hemelsnaam met elkaar te maken? (ja, ja  RHCP fans, ik hoor jullie)

Sonos luidspreker

Waarom? Waarom?  Waarom? Ik besloot niet te bellen naar Sonos, maar te proberen gissen waarom een art director deze setting koos. En ik kan wel enkele redenen opsommen.

Het pepermolenrek staat symbool voor allerlei zaken die op dit moment populair zijn in de interieursector:

  • Natuurlijke materialen? check (ook al lijkt het bij nader bekijken om ge-airbrushte molens te gaan, die misschien zelfs van karton kunnen zijn?)
  • Eenvoudige archetypische geometrische vormen in een soort van totem zoals de Memphis-stijl maar anders? check.
  • Link naar lekker eten? check.
  • Een verzameling curiositeiten gepresenteerd als in een wunderkammer? check.

Ik begon op pepermolens te letten. Op archeologische vondsten, typisch voor eerste beschavingen.  En ik vond ze zonder ver zoeken in hedendaagse interieurs en catalogi van populaire meubelmerken. Of wat dacht u van deze vijzel voor specerijen van het online merk Hem, geïnspireerd op een eeuwenoude molensteen en uit vier specifieke marmers uitgevoerd.

Pepermolen, maar dan anders, van Mark Braun voor Hem

Ook archetypisch is deze onderstaande vaas van het Franse merk Moustache, altijd goed voor een statement piece. De looks van terracotta, maar daar stopt het ook, want het gaat om geglazuurd keramiek. U krijgt zeven vazen voor de prijs van één (750 euro, wel). Hieronder gepresenteerd met een paar takken amarant, als ik Wikipedia mag geloven, een belangrijke voedingsbron voor zowel Inca’s als Azteken. En op dezelfde Wikipediapagina: een speciale soort van de amarant is ondertussen lekker bestand tegen glysofaat. Oersterk.

vaas van Jean-Baptise Fastrez voor Moustache

Onderstaande pepermolen van Ferm Living is “bruikbaar voor verschillende gedroogde kruiden”. Good to know.

Pepermolen van Ferm Living

Uiteraard blijven ook dé grote spelers niet achter: wie al eens graag een oerkruik in huis heeft, kan rekenen op Ikea. In de collectie Ypperlig ( een samenwerking met het Deense merk Hay die sinds enkele weken te koop is bij Ikea), vind je deze steengoedvazen, handbeschilderd bovendien.

De kruik van Hay en Ikea

Dé verklaring heb ik niet voor de populariteit van archetypische gebruiksvoorwerpen. Misschien is het een strategie van ons onderbewustzijn?  Dat kiest in overdaad aan voorwerpen voor wat het kent. Uit geschiedenisboeken, uit collectief verleden, uit de eerste beschavingen.

Misschien is het conflictvermijding? Ik geloof dat het in tijden van teveel ongevraagde meningen en ingewikkelde woonvormen slim kan lijken om voor een soort van grootste gemene deler te kiezen. Ikea onderzocht frustraties in huis en kwam tot de vaststelling dat bijna 1 op de 3 Belgen spullen van huisgenoten haat. “Rommel in huis is met ruime voorsprong de meest voorkomende frustratie. Toch vormt een gebrek aan opbergruimte niet het grootste probleem, maar wel of het om spullen van jezelf dan wel om die van huisgenoten gaat. Bijna 1 op de 3 Belgen haat het te moeten leven met bepaalde spullen van een huisgenoot (29%).” aldus het rapport.

Zijn deze eerder primitieve vormen dan gewoon veiligheid? Is het dan slim om te kiezen voor iets herkenbaar en universeel? Non-cultureel eerder dan multicultureel? Uit de vroegste beschavingen, toen de mens uit noodzaak gebruiksvoorwerpen bedacht. Toen peper nog peperduur was.  Genderneutraal bovendien?  Oef.

Of niet?  Eigenlijk is teveel generische witte producten design, hoe luxueus ook, eerder gevaarlijk. Vooral thuis. Want thuis, dat blijkt uit talloze onderzoeken, moet vooral de plek zijn waar je je veilig en geborgen moet voelen, of je huisgenoten dat nu leuk vinden of niet. Het begin van empathie en samenleven is dat.

Immers:  uit hetzelfde onderzoek van Ikea blijkt dat maar liefst de helft van de Belgen persoonlijke spullen verstopt voor huisgenoten, en dat vooral omdat ze denken dat de ander de waarde ervan niet kan inschatten (39%), omdat ze bang zijn dat huisgenoten het voorwerp kapot zullen maken (34%) of omdat ze zich ervoor schamen (32%). Die echte wunderkammer met objecten vol betekenis, denkt u daar even aan wanneer u aan het kerstshoppen gaat voor anderen?

 

 

Herfstwoontrend (3): Black Metal

We benoemden het eerder al aan: vettig is prettig.

Zachtroze, huidkleurig en elegant. Genderneutraal, halftransparant en melkachtig wit. Wolkjes, watjes en wol. Het is allemaal aanwezig in hedendaagse interieurbeelden. Maar… zoals elke fysica-leraar én elke yoga-juf weet: what goes up, must come down.

Ziehier de reactie op de roze wolk:   zwarte metalen en vettige en glanzende structuren. Alsof ze recht van de draaibank, de freesmachine of uit het olievat van de dichtstbijzijnde buurtgarage komen.  Geen steampunk of industrial chic. Of zelfs maar Game -of-Thrones. Gewoon: wat je ziet is wat je krijgt.  Niets meer, niets minder.  Want het leven, mijn beste, is geen eenhoorn-kamp.

Enkele voorbeelden:

Ikea Backig bordjes in zwart gerecycleerd glas
Ikea Backig
Keukenfrontjes van Norm Architecten voor  Reform CPH, zoals ik toegepast zag in de woning van Kelly en Arthur van Atelier Avondzon, de volledige reportage vind je deze maand in Feeling Wonen. Hier zie je  behandeld tombak (een legering van koper en zink). “Het mooie aan dat materiaal is dat het een gebruikspatine krijgt. Nu al zien we gouden gloed op de plekken waar we de keuken het meest aanraken.” 

Stelton viert de 40ste verjaardag van deze EM77 met een speciale black metal uitvoering
Freitag tassen en tasjes , gerecycleerde vrachtwagenhoezen, te koop bij Rewind Design in Antwerpen
Tom Dixon
Co.studio tekende deze dienbladen voor het RAS. XLBoom brengt ze nu in productie. Bestaat in messing, maar ik verkies dit speciaal zwart afgewerkte metaal.

 

Uit het archief: Unfold, interview uit 2012

Het duo Unfold is DESIGNER OF THE YEAR 2017. Waarom? Omdat ze vooruitlopen.  “Hun werk loopt vijf à tien jaar vooruit op de werkelijkheid”, kopt het ere-interview in Knack Weekend deze week.  Om dat te bewijzen: een interview uit 2012 in datzelfde Knack Weekend. Toen lag hun focus qua materiaal nog meer op keramiek dan nu. Maar het was wel hun basis. 3D-printen blijft hen uitdagen, daar bestaat geen twijfel over. Proficiat!

Porseleinprinters

De derde industriële revolutie is aangebroken, kopten magazines, kranten en websites enkele maanden geleden. Daarmee verwezen ze naar de opkomende alternatieven voor de klassieke industriële methoden, waarbij een fabriek identieke massaproducten aflevert. De alternatieven heten fablabs, 3D-printers en open source design. Ook in ons land is een jonge generatie designers met nieuwe productiemogelijkheden bezig. Unfold uit Antwerpen bijvoorbeeld, het bureau van Claire Warnier en Dries Verbruggen. Ze haalden als een van de vaandeldragers van de “nieuwe industriële revolutie” pas nog de voorpagina van de New York Times. Hun L’Artisan Electronique is een “pottenbakkersstudio in het digitale tijdperk met een virtuele pottenbakkersschijf en een keramiekprinter”. Concreet : door de handen voor een laser te bewegen, wijzig je een ronddraaiende 3D-tekening op een scherm voor je. Zodra je tevreden bent over het resultaat, druk je op de knop, waarna de printer met spuitkop laagje per laagje een vaasje of kopje van klei opbouwt. Unfold noemt het stratigraphic porcelain. Toen bij Knack Weekend een uitnodiging binnenviel om de keramiek- en glasfabrieken van Iittala (de oude industriëlen, zeg maar) te gaan bezoeken, leek het ons een goed idee om daar de jonge revolutionairen op af te sturen.

Hoe goed kent u het materiaal keramiek eigenlijk ?

Dries Verbruggen : Het is het oermateriaal, het eerste wat gebruikt werd om functionele objecten mee te maken. Het heeft een schijnbare eenvoud, maar toch is het een heel complex materiaal.

Complex ?

Claire, mijn vader en ik hebben een paar jaar avondschool keramiek gevolgd. Ik begreep nooit dat mensen hun leven konden wijden aan één materiaal, ik vond dat kneuterig, zeker keramiek. Maar toen zag ik dat het gewoon erg moeilijk is en erg veel ervaring vraagt om het goed toe te kunnen passen. Het is pure chemie.

Wat hebt u geleerd van die avondschool ?

De basis. L’Artisan Electronique hebben we alleen maar kunnen maken omdat we geen specialisten zijn. We kennen wat van klei, maar ook van de beginselen van elektronica, software en van 3D-tekenen. Als we met echte keramisten spreken over 3D-printen met klei, dan zeggen ze onmiddellijk dat het onmogelijk is. Vanuit hun praktische ervaring geven ze soms compleet nutteloze tips. Omdat we bij l’Artisan Electronique precies tegen alle logica en gewone methoden ingaan. Er zit een heel gat tussen keramiek als pottenbakken en keramiek als veelgebruikt technisch industrieel materiaal. Die kloof vinden wij zo interessant. Dat keramiek, met zijn historische en duurzame associaties, ook met nieuwe technieken gecombineerd kan worden.

Welke klei gebruikt u het liefst ?

Porselein, maar we zoeken constant. Als we productieklare objecten willen afleveren, hebben we iets anders nodig. Dat is niet zo simpel, we zijn al twee jaar bezig met porseleinrecepten. En dan stoot je op de onwaarschijnlijke kennis van mensen die er al hun hele leven mee bezig zijn. We zijn ook met keramiekfirma’s gaan praten, die vinden dat allemaal heel interessant, maar het zijn ook voor hen geen ideale tijden om te gaan experimenteren. We hebben bijvoorbeeld ook al tests gedaan voor het Architectural Association School of Architecture in Londen, om te zien of sommige ideeën toepasbaar zijn op betonstructuren.

L’Artisan Electronique heeft dus een rol in deze wereld ?

Ja, en daar zijn we blij om. We doen nu tests voor echte producten. We denken andersom : we maken eerst de machine en kijken dan waarvoor we die allemaal kunnen gebruiken. Ambachtsmensen moesten vroeger eerst hun tool kunnen maken vooraleer ze aan hun ambacht konden beginnen. Zwaardsmeden in Japan maakten hun eigen gereedschap, waardoor ze een andere stijl hadden dan hun collega. Digitale tools hebben die dimensie niet. Software wordt gemaakt door grote firma’s die natuurlijk op zoek gaan naar de grootste gemene deler. Het uitgangspunt van l’Artisan Electronique ging op dat probleem in : kunnen wij als klein ontwerpbureau een digitale tool maken die nuttig kan zijn, én toekomstgericht én persoonlijk ? Die analogie van de pottenbakkersschijf werkt wel. Er is in de klassieke ontwerpsoftware te weinig relatie tussen de acties die je doet met je handen en het resultaat. Er is qua handeling geen verschil tussen een gebouw ontwerpen en Facebook checken. Je klikt en je sleept met je muis en je doet maar.

Op de allereerste Designbiennale van Istanbul werden jullie gevraagd voor een tentoonstelling over veranderende machtsstructuren en ongewone productiemethoden. Jullie geloven erg in codesign waarbij consumenten hun goederen mee ontwerpen.

Ja, de keramiekprinter was daarop gebaseerd : mensen bedenken altijd dingen die je niet hebt bedacht als ontwerper. Als ontwerper leg je de grenzen en de esthetische stijl vast die zorgen dat het object zal functioneren, al de rest bepaalt de consument zelf. Je krijgt iets wat wij voor de helft hebben gedaan, de gebruiker zorgt voor de andere helft. Daar geloven wij in.

Hoe vonden jullie onze uitnodiging om naar Iittala in Finland te gaan ?

Ik was benieuwd. Ik had gedacht dat de productie vooral in het Oosten zou gebeuren en effectief wordt er in Thailand geproduceerd, maar ook in Helsinki. Daar zag ik een moderne fabriek, waarin geïnvesteerd is. Alle knowhow zit daar.

Bekijkt u als ontwerper zo’n fabriek op een specifieke manier ?

Ik ben geïnteresseerd in de rijke geschiedenis van zo’n merk, natuurlijk. We hoorden dat er bij een renovatie oude mallen gevonden waren, maar ze wisten nog niet wat ze ermee gingen doen. Dat intrigeert mij immens. Als je mij zou vragen wat ik het liefste zou ontwerpen voor Iittala, dan zou ik willen kijken naar wat er is aan structuren en geschiedenis en manieren van werken, eerder dan een nieuw kommetje te bedenken. Een object is het resultaat van een proces, en vooral dat proces interesseert ons : bedrijfsstructuren, tradities, copyrights,… Het dorp dat we de dag daarna bezochten bestaat volledig uit ontwerpers en glasblazers, daar voel je gewoon de chemie, maar toch vind ik dat Iittala daar te weinig mee doet.

Hoe zou u de bestaande collectie aanpakken ?

Die nieuwe reeks Sarjaton is ontstaan uit het idee dat mensen geen volledig servies meer kopen, maar dat ze moeten kunnen mixen en matchen, en telkens stukken kunnen bijkopen die erbij passen. Maar was het misschien ook niet interessant geweest om de hele Iittalacollectie te bekijken en waar nodig schakels te versterken, in plaats van toch nog een nieuwe lijn uit te denken ? Ik kreeg ter plekke een boek over hun jarenlange huisdesigner Kaj Frank. Een van zijn eerste opdrachten was precies een set samenstellen voor mensen met een lager inkomen. Hij had echt goede ideeën om dingen bij elkaar te doen passen. Er zit zoveel in de geschiedenis in dat bedrijf, het ligt er gewoon om te rapen.

U bracht hen zelfs een cadeau mee ? Een kopie van hun Aaltovaas ?

Ja, dat was het resultaat van een van onze recente projecten, onze Kiosk, een bakfiets met een 3D-printer in en een 3D-scanner. Het idee is dat we ermee naar exposities of winkels rijden en dan dingen kopiëren en ze voor de deur op straat verkopen. Het is een provocerend idee, we zijn niet voor of tegen kopiëren, we tonen gewoon hoe simpel het is. 3D-printers worden almaar goedkoper, wie weet kan iedereen zich over vijf jaar thuis eentje permitteren ? Muziek, film, foto’s, allemaal sectoren die al gedigitaliseerd zijn, nu is het de beurt aan echte objecten. Een paar maand geleden heeft Piratebay ook een afdeling toegevoegd voor fysieke goederen. Het ís er gewoon. Weinig ontwerpers en fabrikanten zijn daarmee bezig. Ze steken hun kop in het zand en zeggen dat de kwaliteit toch nog te laag is en zo. Dat zijn dingen die men ook over muziek- en filmkopies zei.

In de Kiosk hadden we dus van een glazen Aaltovaas een plastic kopie gemaakt. De 3D-tekening daarvoor hadden we gewoon online gevonden. Iedereen kan ze online vinden. Dat is de realiteit. Dus, dan zou Iittala toch beter dat model op hun eigen website gratis beschikbaar stellen ? Dan heb je het zelf in de hand hoever mensen ermee kunnen spelen bijvoorbeeld door de wanddikte aan te laten passen. Dan combineer je echt het ambachtelijke en het digitale. En heb je een marketingtool en websitebezoekers.

Kreeg u nog andere ideeën bij uw bezoek ?

Ik zag de arbeiders vazen blazen in een stalen mal. Vakmannen die perfect hun job kennen, maar aan de lopende band dezelfde perfecte vaas maken. Wat verderop zagen we een volledig geautomatiseerde robotarm ongeveer dezelfde handelingen uitvoeren. Daar werd snel aan voorbijgegaan, dat werd blijkbaar als iets negatiefs beschouwd, ‘mondgeblazen’ klinkt toch net wat romantischer. Maar ik ben net gefascineerd door machines en door de vraag hoe je een machine ook het recht kan geven op kleine onvolmaaktheden zoals een vakman ?

DOOR LEEN CREVE

ID UNFOLD

Als jonge designstudenten ontmoetten Claire Warnier en Dries Verbruggen elkaar in Eindhoven, aan de Design Academy. Exact tien jaar na hun afstuderen hebben ze niet alleen hun handen vol met twee jonge kinderen, maar ook met hun goed draaiende ontwerpstudio. Ze werkten onder meer al voor Jaga, Heineken, Nederlands Architectuur Instituut, Middelheim Museum en Unilever. Claire was een tijdlang curator in Z33 in Hasselt en Dries geeft les aan Sint Lukas in Brussel en aan de Design Academy.

Dit artikel verscheen in oktober 2012 in Knack Weekend. Op 26 oktober 2017 ontving het duo de prijs van DESIGNER OF THE YEAR. Lees het artikel met Unfold in Knack Weekend van deze week, door collega Thijs Demeulemeester,  hier. Er loopt nu een expo bij Bank Delen in Antwerpen. Die verhuist  op 27 oktober naar het Design museum Gent.

 

Interview : Rotor DC (2/2)

Wat? Deuren, lampen, of zelfs lavabo’s  uit het stadhuis van Antwerpen zijn te koop? Online dan nog wel. Als dat geen verhaal is voor de kleinkinderen weet ik het ook niet. Wie dat mee mogelijk maakt?  De schelmen van Rotor Deconstruction uit Anderlecht natuurlijk. Ik interviewde hen het afgelopen jaar al twee keer. Hieronder het meest recente interview, uit Knack Weekend in juni 2017. Dat voor Flanders DC in januari, toen ze de Henry Van de Velde Award Bedrijf 2016 mochten ontvangen,  vind je hier

Al twaalf jaar geven ze gebruikte bouwmaterialen een tweede leven. Miuccia Prada is fan, Rem Koolhaas ook. We zijn amper halfweg 2017 en ze kregen al een belangrijke designprijs, leverden een exporuimte af, begonnen les over afbraak te geven aan de Technische Universiteit van Delft en verhuisden naar een nieuw kantoor mét showroom. Kortom, Rotor draait goed.

Ontwerpcollectief Rotor geeft gebruikte bouwmaterialen een tweede leven

Maarten Gielen (links) en Lionel Devlieger tussen het stenen aanbod op het terrein van Rotor in Anderlecht. © Fred Debrock voor Knack Weekend

Wanneer bij de doop van hun nieuwe hoofdkwartier in Anderlecht de fles schuimwijn niet kapot spat tegen de gevel, haalt Maarten Gielen een aansteker boven, brandt het touwtje door, schudt de fles en spuit de bubbels op de gevel. “Zo, wie wil er een glas?” Even nuchter en praktisch als op dit feestelijke moment, voert hij samen met Lionel Devlieger sinds 2005 het ontwerpcollectief Rotor aan. Terwijl er wordt geklonken, herhaalt hij hun hoofdbekommernis. “Zeshonderdduizend ton bouwmaterialen wordt jaarlijks als afval uit Brussel afgevoerd. Achthonderdduizend ton bouwmaterialen wordt ingevoerd. Zou het niet beter zijn om die bouwmaterialen in Brussel te hergebruiken?” En meteen voegt hij er – alweer nuchter – aan toe: “Onze bijdrage is bescheiden: wij halen voorlopig 0,1%. Maar we zorgen voor toegevoegde waarde: we werken met lokale leveranciers, aannemers, transporteurs… Hergebruik werkbaar maken is het verhaal van de kip en het ei. Architecten en ontwerpers die met tweedehandsmaterialen willen werken kunnen dat alleen maar als er een dienstverlening is. Die dienstverlening, wij dan, kan alleen maar overleven als er ook klanten zijn.” Vroeger overleefde Rotor op onderzoekswerk rond hergebruik van industriële bouwmaterialen, daarna bouwden ze artistieke presentaties van gebruikte materialen en nog later werden ze een echt demontagebedrijf. Nu breken ze voornamelijk kantoren af, inventariseren slim, stockeren en verkopen door aan ontwerpers en architecten. Of ze bouwen er zelf interieurs mee.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels. © FRED DEBROCK voor Knack Weekend

“Wij werken niet met afval”, verduidelijkt Maarten Gielen bij een rondleiding door hun nieuwe plek. “Wij zijn het afval voor: wij hergebruiken de componenten zoals ze zijn. We gaan ze niet versmelten of vermalen. Wat goed is, moet je als dusdanig kunnen gebruiken : een tegel, een wand, een plafond… We maken hoogstens schoon en herverpakken. Kijk, twee à drie keer per week krijgen wij de sleutel van een gebouw. Alles wat wij er niet uithalen gaat naar de sloop en de afvalberg. Maar we zijn realistisch. Wij weten dat een architect en aannemer een serieuze verantwoordelijkheid nemen en dus betrouwbare materialen willen.”

NÉT NIEUW

Hun team van zo’n twintig ontwerpers, architecten, arbeiders en ingenieurs is opgesplitst in twee bedrijven: Rotor zelf, dat het onderzoekswerk levert en Rotor DC. “Wij zijn drie in één”, vertelt Lionel Devlieger: “Architect, die de waarde en de bruikbaarheid van de materialen inschat op een af te breken werf. Tezelfdertijd aannemer, die weet hoe de demontage praktisch kan verlopen zonder dat er bijvoorbeeld schroeven kwijtraken. En ten slotte ook verhuizer.” In Anderlecht zit iedereen samen op één plek. “Handig, onze ontwerpers kunnen letterlijk komen shoppen in de showroom en het depot”, lacht Lionel.

De klanten zijn divers: schattenjagers die helemaal wild worden van bijvoorbeeld een jarenvijftigtegel van Lucien Engels. “Veel handelaars zijn actief in rustieke materialen zoals parket, marmer of schouwen, of meer industriële materialen zoals baksteen en stoer metalen fabrieksmeubilair. Maar wij houden het veeleer modernistisch”, vindt Maarten Gielen. Een tweede groep klanten bestaat uit architecten en ontwerpers die unieke, goedkope of ecologische interieuroplossingen zoeken, zoals binnenwanden, brandwerende deuren, wastafels, plafonds of tegels. “Daar telt prijs én ecologie mee.” Een opvallend nevenprojectje is Ditto: gereinigde klinken, scharnieren, schroeven en moeren, die in twee gewone doe-het-zelfzaken netjes verpakt naast de nieuwe onderdelen te koop liggen.

De week na de opening starten Lionel Devlieger en Maarten Gielen met doceren aan de Technische Universiteit van Delft. “Hoe tof is het om aan architecten, opbouwers per definitie, eens les te geven over afbraak!”

rotordb.org en rotordc.com

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels. © FRED DEBROCK voor Knack Weekend

PROJECTEN IN 2017

1. Tegels, Gent en Anderlecht

“Tegels houden ons al een tijdje bezig. Een van de eerste projecten waar door ons gerecupereerde tegels gebruikt werden, was in 2015, door Doorzon Interieurarchitecten in de winkel Moor & Moor in Gent. Onlangs ontmantelden we interieurs uit een universiteitsgebouw in Luik. Duizenden vierkante meters keramische tegels lagen er, per kamer telkens volgens een ander patroon geschikt. In de winkel hebben de architecten die tegelpatronen speels gecombineerd. Die tegels uit Luik hebben we volgens een zelf ontwikkelde methode gereinigd. Ze zijn in perfecte staat en kunnen voor een zeer redelijke prijs worden verkocht. We stelden dat reinigingsproces deze winter voor op de expo Manufactuur in Z33 in Hasselt. We ontvingen net een economische beurs om uit te zoeken hoe we dat semiautomatisch kunnen doen. Een van de hangars hier zal daarvoor gebruikt worden.”

TEGELS, Gent en Anderlecht

TEGELS, Genk, Hasselt en Anderlecht © Z33

2. Mad, Brussel

“We ontwierpen samen met architecten V+ het nieuwe MAD, een grondige transformatie van drie panden. Hier geen recuperatiematerialen, alles is nieuw en wit. We kozen wel voor materialen die aan iedere oppervlakte een aparte textuur en karakter geven, want wit is nooit gewoon wit. We staken er ook knipogen in naar typische materialen van openbare ruimten. De zwarte Pirellivloer, zoals in Brusselse metrostations, vind je hier bijvoorbeeld in het lichtgrijs.”

MAD, Brussel

MAD, Brussel

3. Bar Rural, Parijs

“Zelf zijn we helemaal wild van gelijmde, gelamineerde spanten van 25 of 30 meter lang die gebruikt worden voor de structuur van sporthallen en zo. Die maken wij bij de afbraak handelbaar door ze te verzagen in de lengte, maar ook in de breedte. Je kunt er zoveel mee doen. Ontwerper Lionel Jadot heeft er in een bar in Parijs een soort Flintstones-achtige tafels van gemaakt. Dat kunnen wij nooit verzinnen. Wij maakten er zelf een eettafel van voor onze kantoorkeuken. De oneffenheden vulden we op met op maat gefreesd inox. Lionel Jadot komt geregeld materialen bij ons kopen, ook bijvoorbeeld voor ijssalon Gaston of voor Cohabs in Brussel.”

BAR RURAL, Parijs

BAR RURAL, Parijs © ISABELLE KANAKO

Interview : Rotor DC (1/2)

Consistentie en gezond verstand. Zie daar het geheim van Rotor. Sinds 2005 concentreert dit Brusselse collectief zich op één zaak: het hergebruik van hoofdzakelijk bouwmaterialen. Vanuit elke hoek bekijken ze de zaak: theoretisch en esthetisch, maar ook politiek en cultureel. En vooral: praktisch.

In zijn werkbroek begroet Maarten Gielen mij. “Ik kom recht van een werf”. Samen met Tristan Boniver, Michaël Ghyoot en Lionel Devlieger richtte hij in 2005 het collectief Rotor op. Eerst doken ze in de industriële afvalbakken van Brusselse fabrieken en maakten er een database van zodat ook anderen al dat bruikbaar materiaal konden vinden. Ze ontdekten dat er ook schoonheid te vinden was en gebruikten mooi afval om hun boodschap “waarom weggooien wat eigenlijk perfect bruikbaar is?” kracht bij te zetten op tentoonstellingen in Duitsland en op de Architectuur Biennale van Venetië. Ze charmeerden niet alleen Miuccia Prada die hen uitnodigde om iets te doen met haar stock catwalks, maar ook Rem Koolhaas die hen inviteerde om door het archief van zijn bureau OMA te gaan. Ze werden curator van de Architectuur Triennale in Oslo en publiceerden een kritisch boek over duurzaamheid. Ze leverden studierapporten af, richtten gebouwen in en werden als adviseur ingeschakeld door overheden en bedrijven. Ze richtten de website opalis.be op waar aannemers en architecten een adressenlijst vinden met herbruikbaar bouwmateriaal. Bedachten nog een zeer toegankelijke expo in Luik n.a.v. de laatste designbiënnale Reciprocity. En zo’n twee jaar geleden lanceerden ze Rotor Deconstruction: een, zeg maar, afvalverwerkend bedrijf. Het verklaart de werkbroek van Maarten. En het verklaart waarom Rotor ondertussen 20 mensen in dienst heeft: de helft architecten, onderzoekers en ontwerpers, de andere helft arbeiders. En soms wordt de ene onderzoeker, en de andere arbeider.

In 2013 werd Rotor gecontacteerd door een groot kantoorvastgoedbedrijf dat jaarlijks enorme oppervlakten verbouwt. Het bedrijf wilde weten of Rotor iets kon doen met de materialen die vrijkwamen. Maarten Gielen: “We maakten een inventaris van wat er in die gebouwen zat en begonnen mogelijke bestemmingen te zoeken. Omdat het bedrijf wilde dat wij budgetneutraal werkten, onderzochten we welke materialen genoeg waarde hadden om hun eigen demontage te financieren. Het waren er flink wat, zo bleek. Dat model hebben we behouden in Rotor Deconstruction. In het begin hadden we geen depot, en vervoerden we zaken rechtstreeks van afbraak- naar opbouwwerf. Nu hebben we een hybride model. Een groot deel van wat we verzetten passeert niet meer langs de depot. Dat is in volume en gewicht zeker het grootste deel. Het heeft geen zin om betondallen twee keer te verhuizen. Dan worden ze te duur. Maar aan de meest waardevolle stukken kan je waarde toevoegen door ze aan de juiste mens op het juiste moment in de juiste omstandigheden te verkopen.”

Ontmanteling van het BNP Paribas Fortis hoofdkantoor Brussel - Foto RotorOntmanteling van het BNP Paribas Fortis hoofdkantoor Brussel – © Rotor
Restauratie van het gebouw voor Civiele Bouwkunde (Val Benoits Spl) - Foto: Olivier BeartRestauratie van het gebouw voor Civiele Bouwkunde (Val Benoits Spl) – © Olivier Beart

 

LEGO

Rotor Deconstruction is bijna hoofdzakelijk in kantoren aan het werk en dat is logisch, vindt Maarten: “In Brussel is de standaardpraktijk voor de betere kantoorgebouwen op het einde van een huurcontract meestal zo dat je de kantoorruimtes opnieuw casco achterlaat. Dat levert een enorme turnover aan materialen op. Ondertussen werken we ook voor de vijf grootste concurrenten van dat eerste vastgoedkantoor. Omdat het systeem werkt.”

Maarten vergelijkt een modern kantoorgebouw met een grote Lego. Er wordt aan systeembouw gedaan: een deur of muur wordt honderd keer herhaald. “Veel materialen zijn ontworpen om verplaatsbaar te zijn en moeten meerdere keren ingezet kunnen worden. Een droom voor hergebruik, want daarmee kunnen architecten meteen aan de slag. Maar door het ontbreken van een markt voor die materialen loopt het meestal systematisch fout.” “Omdat de operatoren ontbreken,” vult Lionel Devlieger aan. “De aannemerswereld is gericht op het leveren en plaatsen van materialen. Aannemers die enkel de verplaatsing doen van werf naar werf bestaan niet.” Rotor doet dit wel. “Het probleem is dat je drie types vaardigheden nodig hebt,” duidt Maarten nog. “Enerzijds een architect die de waarde en de bruikbaarheid van een component inschat. Anderzijds de aannemer die weet hoe de demontage praktisch kan verlopen en wat hiervan de kostprijs is. En tenslotte ook de expertise van een verhuisfirma. Veel schade aan materialen gebeurt nadat ze verwijderd zijn uit de gebouwen. Wat is bijvoorbeeld de juiste manier om een grote hoeveelheid glazen platen te vervoeren? Daar kruipt heel wat denkwerk in. Er is dus de verhuisfirma, de aannemer en de architect, maar er zijn weinig bedrijven die de kennis van de drie samen combineren. Dit is onze metier. Wij nemen zo’n zes à zeven keer per week een inventaris van een gebouw. Voor ons is het nuttig om daarvoor dan een app te ontwikkelen die dat sneller en efficiënter doet. Daarin worden foto’s, afmetingen en opbouwinstructies opgeladen, krijgt alles een barcode en kan het vertrekken. Andere aannemers of architectenbureaus ontwikkelen dat niet voor één werf.”

Veel concurrentie heeft Rotor niet. Enkel voor de meer rustieke en nobele bouwmaterialen is die er wel. Parket, marmer of schouwen bijvoorbeeld worden gebracht naar handelaars die hierin gespecialiseerd zijn.

Het magazijn in Vilvoorde (detail) - Foto RotorHet magazijn in Vilvoorde (detail) – © Rotor
Uit de sloop geredde deuren - Foto RotorUit de sloop geredde deuren – © Rotor

 

KLINKEN IN PLASTIC ZAKJE

Afbreken is één, maar opbouwen en klanten vinden is de andere kant van het Rotor Deconstruction verhaal.

“Enerzijds heb je te maken met bijna antiek, heel klein in volume, maar heel hoog in waarde, zoals lampjes van Jules Wabbes, kapstokken, chique kantoormeubilair… Dat verkopen we via onze eigen website, of soms zelfs via veilinghuizen. Anderzijds heb je grote volumes van materialen met een eerder lage waarde. Zo voeren we gebruikte plankenvloeren van de Muntschouwburg af naar een winkel met ecologische bouwmaterialen. Daar staan ze in de rekken tussen andere werfplaten en worden ze door aannemers gekocht om ramen tijdelijk af te sluiten, een vloer te beschermen of als bekisting voor een betonnen balkje of zo. Klein beslag zoals klinken van deuren en kastjes poetsen we op, steken we in een plastic zakje en daar plakken we een barcode op. Die hangen hier in Brussel in materialenwinkels naast nieuwe producten, aan een iets betere prijs. Een product is ook een hele dienstverlening. Als je dertig kilometer moet omrijden voor een klink, dan doe je het niet, maar als je de keuze zo dichtbij hebt, dan werkt dat wel. Er zijn uiteenlopende motiveringen bij klanten. Soms is het puur economisch, maar even goed kan een ecologische overtuiging de doorslag geven, of de erfgoed- of culturele waarde.”

Ditto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag - Foto RotorDitto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag – © Rotor
Ditto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag - Foto RotorDitto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag – © Rotor

 

DESIGN&BUILD

“Wij blijven een ontwerpbureau en vinden ook dat aspect erg belangrijk. We bouwden bijvoorbeeld de Parodi boekenwinkel in Brussel met materiaal uit verschillende gebouwen in Brussel en Gent. En in 2018 zullen we de nieuwe kantoren van de Sociale huisvestingsmaatschappij De Zonnige Kempen inrichten. Opmerkelijk is dat we werken volgens het design&build principe: we zijn én ontwerper én bouwer, een veelbelovend principe in de context van hergebruik. Binnen het geijkte stramien van een overheidsopdracht bijvoorbeeld wordt eerst een ontwerper aangesteld, die materialen kiest en een bestek opmaakt. Vervolgens maken meerdere aannemers een offerte en wordt de meest voordelige gekozen. Wij vinden het echter veel interessanter om ontwerp én bouw in één offerte te laten meedingen. Voor kantoorgebouwen zouden we dan kunnen zeggen: dat materiaal hebben we, we kennen een aannemer die met dat materiaal kan werken en wij stellen een inrichting voor. Dan krijg je de beste prijs/kwaliteit verhouding.”

Dat een simpele prijsvraag soms volstaat, merkte Rotor toen UGent hen vroeg om mee na te denken over een nieuwe bestemming voor de boekenrekken uit de Boekentoren die door Robbrecht & Daem gerenoveerd wordt. “In de eerste plaats vroegen ze of we niet geïnteresseerd waren in een deel van de rekken. Maar die rekken werden samen met het gebouw geplaatst. Het is zelfs zo dat het ritme van de kolommen van het gebouw aangepast is aan de standaardmaten van die rekken en niet andersom. Het probleem was dat die rekken voor de verbouwing moesten verwijderd worden. Een klassieke aannemer zou serieus doorrekenen om de rekken te demonteren, te stockeren en weer aan te leveren, precies omdat hij niet meteen een oplossing weet. In de eerste besparingsronde wordt dan logischerwijze afgezien van deze piste en worden er gewoon nieuwe besteld. Wij stelden voor om een aparte prijsvraag te maken voor de rekken. Onze prijs van zorgvuldige ontmanteling, inventarisatie, demontage, stockage en montage werd vergeleken met een offerte voor nieuwe rekken. En wat bleek? De bestaande rekken hergebruiken was concurrentieel tegenover de aankoop van nieuwe rekken. Een deel van de recentere boekenrekken uit de toren zijn wel verkocht en in heel wat woonkamers terecht gekomen.

Een heel ander soort erfgoed kwam Rotor tegen in Wallonië. Maarten: “In Luik hebben we een universiteitsgebouw ontmanteld waar duizenden vierkante meters keramische tegels lagen, per kamer telkens volgens een ander patroon geschikt. Een derde kon gered worden. Dat zijn we nu aan het reinigen volgens een eigen ontwikkelde methode. De tegels zijn in perfecte staat en kunnen aan een heel redelijke prijs worden verkocht.

En dan wil Lionel het toch nog even hebben over een van de belangrijkste argumenten voor hergebruik van bouwmaterialen: de embodied energy. “Die tegels werden in de jaren dertig geproduceerd bij Cerabel (Henegouwen), in ovens met extreem hoge temperaturen waarbij veel CO2 is vrijgekomen. Voor ons dragen die tegels CO2 in zich. Wanneer wij die tegels hergebruiken, sparen wij al die CO2 uit die niet meer opnieuw vrijgemaakt moet worden voor een nieuwe vloer. Die tegels zijn nog perfect en lang niet afgeschreven, ook al zou een econoom dat natuurlijk wél al lang zo omschreven hebben.”

Dit interview verscheen naar aanleiding van de  Henry Van de Velde Award die Rotor DC kreeg in 2016. Lees hier een interview van een half jaar later in Knack Weekend.

 

Herfstwoontrend (2) : Calder achterna

Een oogvijs in het plafond draaien, en er iets aanhangen, er bestaat amper een simpelere manier om een ruimte aan te kleden (los van gordijnen dan). Sculpturale mobiles à la Calder zijn ongelooflijk populair dezer dagen. Als lampen, als kamerplanthouder, of gewoon als mobile. Meestal simpel zwart, maar soms ook in felle kleuren. Evenwichtsoefeningen in huis, de ideale metafoor voor het eeuwige zoeken naar de work-life balance?

 

Atelier Haussmann
Artemide
Cappellini
DePadova
Hay, zelfdovende kandelaar.
Michael Anastassiades voor Flos, volgend jaar in productie
Multiplex, ooit ontworpen door Charles en Ray Eames, nu in productie bij Vitra.
Lambert & Fils in de vitrine van Conran shop in Parijs, voor de Paris Design Week die deze week plaatsheeft

Herfstwoontrend (1): Waterverf

Dat blurry dezer dagen trendy is in woningen, schreef ik al begin dit jaar. De trend lijkt zich grondig voort te zetten. Net voor de zomer liet Pinterest weten welke zoektermen veel gebruikt werden en “watercolour” bleek een van de meestgezochte termen (naast multiplex keukens, groene tegels en planten voor de badkamer).

Geen gemakkelijke trend om thuis te proberen, maar voor de durvers: hierbij wat inspiratie.

 

Gespot in het trends nummer van Elle Decoration van Augustus: deze muur uit stampleem in een woning van architecte Tatiana Bilbao, in Mexico. foto Iwan Baan.
uit de najaarscollectie van Stelton, die u kent van de koffiekannen
Stelton kaasmes
Enigma, het nieuwe restaurant van Albert Adria, door Pritzker Price winnaars RCR Arquitectes. Een 3D aquarel, alsof u in een bevroren landschap zit te eten.

In Enigma in Barcelona mag u foto’s maken, maar enkel voor privégebruik. En zonder flash. Het is het antwoord op de allereerste FAQ op hun website: “mag ik fotograferen of filmen tijdens het eten?” Die staat nog voor de vraag hoelang een etentje duurt en nog voor alle vragen over allergieën.

Soft Ice plate uit de nieuwe Hay Kitchen lijn, binnenkort ook bij ons te koop
Liquefy tafel van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Liquefy van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Bubble glass objecten van Ferm Living, beschikbaar vanaf midden oktober
AMPM van La Redoute

 

Bump collectie van Tom Dixon, net voorgesteld op Maison & Objet
Le Creuset, lees mijn artikel over millennium pink hier.
tapijt van Christophe Hefti, op dit moment te zien bij Galerie Maniera in Brussel

Picture Perfect (4) : Hybrides in de regen

Lancaster stoel van ontwerper Michael Young voor Emeco Chairs, toegepast in het interieur van The Line Hotel in Los Angeles, door interieurbureau Knibb Design

Veel namen. Die leest u onder deze foto. Er is de man die de stoelen tekende: Michael Young, een industrieel designer, fan van metalen en van Azië, waar hij een studio heeft.

Emeco Chairs, de Amerikaanse makers van de lichte aluminium Navy Chair is de fabrikant en het merk dat deze stoelen op de markt brengt. Op hun Instagrampagina zag ik dit beeld afgelopen zomer. Emeco is gespecialiseerd in het gieten van aluminium en maakten  dus de gepolijste gerecycleerde zitting en rugleuning. De houten poten van deze stoelen werden gemaakt door een toeleverancier, een Amish schrijnwerker uit de buurt van …  Lancaster in Pennsylvania.

De combinatie van gegoten aluminium en blank hout vormt een wat atypische hybride. Een combinatie van een industrieel en een eerder ambachtelijke techniek. Van een spiegelend en een mat materiaal. Van hard en zacht. De mix met het blinkende aluminium maakt deze eenvoudige stoel visueel levendiger dan een puur houten stoel (ook wel kouder aan de poep, maar dat terzijde. Er is ook een kussentje beschikbaar voor wie daarover zou zeuren zoals ik).

Michael Young legde het in 2010 zo uit, toen hij de stoel ontwierp:  “I have worked extensively with the aluminium manufacturing process recently, and with some of the best equipped factories in Asia. I was looking at the ways to join other materials with aluminium over the last few years and thinking about a chair. I feel passionate about working with natural materials that live for ever; wood and metal are really the materials that connect to the human.  So there was no question that the richness of their ageing processes would be a perfect combination. I felt that using wood would create a softer edge to a product whilst the aluminium would speak to its sophistication and heritage.” Rijkelijk en stijlvol ouder wordende stoelen,  wie wil dat nu niet?

In elk geval hebben de ontwerpers van Knibbdesign de visuele tegenstelling helemaal uitgespeeld toen ze de Lancasters voor dit interieur bestelden. Ze plaatsten de stoelen met glanzende zitting op een minstens even blinkende vloer. Hoewel die donker is, reflecteert die het licht overvloedig, zodat een  fijne warme gloed ontstaat. Alsof er net een dikke verlossende regenbui gepasseerd is op een  hete zomerdag.

Het is een vloerafwerking die in huiselijke setting niet evident is,  maar die hier goed werkt, in een restaurant van The Line Hotel in Los Angeles.  De breuk met de  brave Scandinavische stijl is -althans in hotels, restaurants en café’s – al een tijdje geleden ingezet. Rijkelijk, gesofisticeerd, glamoureus zijn woorden die in menig nieuw hotel, bar of restaurant van toepassing zijn. Probleem is dat de nieuwe art-deco-interieurs al gauw een soort decor worden waar je eerder kostuumdrama’s ziet plaatsvinden dan ongedwongen etentjes. Toch is chic hier niet stijfjes.

Misschien ligt het geheim van de warmte van dit beeld (ondanks het koude aluminium aan de poep) wel in de nuchterheid van de houten stoelpoten?  In het muntgroen dat de voorbije jaren furore maakte in hedendaagse interieurs? Of in de geruststellende messing theepot op de houten tafel? Of misschien  toch in de zachtgele verf, met spons op de muur aangebracht? Helemaal zoals in de jaren negentig….

In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

PS: Dit beeld toont trouwens een andere trend die op kousenvoeten nadert: na messing,  brons en koper is het weer tijd voor chroom,  inox, gepolijst aluminium (zoals hier) of gewoon simpel spiegelend glas. U weze gewaarschuwd.

No Pictures Please (5): Millennial Pink blijft

De eenhoorn, zeepbellen, regenbogen en bloemenkransen. Wie uit de eerste flowerpowergeneratie had kunnen voorspellen dat ze zo hip zouden zijn bij tieners dezer dagen? En wie had tien jaar geleden durven te beweren dat meubelmerken en masse roze sofa’s op de markt zouden brengen? “Roze is het nieuwe zwart”, verklaart kleurexpert en trendwatcher Hilde Francq al jaren. “De kleur is niet langer kinderlijk. Roze is volwassen geworden.”

Hoe is dat zo gekomen?

“Door de kredietcrisis. Harde tijden zijn immers de ideale voedingsbodem voor roze. Uit onderzoek blijkt dat mensen in de Verenigde Staten en Europa die kleur associëren met gevoeligheid, tederheid, zachtheid, zoetheid en de kindertijd. Exact waar ze nood aan hebben in tijden van crisis.”

Waar kwam dat roze eerst voor?

“Niet in de mode, maar in de interieursector. Het Nederlandse ontwerpduo Scholten en Baijingslanceerde pastelkleuren, en ook de Bouroullec-broers pikten het snel op. Ze gebruikten naar eigen zeggen ‘een verschrikkelijke rode daad samen met een verschrikkelijke witte draad’ voor een soort gebreide stoel voor Vitra, die dus roze uitviel. De Scandinavische meubelmerken volgden snel. Pas daarna was het aan de mode: Raf Simons bij Jil Sander in 2012, en snel ook merken zoals Cos. En vervolgens ging de rest overstag. Nu is het gemeengoed. Zelfs haren worden vlotjes roze geverfd. Niemand kijkt ervan op.”

Is het roze ondertussen veranderd?

 

“Absoluut. Eerst was het inderdaad pastelroze met rood en wit erin. Daarna, en daar zitten we middenin, volgde huidskleur. Die valt te verklaren door de gezondheidshype en verwijst naar de aandacht voor het menselijke pure lichaam. Huidskleur is de kleur van een aanraking, van een knuffel. Iets waar we, in deze tijden van schermen en sociale media, blijkbaar naar snakken. Kleur hangt samen met de vormen. Zo zijn meubels minder hoekig dan vijf jaar gelden: ze hebben meer rondingen, als een menselijk lichaam.”

Hoe combineert een mens die verschillende tinten roze?

“Ik vind het geweldig met Yves Klein elektrisch blauw. Het wordt ook vaak met geel gecombineerd, met wit, of met messing, natuurlijk.”

Welk roze komt eraan in 2018?

“Perzikroze. Bijna oranje dus. Het hangt samen met de opgang van het feminisme, en met de aandacht voor nuchterheid en eenvoud. Geen enkele kleur is zo flatterend als roze, voor alle huidtypen bovendien. Zoals gezonde blozende wangen.”

Kleur verkoopt, Hilde Francq, uitgeverij Lannoo Campus, 34,99 euro.

Dit artikel verscheen in Knack Weekend van 28 juni 2017

In de serie No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

In een andere reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.