Categorie archief: Biennale Interieur 2016

No Pictures Please (1): Li Edelkoort

Haar handen friemelden onafgebroken aan haar fluwelen kleed en ze sprak zacht. Ze had rode lipstick op, en schoenen met pompons. Toen Lidewij Edelkoort afgelopen winter een lezing gaf in Texture in Kortrijk, op uitnodiging van Biënnale Interieur, mocht ik haar een half uur spreken. Ik vind het heerlijk dat iemand met de naam “Edelkoort” zo van textiel houdt. Dit is wat ze onder meer vertelde: 

Hoe meer we virtueel zijn, hoe meer we nood hebben aan materiële dingen om ons heen. Als we alleen nog schermen voelen, verdwijnen onze vingers en krijgen we klauwtjes en onderontwikkelde hersenen. Baby’s komen al heel snel in aanraking met schermen. Veel wetenschappers zijn daar ongerust over. Omdat bepaalde linken in de hersenen niet gemaakt kunnen worden als je geen vormpjes vastneemt, geen teddybeertjes … Dan mist die baby essentiële informatie. Tactiel contact is nodig.

Het primitieve komt ook op andere manieren naar boven. Er is vernieuwde interesse in samenzijn, werken in teams, weg van het individualisme. Rituele vieringen ook. Ik was onlangs in Afrika waar dorpen dance battles aangaan. Uren en uren. Het is een manier om via het lichaam negatieve energie kwijt te raken. Wij zouden daar beter een voorbeeld aan nemen. Het is niet toevallig dat meer en meer mensen aan yoga doen en mediteren. Er zijn genoeg redenen om aan te nemen dat we ook als maatschappij primitiever worden, wat eigenlijk vooruitstrevend is. Het is noodzakelijk voor de toekomst van ons mens-zijn. En voor ons gevoel van belonging.

Ik ben ervan overtuigd dat we alleen maar de toekomst kunnen ingaan als we weten waar we vandaan komen. Anders bestaat die innovatie alleen maar voor de innovatie zelf en dan verlies je het noorden. Ik zie dat in de Verenigde Staten. Enkele honderden jaren geleden zijn velen daarheen geëmigreerd. Ze gaven hun relatie met het verleden op. Daarom zie je daar een stormloop op innovatie. In Europa weten we dat we van heel ver komen. Ik kijk graag naar archeologische stukken zoals eerste kledingstukken, werktuigen enz. Die tonen hoe de mens zich van in het begin kon ontwerpen. Dat geeft mij hoop op de verre toekomst. Het toont aan dat we als mens die intuïtie en die gave hebben om te creëren en vorm te geven.

Filosofen hebben het tegenwoordig over ‘new materialism’. Zoals je mensenrechten hebt en dierenrechten, zouden er ook materiaalrechten moeten bestaan, vinden ze. Omdat het materiaal zo kostbaar en levend is dat we er zuinig mee moeten omspringen. Dat soort visies wijst op een verandering in de maatschappij die teruggaat naar het begin van de menselijke cultuur. Materialen krijgen weer spirituele eigenschappen toegedicht. Respect tonen voor materiaal en er nieuwe vormen mee maken: dat hadden we niet verwacht voor de toekomst, maar het gaat gebeuren.

De losbandigheid van textiel krijgt weer waardering. Het idee van franjes en onregelmatigheden zal belangrijker worden. Minder en minder wordt materiaal gedwongen in een vorm. Het omgekeerde is waar: er wordt geluisterd naar het materiaal om de vorm te bepalen. Mode in 2017 is wild, hoor. Zo is er bont gemaakt van raffia of van cellofaan of lichtgewichtgarens. Er is een grote terugkeer naar textiel. Een van de grote tendensen van de toekomst is dat textiel het harde van de hightech gaat verzachten.

Ik ben uitgenodigd door Parsons (een designinstituut in New York) om een Master in Textile op te zetten. Ik ga werken met studenten uit verschillende disciplines : beeldende kunsten, design, architectuur, mode, toneel. Ons doel is om het midden te vinden tussen hightech en softcraft. Die twee disciplines werken eigenlijk aan eenzelfde utopische toekomst. We hebben het over weven van zonnecellen, computergarens, geluidsgarens. Over het maken van biotechnologische zijde, zonder dat daar een spin aan te pas komt. We hebben het over 3D-printen, over robotisering enzovoort.

Textiel is een interessant materiaal voor de toekomst. In Amerika wordt verwacht dat textiel de toekomst van het internet is. Tegelijkertijd zien we in Hudson Valley, rond New York, een revival van arts & crafts. Met garens direct van het schaap en de geit, geproduceerd net buiten de steden. Dat is ook een belangrijke tendens. Dus zullen er lessen zijn in borduren en quilten. Maar ook lessen over de antropologie van textiel, om te achterhalen wat de relatie is tussen mens en textiel. Als je iets leert over garens, dan leer je ook iets over het inkopen van vezels. Je maakt een collectie, een businessplan. Het wordt heel spannend en erg innovatief.

Lidewij Edelkoort (66) begon als styliste bij De Bijenkorf, en werd een van de bekendste trendwatchers. Time noemde haar een van de 25 invloedrijkste modemensen. Zij start volgend jaar een masteropleiding Textiel in New York.

Dit artikel verscheen op 5 april 2017 in Knack Weekend 

PS: Deze post is de eerste in een aantal No Pictures Please artikels die ik deze zomer online zal brengen. Omdat design, wonen, architectuur en interieur over meer gaat dan mooie plaatjes. 

 
 

Words to live by : Ode to Geert Bekaert

screen-shot-2016-11-14-at-10-56-10

The theme of this 25th edition of the Biennale Interieur is Interiors. How interiors are experienced and inhabited has been the subject of author Geert Bekaert’s writings since the 1950s. Contemporary critic and writer Christophe Van Gerrewey interprets Bekaert’s conclusions. A conversation about architectural criticism then and now. About how Belgians are living and building. And also about Pinterest and Instagram.

By Leen Creve

‘We view Interiors broadly,’ says OFFICE Kersten Geers David Van Severen, the cultural curators, about their choice for the overarching theme of INTERIEUR 2016. ‘From highly technological and ‘living’ spaces to artistic installations and total interiors. We want to offer a catalogue of a hypothetical world.’ With that premise in mind, we can’t help but think of that other curator, writer, historian and journalist: Geert Bekaert, who died a few months ago at the age of 88. The experiencing of spaces was crucial to him. Time for a conversation with an expert on his work: writer and professor Christophe Van Gerrewey.

Geert Bekaert and Biennale Interieur

Geert Bekaert was born in Kortrijk in 1928. When Interieur was founded in 1967 he was already a respected journalist and writer for De Linie, Streven, De Nieuwe Gids, Davidsfond, Lannoo and others. He was even hired as an advisor. Later he also wrote for the newspaper De Standaard, and he made films for the Belgian national public-service broadcaster VRT with director Jef Cornelis in the 1970s and 80s. In the meantime he taught at several academies and universities in Amsterdam, Delft, Maastricht, Eindhoven, Antwerp and Leuven. He was announced as guest of honour at the Biennale Interieur in 1988 – in between Philippe Starck (1986) and Andrea Branzi (1990) – and preceded to become president of Biennale Interview from 1991 to 2000. In 2008 Bekaert looked back at the operation on the occasion of its forty-year anniversary. Geert Bekaert passed away in September 2016.

Christophe Van Gerrewey on Geert Bekaert

“I first studied literature and then architecture. His writings were treated in my architecture course. It wasn’t until 2001, when I visited the expo of Xaveer De Geyter in De Singel, that my fascination for his work began. Geert Bekaert had written a text for that exhibition – in it he talks about the relationship between literature and architecture. I didn’t really understand that text and started reading his other work. I chose literature and architecture as the subject of my thesis, and after learning that Bekaert’s collected works were not all collected yet, I focused on that during my PhD. I compiled his texts in collaboration with Mil de Kooning, and from his writings I could read the history of architecture. I divided them into six time periods and six themes. First religion, then living, then society, because architecture went through an identity crisis in the 1970s. In the 1980s, there was a return to the past in postmodernism, causing history to become the main theme. Later, during the 90s, architecture became more openly regarded as a form of culture. If I were to summarize it now, I would say that architecture is becoming more (and forcibly so) political.”

 

I would like to start with a passage from a text written in 1994, on the occasion of the 25th anniversary of the Biennale Interieur. Geert Bekaert was president of the Biennale at the time. ‘The interior materialises anywhere, but is no longer tied to a place. Furthermore, it surpasses time by settling itself in its core. The most beautiful and unexpected aspect of this development in interiors is that it relates to its original meaning again: that it wasn’t tied to forms at all, but was the condition for as much freedom as possible for moving in and dealing with the world of human beings.’ Has he always described interiors in this way?

 

CHRISTOPHE VAN GERREWEY: Interiors can be viewed as the inside of a building, but on the other hand also as what is placed in that building: furniture and smaller elements, anything that is too small to be considered as architecture. He wrote about both of these viewpoints. But indeed, Geert Bekaert did attach great importance to the feeling that an interior can be the centre of the world for someone. An interior has an artificial and temporary character. But that doesn’t mean that it can’t be important. And personal. He also acknowledged that an interior might not exist anymore, because people are always on the move, living out of a suitcase. He once wrote that a hotel room is the ultimate and only true interior.

 

I think that this contradiction has always been present in his prefaces and texts about Interieur. In a 1968 text about the Biennale he wrote this: ‘Now Kortrijk appears with a whole new initiative: a biennale that, under the title Interieur, wants to offer an international confrontation of creativity in the field of interior architecture. What choice will be on offer? The fashionable diktats of the selection? Or absolute freedom? Asking the question in that way, they cannot choose either. If an initiative like the Biennale Interieur wants to be significant in any way, it can only do so by rejecting this out-dated dilemma through an honest search for the factual relationships between people and their interiors in this day and age.’ In this passage he emphasises that you should be free to put together your own interior.

 

Even though he was afraid of its potentially patronising character, he did acknowledge that every two years, Interieur is a moment for the public to question their interiors. In the 1960s it obviously still had much to do with the fight against the modernism and functionalism of the 1950s. And its stark trends and ways of living. Bekaert views Interieur as a moment to realise that there are alternatives to the prevailing standard – that this norm is not the only truth. He believes that this utopia is central to the Biennale Interieur.

Do you think that this role is still applicable to INTERIEUR 2016?

I think so. Today there are also norms and trends that aren’t given a second thought. Let me give an example: these days many people that are in their early sixties – my parents’ age – are renovating their bathrooms. These people aren’t necessarily involved with design, but they do pick up on things and are directed towards trends. Without thinking about it, they choose soulless, sleek bathrooms with square sinks: as soon as you turn on the tap, the water splashes everywhere. They don’t want to be viewed as old-fashioned by choosing a more practical, deep and round sink. They want to be up to speed with trends, even if their old bathroom was still perfectly functional. Interieur still shows alternatives to these norms and trends. There is still hope that it makes people look at their own interior and environment more critically. This is, and will remain, one of the raisons d’êtres of Interieur. But as a fair you never know whether you have succeeded. It is something that you propose to the public without knowing whether it will have any effect.

 

Was this looking for a balance between educating the public without being patronising something that Geert Bekaert was also concerned with in his own work?

Yes, that’s right. The dilemma of on the one hand showing good examples and on the other hand believing that people can make their own decisions has always been a part of his work. He thought his role was to confront people with the possibilities. But as a critic you need to be able to distinguish between the good and the bad at the same time. And to be able to explain why. Bekaert was very knowledgeable about this, but he did always try to clarify that it concerns a large audience and he tried to be as accessible as possible. He was both an academic and a television producer and journalist for a large audience.

 

Was Geert Bekaert unique in this respect?

In the field of architecture, yes. He wrote about architecture from the 1950s until about five years ago. And he always remained inquisitive. And flexible. He liked Charles Vandenhove, but was also one of the first to write about Rem Koolhaas. Many people didn’t understand this, and from a certain viewpoint it might be hard to understand. But he knew who mattered, and that made him a good critic and journalist. He literally wrote nearly every day and published 1,400 texts. These have been collected (by me, among others). And I used his writings to review fifty years of architectural history in my PhD dissertation. On the basis of his work I analysed that period in architecture and divided it into six themes (see text box). His faith in architecture makes him exceptional. He put architecture in perspective but at the same time ascribed it sacred properties. According to him, architecture has a considerable amount of influence on people. 

Where do you think that this belief in good architecture and design in Bekaert’s texts comes from?

Bekaert started working as a journalist for the newspaper De Standaard, when he was still a Jesuit. He was 18 years old when he joined the Jesuits, partly because they provided the best education at the time. He started writing in 1950, first about sculpture, then the modern architecture of churches. After that he increasingly wrote about architecture. His work always consisted of a very existential feeling that something might be at stake in architecture. When he started writing about living and interiors in the 1960s, some of these religious things stuck. They’re present in some disguised version. In 1968 he wrote a text entitled: ‘The sacred is the everyday’. In it, he tries to describe how you almost perform a church service at home. Every meal as a sort of Eucharist celebration. He kept writing about the importance of these kinds of sacred – or in any case meaningful – moments at home, even though he resigned from the Jesuits in 1974.

Bekaert notably didn’t interview many people? Or did he not publish these conversations in the form of interviews?

It is true that he didn’t interview many people. He did it sometimes, but actually he ended up not really considering what those people said. He preferred to look for what was going on in their work himself.

In what other ways is architectural criticism different than say 40 years ago?

I teach architecture theory at EPFL in Lausanne. My students think it’s odd that someone who isn’t an architect would write about architecture. In a way that’s a pity. Bekaert once published a text about Belgian architecture with the subtitle: ‘Thoughts from an outsider’. He thought that only an outsider could speak for the user of inhabitant. At the same time he was a spokesperson for architects who couldn’t or wouldn’t speak about their own work. The post-war, silent generation just constructed buildings without caring all that much. Even Stéphane Beel’s generation didn’t look for words to describe their own work. Today it’s almost indispensible to be able to communicate well as an architect, to state what you stand for as clearly as possible yourself.

How did Bekaert look at Belgian houses?

I found a text from 1989, entitled: ‘A journey through the jungle’. Bekaert’s conclusion in this text is that ‘the Belgian house’ does not exist. It has to be reinvented each time. This individualism, the ideal of the free ‘kavel’ (a housing subdivision of land), is typically Belgian. 

A recent survey by a construction firm showed that in 2016 the average Flemish person still dreams of a three-bedroom detached house in the countryside.

Yes and it’s striking that Bekaert resisted this quite strongly in the 1960s. He did become more lenient over the years, and in the 1980s he said: ‘If villas are the norm, then maybe we should try to make the best villas as possible.’ This theme is still relevant. Perhaps today is the time to look at the boundaries of this ‘verkavelingsdenken’ (thinking in subdivisions). Either way, we are starting to see its limits. The question is whether you can re-educate the public? Whose job is that? The Flemish Government Architect? Politicians? Is it possible to go against a national spirit or zeitgeist? It is a difficult discussion. And the same dilemma applies: patronising is probably not going to work.

Last question: Bekaert never wrote about it, but in contemporary interior architecture, Pinterest and Instagram play an important role. The photographs on those platforms literally inspire builders and renovators across the globe.

I might be a bit old-fashioned, but I believe that you can’t decorate a (living) culture just with imagery. You also need words. I regularly have that discussion. For me, images often say everything and nothing at the same time. I try to look at Geert Bekaert as an example in that sense. He always searched for a vocabulary to put the impact of architecture and design into words. In 2000, he wrote a text about designer Maarten Van Severen. The first sentence is: ‘Why is it that a work by Maarten Van Severen, a table, a chair or a cupboard, can be so captivating?’ Then he goes on in an attempt to answer that question with a profundity that has become rare. Page after page he tries to describe as meticulously as possible the effect that a piece of furniture like that can have – what sitting at a Maarten Van Severen table can mean.

Geert Bekaert was looking for a language to make things discussable and to weigh its pros and cons. The Internet is making this more difficult than before. You can find imagery that is repeated endlessly, but that – as is everything – is bound to a certain place and time. I see that even with architecture students. In the workshops they sometimes bring images for inspiration. But if you ask them to describe what they see, they hardly seem able to do that. That’s a problem. They might know that it is a building by Mies van der Rohe, for instance, but where, in what context, from which period and for which client? They don’t have a clue. So they can’t explain why the architect chose for that solution, right? The Internet is full of these types of context-free images. I think that now more than ever, we are in need of interpretation and context, in the same way that an author like Geert Bekaert provided them.

This article was first published in the Biennale Interieur 2016 catalogue

Biennale Interieur (9) : the very contemporary

Trends spotten op een beurs is een tweede natuur geworden, of we nu willen of niet. Ook op Biennale Interieur zag ik materialen, typologieën of klantenservices terugkomen.

  1. Alle hoeken van de regenboog

Deze objecten scoorden afgelopen week hoog op de sociale en traditionele media. Waarom? Omdat ze allen op een zeer letterlijk manier vormgegeven zijn. Ze spelen met basisvormen: driehoeken, cirkels, lijnen, strepen en vlakken. Makkelijk te begrijpen én te fotograferen dus. In deze ingewikkelde wereld hebben we blijkbaar nood aan duidelijkheid.

Fredrik Paulsen voor Etage projects ©frederik vercruysse
Fredrik Paulsen voor Etage projects ©frederik vercruysse
Bordbord krukje gezien door evenbeeld voor Future Archive stand van Baroness O.
Bordbord krukje gezien door evenbeeld voor Future Archive stand van Baroness O.
totems van Dries Otten
totems van Dries Otten
Superloon van Jasper Morisson voor Flos
Superloon van Jasper Morisson voor Flos
Laurent Collection van Lambert & Fils
Laurent Collection, lampen van Lambert & Fils

2. Stone Age 

Niet alleen stonden er flink wat marmerhandelaars op de beurs zoals Van den Weghe, Beltrami, Hullebusch, er waren ook de tegels van Dominique Desimpele en objecten met marmer te spotten. Of met cement. Mijn favoriet: petite table d’ange van Atelier Haussmann, een reeks van unieke stukken marmer die van ontwerper Hervé Humbert elk een onderstel op maat kregen. Een begeleidend catalogusboekje vertelt welk type marmer beschikbaar is (van Rosa Quarzit uit India tot Verde Andeer uit Zwitserland, of Gallo Atlantici uit Egypte).

Atelier Haussmann
Atelier Haussmann

Andere stone age objecten :

Satellite lamp van Quentin De Coster voor Van Den Weghe Items
Satellite lamp van Quentin De Coster voor Van Den Weghe Items. Om ze te zien branden, mocht ik even mee in de opslagruimte van de stad, de stopcontacten bleken over het hoofd gezien.
Loveseat van Michael Verheyden voor Hullebusch, eentje zit links rechtop, de ander ligt met het hoofd op diens schoot met de benen over de rand rechts.
Loveseat van Michael Verheyden voor Hullebusch, eentje zit links rechtop, de ander ligt met het hoofd op diens schoot met de benen over de rand rechts.
Rock collection van Wever&Ducré, met "stone veneer".
Rock collection van Wever&Ducré, met “stone veneer”.
FCK van Frédéric Gautier voor Serax, uit aardewerk stond mooi opgesteld op een stapel bakstenen
FCK van Frédéric Gautier voor Serax, uit aardewerk stond mooi opgesteld op een stapel bakstenen

3. Samen bouwen maar 

Doe-het-zelf voor gevorderden. Anno 2016 neemt u de consument blijkbaar niet meer serieus als u hem en haar niet de mogelijkheid biedt om mee te ontwerpen. Van eenvoudige modulaire kastjes tot wandbekleding, sofa’s en volwaardige badkamers. Met of zonder apps!

3D wandpanelen van Orac, makkelijk overschilderbaar.
3D wandpanelen van Orac, makkelijk overschilderbaar.
u schetst uw badkamer van uw dromen via een app, Van Marcke voert uit.
u schetst uw badkamer van uw dromen via een app, Van Marcke voert uit.
R.I.G. modulair systeem van nieuwkomer MA/U studio uit Kopenhagen
R.I.G. modulair systeem van nieuwkomer MA/U studio uit Kopenhagen

Biennale Interieur (8): Waar ik van opkeek

Biennale Interieur viert feest en hang dus enorme zilvergekleurde metersbrede doeken over de belangrijkste gangpaden. Dat het loont om ook op de standen eens boven ooghoogte te kijken bewijzen deze drie fijne ontdekkingen waarvan ik … eh … opkeek.

1. Inifinito van Davide Groppi 

Infinito davide groppi
Infinito davide groppi

Een lintlicht hing tussen twee muren gespannen bovenaan op de stand van de Italiaanse lichtspecialist Davide Groppi. De naam Infinito is natuurlijk overdreven, maar twaalf meter overspanning (het maximum) is toch ook al indrukwekkend. Technische details vind je hier.

2. Gratis sfeerlicht

screen-shot-2016-10-22-at-12-16-35

Nog meer mooi licht kwam van boven op de stand van textielexpert Kvadrat. Vierkante lichtkoepels  zoals u die wel eens in kantoren ziet, werden bekleed met stoffen langs de binnenkant, waardoor het binnenvallende daglicht -afhankelijk van het gebruikte textiel- een andere kleur krijgt. In Elle Decoration Uk van november las ik een heel dossier over koepels en in een interieur waar ik onlangs op reportage ging, en dat binnenkort in Knack Weekend verschijnt, werd ook op een slimme manier met koepels gewerkt. Laat ons zeggen dat ik eventjes een koepelmomentje heb.

3. Asbest zowaar

screen-shot-2016-10-22-at-13-29-56
Carwan Gallery uit Libanon is een van de vier designgalerieën die een podium kregen op Biennale Interieur. Zij waren vooral uitgenodigd omdat zij enkele maanden geleden een expo organiseerden met werk van het Belgische collectief Rotor. Hier brachten de Brusselaars wederom een interessante mix van objecten mee: van anders weggegooide resten van het industrieel proces van vrachtwagenhoezen tot een huid van een paar keer met keizersnede bevallen dikbilkoe. Maar ook: een stalenkaart van asbest die boven de ingang werd opgehangen. “De kader is helemaal toe, hoor,” vertelde Rotor-lid Maarten Gielen toen hij het me aanwees.  Waarom ze het daar opgehangen hebben?  “Eerst en vooral omdat het een fascinerend object is. Dit is een van de gevaarlijkste bouwmaterialen van de vorige eeuw, waar tal van productie-arbeiders, installateurs en anderen door gestorven zijn… Maar je mocht wel de kleur kiezen.”
Hij legde later per mail uit waarom dit soort objecten hen intrigeert. “We stellen vast dat in het burgerlijk interieur van vandaag elke vorm van controverse geweerd wordt, en vervangen wordt door glad designer meubilair, en architecturale compositie. Wat we proberen te doen met ons werk bij Carwan, is om via objecten verhalen in de directe woonomgeving te laten infiltreren. Zaken die je standpunten in vraag stellen, die je even doen twijfelen. Neem nu het vel leder van een Blanc-bleu koe die we tonen. Die beesten zijn gekweekt om zoveel mogelijk vleesmassa op te leveren. Ze zijn zo enorm dat elk kalf met een keizersnede moet geboren worden. En de littekens daarvan zie je in het leder. Hang zo een vel in een woonkamer, of verwerkt het in een zetel, en het wordt een accessoire in het leven van elke dag. Het geeft betekenis aan wat er rond gebeurd. De zetel staat daar wanneer je eerste kind geboren wordt, het staat er wanneer je naar dat kind roept dat het zijn bord moet leeg eten, maar het staat er ook als de tiener naar huis komt met een eetstoornis, of wanneer je zelf thuis komt van de fitness. Of wanneer er op tv iets gezegd wordt over methaan als broeikasgas. En telkens geeft het object een commentaar.  Het biedt telkens een mogelijkheid om deze situaties ook op andere manieren te lezen. Hetzelfde geldt voor de kleurstalen van Eternit op een beurs die geobsedeerd is met keuzes.” Fijn dat er op de beurs ruimte is voor dit soort kritieken.
Lees hier waar ik vrolijk van werd, hier wat me ontroerde, hier wat we deed nadenken en hier de mooiste installaties.
Biennale Interieur loopt tot en met zondag 23 oktober in Kortrijk Xpo en in de stad.

Biennale Interieur (7) : Wat pijnlijk is om afgebroken te zien te worden

Biennale Interieur beloofde op voorhand om beleving voorop te zetten. En geen  “productcatalogus” te zijn. Daarom ging ik de beurs enkele keren rond. Op zoek naar die beleving. Wat deed mij lachen? Wat deed mij nadenken? Wat ontroerde? Waar voelde ik me meest thuis? Wat gaat zelfs een klein beetje pijn doen als het zondagavond afgebroken zal worden?

Een show, dat is ook altijd de functie van een beurs. Een event waar je bij wil geweest zijn, dat je met eigen ogen gezien wil hebben. Enkele standhouders overtroffen zichzelf en toonden op een prachtige manier waar ze toe in staat zijn.

  1. Allaert aluminium

allaert-x-studio-dessuant-bone-perpetual-motion-2

voor een video: klik hier: studio-dessuant-bone-allaert-aluminium-2

Een van dé blikvangers van de beurs is de stand van Allaert aluminium. Zij vroegen de Parijse studio Dessuant Bone om aan de slag te gaan met hun aluminium profielen. Perpetual motion heet hun bewegende installatie.met roze en transparante deuren en ramen. Een … euh … straf staaltje vakmanschap.

2. Green mood

Green Mood ©Piet Albert Goethals
Green Mood ©Piet Albert Goethals

Ik ben fan van mosmuren. Daar worden gestabiliseerde mossen en andere planten (planten die in een soort coma gebracht worden) gebruikt om op muren landschappen te maken. Green mood uit Brussel werd in 2014 opgericht en somt als haar hoofdingrediënten korst- en veenmossen op, varens en het ietwat vage “wilde planten”. Een wild effect werd in elk geval gecreëerd in de kokerstand die de eveneens Brusselse ontwerper Alain Gilles uitstekende. Simpel en duidelijk.

3. De keukens  

screen-shot-2016-10-22-at-11-02-23

Een beurs is natuurlijk geen woning, maar de woonkamer die het West-Vlaamse Obumex installeerde op een hoekstand in hal 6, daar zou ik gerust tien dagen kunnen geïnstalleerd zitten. Een kook- en werkzone in natuursteen, met tafel ernaast en prachtige vintage stoeltjes van Pierre Jeanneret uit de jaren vijftig. Hopelijk krijgt alvast de keuken ergens een tweede leven? Hetzelfde geldt overigens voor de andere keukens op de beurs zoals die van PJ Mares en Bulthaup.

4. Greenhouse van Jonathan Muecke

jonathan Muecke ©Piet Albert Goethals
jonathan Muecke ©Piet Albert Goethals

“Is het een paviljoen? Is het een bank? Is het een podium?” David Van Severen vond ook geen woorden om het Green House van de Amerikaanse kunstenaar en architect Jonathan Muecke  aan de Zuidelijke ingang van Kortrijk Xpo te omschrijven. Met eronder grote houten eiken banken.  Zélf omschrijft de architect het zo: “The Green House was developed as an exterior’s interior or interior’s exterior – understanding that both an interior and an exterior are always present – that it is the proximity and presence of the objects that determine their distinction. The ‘Interior’ was developed by isolating and then lowering the overhead plane and extending it outwards in all directions.” De banken verhuizen naar de galerie in Brussel, het paviljoen zelf verdwijnt helaas.

Lees hier wat mij ontroerde, hier wat mij vrolijk maakte en hier wat mij deed nadenken.

Biennale Interieur loopt nog tot zondag 23 oktober in Kortrijk Xpo en de stad.

Biennale Interieur (6): Wat mij ontroerde.

Biennale Interieur beloofde op voorhand om beleving voorop te zetten. En geen  “productcatalogus” te zijn. Daarom ging ik de beurs enkele keren rond. Op zoek naar die beleving. Wat deed mij lachen? Wat deed mij nadenken? Wat ontroerde? Waar voelde ik me meest thuis? Wat gaat zelfs een klein beetje pijn doen als het zondagavond afgebroken zal worden?

Ontroering. Het is zeldzaam dat ik in een expohal, met veel indrukken, geuren, kleuren en lawaai heel even helemaal stil word. En toch.

  1. Oak bench van de jonge Thelonious Goupil

screen-shot-2016-10-21-at-12-48-33

Een eik die in twee gezaagd wordt, is een perfecte bank. Simpel. Arte povera.

 

2. Een gebroken hart

Philipp Käffer
Philipp Käfer op the German Wall

The GermanWall, dat waren een rist Berlijnse designers die erg dichtbij elkaar gepresenteerd stonden. Ontroeren deed deze wandlamp. Straf, vooral in combinatie met de bijhorende tekst. “Starting from the idea that something has to be destroyed to shape something new. The initial material and form were split into pieces, and rearranged to form a product with a new function or appearance. The Broken Heart lamp for instance consists of reflectors that split a circular light. From one perspective the viewer sees a heart, but when changing position, it breaks into bits of reflected light.”

3. Paddenstoelen

screen-shot-2016-10-21-at-12-53-29
Bar Terra ©anmichiels

De cateringpunten op de Biennale worden sinds enkele edities bedacht door hedendaagse ontwerpers die daarvoor moeten meedoen met de Biennale Awards wedstrijd. Deze Bar Terrra was een van de vijf winnaars. Bedacht door Carolien Pasmans, Bram Aerts en Claudio Saccucci van Trans Architeectuur en Stedenbouw Gent, draaide deze bar rond paddenstoelen. Ze lieten enkele dagen op zich wachten, maar ergens halfweg de beurs stonden de paddenstoelen ineens in volle getale te pronken. “they are alive!” instagramde An Michiels (een van de Biennale medewerkers) bij deze foto. Hoe een natuurfenomeen zo spannend kan zijn.

4. De werkbank van opa

Pinscher
Pinscher

Opvallend hoe professioneel de standen van de jonge ontwerpers zijn, in de hallen herkenbaar door de zilveren lappen stof die verticaal boven de jongerenafdeling hangen. Mooi was het eerbetoon van Stijn d’Hondt die naast de tafels in uitzonderlijke materialen, die hij op de markt brengt onder de naam Pinscher, ook de werkbank van zijn grootvader plaatste. Een stofjas draagt en opa’s bril in de bovenzak houdt.

Lees hier wat mij vrolijk maakte en hier wat mij deed nadenken. Coming up next: wat pijn zal doen als het afgebroken wordt en wat u misschien over het hoofd heeft gezien.

Biennale Interieur loopt nog tot en met zondag in Kortrijk Xpo en in de stad.

Biennale Interieur (5): Wat mij vrolijk maakte.

Biennale Interieur beloofde op voorhand om beleving voorop te zetten. En geen  “productcatalogus” te zijn. Daarom ging ik de beurs enkele keren rond. Op zoek naar die beleving. Wat deed mij lachen? Wat deed mij nadenken? Wat ontroerde? Waar voelde ik me meest thuis? Wat gaat zelfs een klein beetje pijn doen als het zondagavond afgebroken zal worden?

Lachen dus. Silver Lining was lange tijd de werktitel voor deze 25ste editie van Biennale Interieur. Uiteindelijk werd voor “the silver edition” gekozen. Maar de zilveren lijnen bleven wel boven de beurshallen hangen. En de metaforen ook: ” het zilveren randje aan de wolk, is de rol van goed design: betekenis geven aan het dagelijkse leven,” sprak ceo Jo Libeer op de openingspersconferentiespeech vorige vrijdag. Op sommige momenten liep ik op de beurs ronduit vrolijk rond.

  1. Prinses op de erwt
Magnitude / Studio Nedda
Magnitude / Studio Nedda

Zo was er het bezoek aan de stand van Magnitude. Daar vroeg een gestreepte prinses of ik wilde mee zoeken naar de erwt die haar wakker hield. Een fijne manier, bedacht door de Antwerpse Nedda El-Asmar, om te tonen wat de beddenfabrikant hier moet laten zien: dat ze topstoffeerders van eigen bodem.

2. De stand van Petite Friture

Petite Friture lamp Noé Duchaufour-Lawrance
Petite Friture lamp Noé Duchaufour-Lawrance

Dit Franse vrij jonge merk maakt eye-catchers, soms gimmicks, maar altijd mooi. Hier zag ik voor het eerst de Méditerranéa lamp van Fransman Noé Duchaufour-Lawrance, een gedrapeerde en geperforeerde lapjes metaal over een led-buis. Maar ook aardappelkapstokken en prachtig servies. Een vrolijke en open stand.

3. Den draad vzw

Goed verstopt in hal 6 botste ik tijdens het eerste half uur op de beurs vorige week op een soort springkasteeltje, gemaakt uit zitballen en kussens, gehaakt, gebreid en gemacrameed. Schoenen uit dan maar en springen. Er bestaan een foto van mijn springtest maar die heb ik nog niet. Fijn voor wie even stoom wil aflaten in elk geval.

4. Gewichtheffen bij Maison Vervloet

Phillibert van Jean-François d'Or voor Vervloet
Phillibert van Jean-François d’Or voor Vervloet

Hoe toon je in godsnaam een serie prachtig gemaakte deurklinken? Maison Vervloet uit Brussel deed beroep op Base Design. Die bevestigden ze op houten blokjes die los op een tafel gelegd werden. Dat sommige behoorlijk zwaar zijn kan elke bezoeker daar zélf ondervinden. Ook hier, helaas geen foto. Uitproberen dus.

 

Lees hier wat me op de beurs deed nadenken. En hier wat mij ontroerde.

Biennale Interieur loopt nog tot en met zondag in Kortrijk Xpo en in de stad.

Biennale Interieur (4): Wat mij deed nadenken

Biennale Interieur beloofde op voorhand om beleving voorop te zetten. En geen  “productcatalogus” te zijn. Daarom ging ik de beurs enkele keren rond. Op zoek naar die beleving. Wat deed mij lachen? Wat deed mij nadenken? Wat ontroerde? Waar voelde ik me meest thuis? Wat gaat zelfs een klein beetje pijn doen als het zondagavond afgebroken zal worden?

Ik begin met de ratio.

 

Wat deed mij nadenken op Biennale Interieur? 

  1. The Anthropocene Style van Philippe Rahm in een zilveren box
Philippe Rahm ©Frederik Vercruysse
Philippe Rahm ©Frederik Vercruysse

Curatoren Office Kersten Geers David Van Severen nodigden internationale gasten uit om een van de zilveren boxen in te richten en rond het thema Interiors een installatie te maken. Philippe Rahm is expert in binnenklimaten en bekijkt zijn werk van daaruit. In de catalogus van Interieur schrijft hij bijvoorbeeld: “if the white and minimum neutrality of the Modernist style has enjoyed succes without stop today, it is because the essential and original mission of the decorative interior design was lost after the invention of central heating in the late 19th century, the invention of of electric lighting in the first half of of the 20th century and the invention of air conditioning in the middle of the 20th century. the invention and implementation of heating, ventilation, lighting, were a hundred times more effective than a curtain or a candle. The decorative art of the past was a set of ways to improve the thermal comfort of the cold and dark interiors of old buildings.” Vanuit dit soort bedenkingen stelt Rahm op Biennale Interieur zeven decoratieve kunstobjecten voor voor deze tijd (waarin we rekening moeten houden met slinkende energievoorraden en broeikasgasuitstoten); Hij ontwierp deze objecten specifiek voor ons soort klimaat om het interieur comfort te verbeteren. Hij baseerde zich op fysica: zo ligt er het laag-effusiviteitstapijt met beton en polyurethaan vlakken. Wanneer de temperatuur 20 °C is, dan voelt het betonnen vierkantje aan als 22°C en dat ernaast uit polyurethaan als 29°C. Verder staat er een high soort tennisscheidsrechter-stoel die wil profiteren van het stijgen van de warmte, hangt er een spiegelwand en staat er een paravent die warmte terugkaatsen… Verhelderend voor een niet-fysicus en erg nuttig in een setting van een beurs waar ook betonnen tafels, flink wat marmeren objecten, grote glasramen, akoestische panelen en indrukwekkende lichtinstallaties gebouwd zijn.

2. Studio Basil op 19 oktober op Future Archive 

Future Archive ©Frederik Vercruysse
Future Archive ©Frederik Vercruysse

De stand van Future Archive, opgebouwd met grote archiefrekken, werd gevuld door creatief bureau Baroness O.  met hun favoriete internationale objecten en aangevuld met gloednieuwe stuks van exposanten op de beurs. Elke dag nodigden zij een andere ontwerper of creatieveling in dat archief uit om met de objecten te werken. Op 19 oktober was dat Studio Basil. terwijl flink wat archiefgasten decoratief of grafisch te werk gingen, startten zei vanuit een simpele vraag: Wat is dit object waard voor u? Ze maakten stickertjes met boodschappen als “Give it to me, yeah” of “sure, i’ll take it” of “this is now”; Die kon een bezoeker dan op de in plastic verpakte objecten plakken. En op de vraag: hoeveel wil je ervoor betalen kon je “loads”, “little” of “normal” kleven. Een fijn onderzoek. Waar willen beursbezoekers eigenlijk veel voor betalen? En waar weinig? Wat vinden zij actueel en wat oubollig? Keuren en commentaar geven doe je sowieso als beursbezoeker. Het is verfrissend dat ook eens echt luidop te kunnen doen. Ik wacht de opgetelde resultaten met nieuwsgierigheid af.

3. Design retail Summit op 17 oktober

screen-shot-2016-10-21-at-11-30-03
hoodvragen van de summit ©layout Joris Kritis

Eerlijk? Ik vind het een van de spannendste vragen van het moment: hoe zullen wij meubels in de toekomst kopen? Ik schreef er een tekst over in de catalogus van de Biennale (wie er eentje koopt, krijgt er gratis een fles Omer bij, hopla). Ik vind het spannend omdat ik zie hoe vrienden zich niet naar de woonboulevards begeven, maar zich voor interieurinspiratie op het internet storten: Pinterest, Instagram, webshops, ze kennen veel beter de weg dan ik. Meubelmerken maken makkelijk en snel leverbare flatpacksofa’s voor de stadsmens die geen zin heeft om weken te achten of een verhuislift te huren. Er ontstaat ongerustheid dat onze interieurs er binnenkort generisch uit zullen zien, omdat we ons allemaal op dezelfde online bronnen baseren. Ik vind het zo spannend dat ik verbaasd was dat een bondig minicongres met drie toonaangevende sprekers niet de grote massa trok. Maar de sprekers Jo Caudron, Tobias Lutz en Ewald Damen stelden dan weer niet teleur. Uiteraard hebben zij ook geen pasklare antwoorden op de vele vragen, maar ze gaven wél inspirerende voorbeelden, tactieken en reflecties mee. Afwezigen, u had ongelijk.

Lees hier wat mij ontroerde en hier wat mij vrolijk maakte.

 

Biennale Interieur loopt nog tot en met zondag in Kortrijk Xpo en in de stad.

Biennale Interieur (3): Drie archetypes op zijn kop

Een tafel, een stoel, een zitbank, een leeslamp. Eeuwenlang al zijn het hoofdrolspelers in menig Vlaams interieur. Ontelbare nieuwe exemplaren werden de expohallen van Kortrijk binnengedragen afgelopen week. Deze drie merken brachten iets nieuws maar tegelijk iets ouds uit. 

 

  1. De nieuwe relax

Wat? Cloud, van Bart Lens voor de Limburgse fabrikant Indera. Een gemotoriseerde relaxstoel, zo eentje waar u door op een knop te drukken met de benen omhoog kunt liggen zweven. En Luv, een relaxsofa.

cloud-chair-bart-lens-for-indera

Nieuw of oud? Waar een klassieke relaxstoel al eens futuristische en hoekige trekken mee krijgt (meestal om de motor te verstoppen) kreeg de Cloud een vintage fifties look: gebogen hout als armleuningen en dikke rijkelijk beklede zitting, als ware het een fifities leunstoel van uw grootmoeder. Nog indrukwekkender was dat Indera ook een sofa uitbrachten met relaxfunctie. De lage rugleuning gaat omhoog met en motor, kantelt achterover met een tweede en de derde stuurt de benen de lucht in.

screen-shot-2016-10-16-at-21-38-48

Eindelijk? Vreemd dat het zo lang duurde vooraleer het tienjarige Indera een relaxstoel uitbracht, moederbedrijf Mecam staat immers bekend om relaxfauteuils en –sofa’s, al is de vormgeving daar eerder onopvallend te noemen (en taupe). Maar de technologie voor een lager model was een proces van jaren, aldus zaakvoerder Carl Meers. Ook zusterbedrijf Moome brengt een relaxsofa uit, met twee motoren en dus voordeliger.

  1. Een kwartdraaitje

Wat? De A’dammer kast van Pastoe, een klassieker uit 1978, is nu voor het eerst beschikbaar op zijn kant: horizontaal gelegd in plaats van vertical staand.

Nieuw of oud? De Nederlandse ontwerper Aldo van den Nieuwelaar (1944 – 2010) raakte door de mechaniek gefascineerd in de jaren zeventig. In het in 2013 verschenen boek over 100 jaar Pastoe citeerde de ontwerper: ‘Waar ik het vandaan heb? Misschien van grootvaders rikketik-bureau.” Daarbij verwijzend naar de antieke houten bureautjes met ribbelluikje. Op een rails schuift de plaat langsheen een boog naar de achterkant van de kast.

Eindelijk? Er werd in de loop der jaren met kleuren en vormen gevarieerd. Er kwamen lange smalle A’dammers op de markt, en eerder ook al een brede versie met horizontaal schuifsysteem, een driehoekige Obelisk en de welgekende Pinguïn-versie. Maar nooit eerder een platte smalle op pootjes dus.

 

screen-shot-2016-10-16-at-21-58-55
a’dammer twist

 

sideboard a'dammer die al bestond
sideboard a’dammer die al bestond

 

  1. Dweiltapijt

Wat? Een tapijt van ontwerper Davy Grosemans met Belgische driekleur, net als de dweilen die sinds de jaren vijftig door textielfabrikant De Mandel werden uitgebracht en daarna ook massaal door andere fabrikanten werden uitgebracht.

screen-shot-2016-10-16-at-21-44-35

Nieuw of oud? Dit tapijt werd in wol uitgevoerd, door de Belgische tapijtproducent Belca.

Eindelijk? Er zat allicht niemand op te wachten en voor sommigen zal het een gimmick zijn, maar het tapijt past wel binnen de missie van opdrachtgever Bokrijk dat met het project BKRK een toekomst aan typische ambachten wil geven. Op Biennale interieur stelden ze tien objecten voor de inrichting van het Kasteel van Bokrijk voor.

screen-shot-2016-10-16-at-21-44-51
dweiltapijt Davy Grisemans ©Luc Daelemans

 

 

 

Biennale Interieur (2) : Prijs Vormgeving West-Vlaanderen

Nog voor de zomer zat ik in de jury voor de Prijs voor Vormgeving van de Provincie West- Vlaanderen, samen met Biennale Interieur voorzitter Lowie Vermeersch, docent en ontwerper Fabiaan Van Severen, ontwerper Bram Boo en directeur van het Design museum gent Katrien Laporte. Ik mocht daarna ook de vier laureaten interviewen voor de catalogus bij de expo die de vier overigens zélf prachtig vorm gaven. Pik er eentje op bij de expo in Texture, een overigens door noArchtecten en Madoc prachtig gerenoveerd industrieel gebouw aan de Leie in Kortrijk. Met gouden dak.

“Objecten zijn een afspiegeling van een cultuur,” sprak Lowie Vermeersch bij de uitreiking van de bloemen en cheques (van 3000 euro elk). “Ik zie iets gemeenschappelijks in hun werk: ze drukken allen een ingehouden en intieme kwaliteit en iets humaan uit. Designers moeten levens verrijken en dat doen zij allen.”

screen-shot-2016-10-15-at-20-44-03
catalogus ontworpen door Tim Bisschop

Mathilde Vandenbussche

Mathilde Vandenbussche studeerde vorig jaar af aan het KASK, School of Arts in Gent, afdeling textielontwerp, met een onderzoek naar manuele
en industriële breitechnieken. Na haar studies werd zij gevraagd door matrasstoffenfabrikant Deslee Clama in Beselare om haar artistieke onder- zoek te ‘vertalen’ naar een industriële schaal. Het resultaat zijn twintig verschillende stoffen, bedoeld om schuimmatrassen voor bedden te omhullen.

Mening van de jury: “Verfrissend werk met een duidelijke eigenzinnigheid
en persoonlijkheid. Met aandacht voor zowel esthetiek als techniek, voor hightech en lowtech. Bovendien is het werk van Mathilde Vandenbussche hét bewijs dat een artistiek onderzoek, in dit geval rond de beweging van het menselijk lichaam, tot een industriële collectie van nieuw breigoed kan leiden. Een mooi voorbeeld van hoe een goede ontwerper een relevante meerwaarde kan bieden voor een fabrikant. We zijn benieuwd naar de toekomst van Mathilde Vandenbussche.”

Mathilde Vandenbussche
Mathilde Vandenbussche

“Ik ontwerp al tekenend”

Met haar eindwerk wist de piepjonge Mathilde Vandenbussche matras- stoffenfabrikant deslee clama zo te overtuigen dat hij meteen een hele collectie van haar hand opstartte. Zo bracht Mathilde leven in de… breierij.

De naam van textielontwerpster Mathilde Vandenbussche is u wellicht nog niet bekend. Maar daar komt snel verandering in. Zij is de jongste winnares van de Vierjaarlijkse Prijs voor Vormgeving van de Provincie West-Vlaanderen 2016.

Waarin bestond uw afstudeerproject?

“Ik vertrok van de ‘scharnieren’ van het menselijk lichaam. Onze spieren en gewrichten bepalen hoe ver we kunnen buigen, stretchen, rekken, strekken en spannen. Daarom gebruikte ik ze als inspiratiebron voor mijn stoffen. Voor de kleuren en motieven, maar ook om patronen en technieken te bepalen. Hoe beweeglijk is breigoed? Welke combinaties van wol en elastiek werken het best? Welke breitechnie- ken? Ik tekende veel, leerde op ver- schillende manieren breien, zowel met de hand als industrieel. Het resul- taat waren een reeks tekeningen, en industrieel en handgebreide stalen.”

enkele maanden later is daar een echte collectie uit voortgekomen. “Ja, het was een voorrecht om samen met fabrikant Deslee Clama te kunnen onderzoeken wat technisch haalbaar was op grote schaal. Voor hen is het heel interessant om rekbare matras- hoezen te maken. De gebruikte breikwaliteit is extreem elastisch en hierdoor ook zeer volumineus en zacht. Wie een matras koopt, weet wel dat deze op zich niet zichtbaar zal zijn bij hen thuis, maar toch is de presentatie in de matrassenwinkel enorm belang- rijk. Wat mooi is, verkoopt nu eenmaal beter.”

Hoe zou u uw manier van werken omschrijven?

“Ik vind onderzoek en een verfijnde techniek belangrijk. Maar het eindresul- taat moet grafisch interessant zijn. En esthetisch mooi! Misschien daarom dat ik nog zo graag en veel teken. Tijdens onze opleiding werden we daarin gesti- muleerd. Het is voor mij een manier van communiceren geworden. Al tekenend ontwerp ik. Dat gaat hand in hand.”

Waar ziet u zichzelf over vijf jaar?

“Geen idee. Ik studeer ondertussen verder om mijn lerarendiploma te behalen en ik geef ook al les in textiel- ontwerp in het middelbaar onderwijs. Maar ik zou natuurlijk graag intussen mijn eigen bureau opstarten.”

We Became Aware

We Became Aware is het multidisci- plinair ontwerpbureau van Valentijn Goethals en Tomas Lootens, afkom- stig uit Torhout en Gistel. Ze werkten al voor het Vlaams Architectuur Instituut, Kraak & Cinema Nova, de muziekbands Amenra en T.B.H.R., voor Het Nieuwe Instituut en het mu- ziekfestival Boomtown. Ze hebben ook een eigen platenlabel en een exporuimte 019 in Gent.

Mening van de jury: “We Became Aware toont een duidelijke eigen visie en tast de grenzen af van wat grafisch ontwerp kan betekenen vandaag. Hun multidisci- plinaire insteek en samenwerking met andere kunstenaars en ontwerpers toont dat deze ontwerpers buiten hun studio kunnen kijken en ook zélf projecten kunnen initiëren. Daadkrachtig en met lef, zo zien we ontwerpers graag.”

We became Aware
We became Aware

1+ 1 = 3

Dat er ‘we’ in hun naam staat, is geen toeval. grafisch vormgevers Valentijn goethals en tomas lootens van We became aware schakelen voortdurend andere kunstenaars, ontwerpers en architecten in om samen te werken. tot en met rem Koolhaas.

Nooit eerder hingen er in Kortrijk zo’n grote vlaggen als in de zomer van 2015. Door toedoen van het duo Goethals en Lootens werden, vanop een twintig meter hoge mast op het Buda-eiland, om de paar weken nieuwe boodschappen doorgegeven aan plezier- en vrachtboten. Dit najaar doet We Became Aware die stunt nog eens over met een vlag aan het Texture- gebouw in Kortrijk, waar de expo Vierjaarlijkse Prijs voor Vormgeving West-Vlaanderen loopt.

Wat laat u nog zien op de expo?

Valentijn Goethals: “Voor onze wed- strijddeelname stuurden we vooral boeken, brochures en posters in. Maar we vonden het niet zo interessant om die gewoon op een tafel te leggen, zonder uitleg. Dus naaiden we een grote tent van de honderddertig vlaggen die we inmiddels samen met verschillende ontwerpers uit onze mouw schudden.”

Wat hebt u toch met vlaggen?

“Zoals veel van ons werk zijn die vlaggen ontstaan uit noodzaak. We hebben een tentoonstellingsruimte in Gent, maar we kunnen die niet constant bemannen. Op het dak lag een vlaggenmast. Door er een vlag aan te hangen konden we ook op sluitingsdagen ‘aanwezig’ zijn. We merkten dat een vlag niet alleen een goedkoop communicatiemiddel is, maar ook grafisch grote troeven heeft. Een vlag is een driedimensionale sculptuur. Ondertussen doceren Tomas en ik het vak vexiology ofte vlaggen- kunde aan de Academie van Bouw- kunst in Amsterdam.”

Hoe werkt u het liefst?

“Tomas was concertorganisator, ik muzikant. Zo hebben we elkaar leren kennen. We begonnen samen te werken en hadden een platenhoes nodig. We hebben ze dan maar zelf ontworpen. Zo zijn we steeds vanuit onze eigen behoeften beginnen werken. Nu hebben we ons eigen platenlabel en ons eigen ontwerp- bureau. Grafische vormgeving is per definitie zeer toegepast werk: je moet het doen met beelden en teksten van iemand anders. Voor ons is samen- werken met anderen niet meer dan logisch: we gaan telkens op zoek naar partners die ons kunnen aanvullen, die dingen beter kunnen dan wijzelf.
Zo wordt één plus één drie. De meeste van die medewerkers kennen we al jaren en zijn vrienden. Soms, zoals toen we Rem Koolhaas vroegen een vlag te ontwerpen om ze te laten wapperen op een site waar hij het masterplan voor tekende, volstaat een simpele e-mail.”

Tim Bisschop

Tim Bisschop is grafisch vormgever. Hij maakt boeken, brochures, jaar- verslagen en huisstijlen voor onder meer uitgeverij Hannibal/Kannibaal, Hatje Cantz, Xavier Barral, Prestel UK & US, In Flanders Fields, Anton Corbijn, Atelier Stephan Vanfleteren, Ancienne Belgique, De Vlaamse Overheid, De Morgen en, pas nog, het Gemeentemuseum in Den Haag.

Mening van de jury: “Het is als vormgever natuurlijk dankbaar werken met foto’s van topfotografen Stephan Vanfleteren en Anton Corbijn, met historische beelden uit lang vervlogen tijden of met beelden van de beste Vlaamse kunstwerken. Toch toont Tim Bisschop een consistentie en hoge kwaliteit doorheen al zijn werken. Deze boeken zijn stuk voor stuk ver- zamelobjecten geworden, die veel kans maken om de tand des tijds te doorstaan.”

Tim Bisschop
Tim Bisschop

Zichtbaar Onzichtbaar

Een dikke vier jaar geleden stampte Tim Bisschop zijn eigen grafisch bureau uit de grond. inmiddels circu- leert zijn naam in cultuurkringen en maakt hij gelauwerde boeken met top- fotografen anton corbijn en stephan Vanfleteren.

Volgens Time Magazine en American Photo behoren de boekprojecten die grafisch ontwerper Tim Bisschop met Corbijn en Vanfleteren realiseerde
tot de beste fotoboeken van 2015. Hij werd genomineerd voor de twee ‘best vormgegeven boeken’ van 2015 en stak ook de Vierjaarlijkse Prijs voor Vormgeving van de Provincie West-Vlaanderen 2016 op zak. Het gaat Tim Bisschop voor de wind!

Wat is volgens u de rol van een goede grafisch vormgever?
Tim Bisschop: “Ik denk dat die rol wat onzichtbaar moet zijn. Hij/zij moet niet te veel aandacht opeisen. Al is er een verschil tussen het binnenwerk van het boek en de cover. Voor het binnenwerk probeer ik zo veel mogelijk uit te puren. Less is more. Ik hou van eenvoudige typografie, van tijdloze letters. Meestal gebruik ik bestaande lettertypes, maar bijvoorbeeld voor Atlantic Wall van Stephan Vanfleteren heb ik zelf letters gemaakt, gebaseerd op oude Duitse Fraktur-letters. Die teken ik dan eerst een voor een uit op papier. Pas daarna maak ik ze digitaal. Ook het stramien van het boek, het kader waarin ik de foto’s en teksten inpas, teken ik vaak eerst uit met potlood, papier en meetlat.”

Toch zijn uw covers altijd zeer opvallend.
“Ja. Met covers kun je verder gaan. Toch als dat haalbaar is binnen het budget. Zo ontwierp ik voor uitgeverij Hannibal een cover met in lood gestanste
letters en met een lederafwerking.
Voor de Vlaamse Overheid maakte ik een boek waarvan de titel in de cover uitgespaard is. Daarachter steekt een fluo-oranje blad papier dat, als het beschenen wordt door de zon, zal ver- vagen in de uitsparingen, waardoor een nieuwe binnentitel ontstaat. Ik vind het belangrijk dat een cover het onderwerp niet alleen visueel draagt, maar dat je dat ook kunt voelen.”

Hoe ziet u uw toekomst?

“Ik doe heel graag wat ik nu doe. Voorlopig vind ik het super om alleen te werken en heb ik geen plannen om mijn bureau uit te breiden. De combi- natie van jaarrapporten, waarin je heel leuke dingen kunt doen, en boeken over architectuur, kunst, fotografie en sport vind ik geweldig. Mijn grootste voorbeelden zijn de Nederlandse vorm- gevers: de sublieme minimalist Wim Crouwel, de geweldige Irma Boom en infographic-specialist Joost Grootens. Allemaal beheersen ze de kunst van de eenvoud: niet te veel toeters en bellen, maar toch niet saai.”

Couvreur.Devos

Couvreur.Devos, dat zijn grafisch vormgever Bram Couvreur en productontwikkelaar Björn De Vos. Ze leerden elkaar kennen toen ze allebei voor Modular werkten. Sinds bijna twee jaar werken ze als duo samen, onder de vleugels van het multidisciplinaire team Maister dat voor bedrijven huisstijlen, architectuur en marketingplannen maakt.

Mening van de jury: “Dit is product- vormgeving op een hoog en constant niveau. De ontwerpers benutten
ten volle de samenwerking met een belangrijke speler in de verlichtings- wereld, waarbij ze nieuwe techno- logieën aanwenden om tijdloze en soms verrassende objecten te creëren. Het duo Couvreur.Devos is een goede ambassadeur voor West-Vlaams en Belgisch design.”

couvreur.devos
couvreur.devos

Meer dan mooie vormen

Ze zijn maar met zijn tweeën, couvreur.devos, maar hun tempo ligt hoog. de afgelopen jaren creëerden de ontwerpers tientallen lichtarmaturen, maar ook een champagne-emmer, fornuizen,
een keuken en een feestschuur.

Niet minder dan drie Henry van de Velde Awards kaapte ontwerpersduo Couvreur.Devos al weg, plus een Good Design Award én een prijs van de vakbeurs Light+Building. Nu dus ook de Vierjaarlijkse Prijs voor Vormgeving West-Vlaanderen. Paradepaardjes op de bijbehorende tentoonstelling zijn hun award-winnende verlichtingsarma- turen voor Modular en het akoestische paneel voor Buzzispace.

Wat maakt, volgens u, een goede ontwerper?

Björn De Vos: “In verlichting en interieur- inrichting is al zo veel gedaan. De logische vraag die je dus stelt als ont- werper is: ‘Wat is onze rol? Wat kunnen wij toevoegen?’ Sommigen maken dan iets supergroots of iets heel expliciets, zodat het bijna gaat om een kunstwerk. Wij zoeken het eerder in de subtiliteit. Bij ons gaat het werk verder dan mooie vormen bedenken. We stellen ons compleet ten dienste van de klant. De kunst bij verlichtingsdesign bestaat er bovendien in om armaturen te tekenen die niet overheersen in de architectuur. Anderzijds is het zo dat wie verlichting koopt, vaak kiest uit een catalogus.
Het ontwerp moet dus wel opvallend genoeg zijn om eruit te springen. Wij bekijken het volledige plaatje.”

Hoe moeilijk is het om op te vallen?

“We gaan altijd tot het uiterste. Het is niet omdat iets vandaag niet bestaat dat het morgen niet zou kunnen bestaan. Zowel op technisch als op esthetisch vlak en op het gebied van materialen zoeken wij altijd naar inno- vatie. En dat valt op, blijkbaar.”

Wat zijn uw plannen voor de toekomst?
“We willen nog meer totaalprojecten realiseren. Architect Henry van de Velde tekende alles, van de archi- tectuur van een woning tot de deur- hendels en de badkamer. Wij geloven enorm in dit soort ‘maatwerk’ en willen inzetten op twee denksporen, als specialisten en als generalisten.”