Categorie archief: architectuur

No Pictures Please (5): Millennial Pink blijft

De eenhoorn, zeepbellen, regenbogen en bloemenkransen. Wie uit de eerste flowerpowergeneratie had kunnen voorspellen dat ze zo hip zouden zijn bij tieners dezer dagen? En wie had tien jaar geleden durven te beweren dat meubelmerken en masse roze sofa’s op de markt zouden brengen? “Roze is het nieuwe zwart”, verklaart kleurexpert en trendwatcher Hilde Francq al jaren. “De kleur is niet langer kinderlijk. Roze is volwassen geworden.”

Hoe is dat zo gekomen?

“Door de kredietcrisis. Harde tijden zijn immers de ideale voedingsbodem voor roze. Uit onderzoek blijkt dat mensen in de Verenigde Staten en Europa die kleur associëren met gevoeligheid, tederheid, zachtheid, zoetheid en de kindertijd. Exact waar ze nood aan hebben in tijden van crisis.”

Waar kwam dat roze eerst voor?

“Niet in de mode, maar in de interieursector. Het Nederlandse ontwerpduo Scholten en Baijingslanceerde pastelkleuren, en ook de Bouroullec-broers pikten het snel op. Ze gebruikten naar eigen zeggen ‘een verschrikkelijke rode daad samen met een verschrikkelijke witte draad’ voor een soort gebreide stoel voor Vitra, die dus roze uitviel. De Scandinavische meubelmerken volgden snel. Pas daarna was het aan de mode: Raf Simons bij Jil Sander in 2012, en snel ook merken zoals Cos. En vervolgens ging de rest overstag. Nu is het gemeengoed. Zelfs haren worden vlotjes roze geverfd. Niemand kijkt ervan op.”

Is het roze ondertussen veranderd?

 

“Absoluut. Eerst was het inderdaad pastelroze met rood en wit erin. Daarna, en daar zitten we middenin, volgde huidskleur. Die valt te verklaren door de gezondheidshype en verwijst naar de aandacht voor het menselijke pure lichaam. Huidskleur is de kleur van een aanraking, van een knuffel. Iets waar we, in deze tijden van schermen en sociale media, blijkbaar naar snakken. Kleur hangt samen met de vormen. Zo zijn meubels minder hoekig dan vijf jaar gelden: ze hebben meer rondingen, als een menselijk lichaam.”

Hoe combineert een mens die verschillende tinten roze?

“Ik vind het geweldig met Yves Klein elektrisch blauw. Het wordt ook vaak met geel gecombineerd, met wit, of met messing, natuurlijk.”

Welk roze komt eraan in 2018?

“Perzikroze. Bijna oranje dus. Het hangt samen met de opgang van het feminisme, en met de aandacht voor nuchterheid en eenvoud. Geen enkele kleur is zo flatterend als roze, voor alle huidtypen bovendien. Zoals gezonde blozende wangen.”

Kleur verkoopt, Hilde Francq, uitgeverij Lannoo Campus, 34,99 euro.

Dit artikel verscheen in Knack Weekend van 28 juni 2017

In de serie No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

In een andere reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

No Pictures Please (4): Wifi in de kapel

Waarschuwing: dit is een boekbespreking. Over een boek over architectuur. Zonder prentjes bovendien. Maar wel over tijdsreizen. Ha!

Vandaag 10 mei werd het programma voor het gloednieuwe Festival van de Architectuur voorgesteld.  Herbestemmen is een van de speerpunten van dat festival.

Architecten zijn tijdsreizigers. Het heden bepaalt hun werk door bijvoorbeeld huidige wetgevingen en technische mogelijkheden. De toekomst moet architecten bezighouden, willen ze het gebouw zo lang mogelijk laten gebruiken. En het verleden? Dat is de context waarin architecten werken: het landschap of de bewoonde kern waarin hun gebouwen zich een plek zullen toe-eigenen.

In een nieuw boek van uitgeverij Gestalten kreeg dat tijdreizen de hoofdrol: onder de titel Upgrade worden 52 vrij spectaculaire Europese renovatieprojecten getoond. Van een Zwitserse ruïne tot een cementfabriek in Spanje, van een modernistische Italiaanse woning tot een Gentse rijwoning: allen werden verbouwd tot hedendaagse en toekomstgerichte woningen of werkplekken. Sommigen te midden de stad, anderen op desolate plekken aan de kust, in de bergen of aan een meer. Vooral visueel indrukwekkende projecten werden voor het boek geselecteerd: woningen waar nieuw en oud naadloos in elkaar overgaan of net spannend clashen.

Soms zijn er – in postzegelformaat – ook foto’s toegevoegd van voor de verbouwing, wat extra verhelderend kan zijn. Wat blijft en wat gaat? Is de vraag die de architecten en bouwheren in élke renovatie moeten stellen. Alleen is het antwoord in de projecten in dit boek nét iets extremer dan een slim geplaatste poutrel of steunbalk in een doordeweekse rijwoning. Extra troef: er zijn ook zes Belgische en vijf Nederlandse projecten in het boek opgenomen. Experts Graux en Baeyens uit België en Zecc uit Nederland komen met elk drie projecten ruim aan bod.

Dat het niet gemakkelijk is om bijvoorbeeld isolatie rond een ruïne te voorzien kunt u zich voorstellen. Om nog van leidingen, verlichting of wifi te spreken. Het is geen toeval dat op de cover van dit boek een muurlamp te zien is van Jean Prouvé die met een draad aan een stopcontact in de vernieuwde grond zit. Improviseren hoort bij renoveren. Vandaar dat de kracht van dit boek, naast de mooie plaatjes, ook in de sterke adhoc oplossingen ligt. Hoe multifunctionele opvouwmeubels in rood meranti-multiplex in een door B-ild architecten gerenoveerde bunker in Vuren op ruimte én warmte brengen bijvoorbeeld. Of, ook dicht bij huis, drie compleet andere manieren om licht binnen te halen in oude schuren: Maxwan architecten haalt een lichtstraat in het dak in Geldermalsen; architecten de vylder vinck taillieu snijden een spie uit een Vlaamse schuur; en architect Bart Lens kiest voor een lang smal raam met onzichtbaar kader in Pepingen. In elk geval: ideeën genoeg in dit boek, ook voor wie niet net een verlaten ruïne op een klif op de kop heeft getikt.

Upgrade, Home Extensions, Alterations and Refurbishment, Gestalten,

€ 39.90, ISBN: 978-3-89955-699-5. www.gestalten.com

Dit artikel verscheen in het Aprilnummer van Feeling Wonen / Gael Maison (en français dus)  en Eigen Huis & Interieur. 

No Pictures Please (2): Vastgoed Leeggoed

Leegstand in Vlaanderen is een probleem, maar ook een opportuniteit. Voor het eerst werden de mogelijkheden in kaart gebracht. Halfleeg of halfvol, het is een kwestie van perspectief.

 

Wow!”, dacht ik toen ik twee jaar geleden voorbij een prachtig, maar verlaten winkelpand stapte. ‘Pop-up te huur’ stond er op de gigantische ramen gekalkt. Lang verhaal kort : ik heb een jaar gewerkt vanuit een statig honderd jaar oud kantoor, mét marmeren schoorsteen. We probeerden er boeken te verkopen en op de eerste verdieping (via een elegante roodfluwelen trap) opende een vriend een kunstgalerie. Een jaar later trok ik er weer uit, de plek bleek te weinig winkelende passanten te hebben. Even later was ze opnieuw bezet, er zat een andere kunstgalerie. Maar sinds begin dit jaar zie ik het pand weer leegstaan. Een grote banner tegen de gevel kondigt al meer dan een jaar ‘nieuwbouwappartementen en serviceflats’ aan. Zonde, denk ik, telkens ik er voorbijfiets en er waarlijk niets lijkt te gebeuren met die prachtige ruimte. Zonde.

Het is niet de enige leegstaande winkel in Antwerpen. Of in Vlaanderen. Recente cijfers geven aan dat één op de tien winkelpanden leegstaat. Meer in de middelgrote dan in de kleinere of grote steden. Waarom? “Omdat er paradoxaal genoeg steeds meer winkels bijgebouwd worden”, verduidelijkt Gerard Zandbergen van Locatus, dat jaarlijks alle winkelleegstand opmeet. “Zolang dat blijft duren, zullen de hoge structurele cijfers blijven bestaan. Tel daarbij de stijging in onlineshoppen en -bankieren, en de structureel hoge cijfers zijn verklaard. Dat is niet goed voor de winkels die overblijven, en ook niet voor passanten en bewoners.”

Hij kent nochtans oplossingen. “Lier bijvoorbeeld doet aan kernafbakening. Ze reserveren een ‘koopzone’ waarbinnen alles in het teken staat van leveringsmogelijkheden, wandelzones, rustbanken etcetera. Eigenlijk niet eens een dure maatregel. Het is veeleer een positionering. Een boodschap voor winkeliers én consumenten: ‘Hier is het te doen, niet aan de rand of langs de steenwegen buiten de stad’.”

Winkelleegstand mag dan – door de glazen vitrines – het meest zichtbare structurele leegstandsprobleem zijn, ook woningen, bedrijfsruimten en kantoren staan soms ongezond lang leeg. Er bestaan wel boetes om leegstand tegen te gaan, subsidiëringen ook. Maar die leveren niet genoeg hergebruik van ruimte op. Vorige maand publiceerde het Departement Omgeving voor het eerst een rapport dat leegstand in kaart brengt op basis van diverse administraties en op basis van terreinobservaties. Wat blijkt ? Er staan 19.700 woningen leeg, 3000 ha bedrijfsoppervlakte en 5700 winkels. Dat moet minder worden, vindt de Vlaamse overheid, die een betonstop wil in 2040.

SLIMMER HERBESTEMMEN

Ondertussen zijn er in Vlaanderen ook steeds meer leegstandsbeheerders aan het werk. Die helpen eigenaars van gebouwen (zowel overheden als privé-eigenaars) aan tijdelijke bewoners. Sommige zijn gespecialiseerd in kantoren, andere in shops of ateliers voor creatieve beroepen. Door de huidige leegstand aan te pakken voor een aantal jaren, houden leegstandsbeheerders een buurt levendig, tonen ze het potentieel van ongebruikte gebouwen en laten ze bouwheren toe om ondertussen alle vergunningen te regelen. Maar uiteindelijk is het pas echt geen leegstand meer als een plek een definitieve toekomst krijgt.

In de leegstandswereld heet dat dan herbestemmen. Er zijn flink wat ontwikkelaars die aan herbestemming doen op indrukwekkende oude sites : brouwerijen, kloosters, abdijen, ziekenhuizen. De kritiek luidt dat dit niet altijd even democratische of kwaliteitsvolle invullingen oplevert. Er blijkt een nood aan alternatieven.

Toen de Oudaan, de politietoren van Antwerpen, vorig jaar te koop kwam, werd er met een ludiek bedoelde actie ‘Wij kopen samen den Oudaan’ op zoek gegaan naar mogelijke gebruikers die samen 10,5 miljoen euro wilden betalen voor de aankoop. Dat bleek ruim onvoldoende om het te winnen van de hoogste bieder : een vastgoedinvesteerder bood meer dan het dubbele. Maar er groeide uit de actie wel een platform dat precies dit soort gebouwen slimmer wil herbestemmen : het Open Promotor Platform of OPP. “Op dit moment zijn we een viertal sites aan het onderzoeken : interessante plekken die een goede herbestemming verdienen”, legt Peter de Groot, de financiële man van het platform, uit.

ANDERS FINANCIEREN

“Projectontwikkelaars nemen posities in door de aankoop van een terrein of gebouw om het op eigen risico te ontwikkelen en dan met winst te verkopen aan potentiële gebruikers of investeerders. Wij werken omgekeerd : wij gaan eerst in de buurt potentiële bewoners, handelaars en andere partners bevragen naar wat er nodig is, om dan pas het project samen met hen uit te werken”, legt de Groot uit. “We onderzoeken ook alternatieve financieringsmodellen zoals forward funding op basis van crowdfunding (waarbij je voorfinanciert en dus risico neemt) of crowdlending (waarbij je een deel van het benodigde kapitaal uitleent en hierop interest vergaart). We merken dat ook de traditionele banken met deze modellen beginnen te werken.”

DIY-herbestemmen is dus een piste, maar sommige steden treden al jaren zelf op als vastgoedmakelaars. Overheden kunnen op die manier een bepalende rol spelen in de kwaliteit van wat herbestemd wordt. Weer een persoonlijke anekdote : ik kocht ooit zélf van een stadsontwikkelingsbedrijf een nieuw casco-appartement. Het was een voormalige semi-industriële plek in een drukbevolkte en volgebouwde woonwijk. De gebouwen werden platgegooid, de gronden gesaneerd. Buren konden een tuin kopen en wat overbleef, daar werden zes woningen op gezet door jonge architecten. Voor een heel interessante prijs kochten wij er toen eentje. We moesten er minstens drie jaar blijven wonen, een regel om speculatie tegen te gaan. Het was een win-winsituatie. Ik woon er zelf niet meer (mijn lief van toen wel nog), maar het was een verdomd goede plek. En ondertussen zie ik in die wat moeilijke wijk meer en meer panden verkocht worden aan jonge gezinnen. In Gent werkt Sogent op een soortgelijke manier.

LINK MET ARCHITECTUUR

Leegstand leeft al een tijd in de internationale architectuurwereld. Enkele jaren geleden ging, op de gerenommeerde Architectuurbiënnale van Venetië, de Gouden Leeuw nog naar de aandacht die het Venezolaanse architectencollectief Urban-Think Tank en de Nederlandse fotograaf Iwan Baan gaven aan Torre David, een gekraakte wolkenkrabber in Caracas. Eind maart verscheen van uitgeverij Gestalten het boek Upgrade. Daarin worden meer dan vijftig Europese projecten uitgelicht van unieke renovaties, waarvan het gros jarenlang leegstond. Vijf projecten uit het boek bevinden zich in Vlaanderen.

Ook de link tussen erfgoed en hedendaagse architectuur wordt hier nu meer gelegd. Het Team Vlaamse Bouwmeester werkt samen met het Agentschap Onroerend Erfgoed. In januari nog werden zes interessante herbestemmingsprojecten geselecteerd, nu worden er via een Meesterproef architecten gezocht om met die projecten aan de slag te gaan. Open Monumentendag en de Dag van de Architectuur vallen dit najaar op dezelfde dag, op 10 september. Er zal een apart programma opgezet worden rond slimme en toekomstgerichte herbestemmingen.

Leegstandsuitdagingen voor de toekomst? Ziekenhuizen zullen de komende jaren leeg komen te staan, omdat grote campussen verhuizen naar buiten de stad. “En villa’s in de buitenwijken en op het platteland. Die zijn te groot, te moeilijk te isoleren en te duur voor jonge gezinnen”, legt Tania Rens van Prevenda uit. “De eerste projecten lopen nu in de Kempen en aan de kust: we nodigen artiesten uit om er in residentie in alle rust een tijd te komen werken, zoals we dat eerder in kastelen deden.” Wordt vervolgd.

Dit artikel verscheen in Knack Weekend van 26 april 2017. 

PS: Deze post is de tweede in een aantal No Pictures Please artikels die ik deze zomer online breng. Omdat design, wonen, architectuur en interieur over meer gaat dan mooie plaatjes. 

Uit het archief : Ilse Crawford

screen-shot-2016-11-15-at-06-22-26

Knalrood en zijdezacht. Als je het ziet, wil je het aanraken. Het boek dat tien jaar geleden op mijn bureau belandde, heeft een textielcover en er staat in witte letters en in diepdruk een vraag op : Home Is Where the Heart Is ? En onderaan een naam : Ilse Crawford. Ik begon net over wonen te schrijven en ik kende haar niet. De Britse bleek een ontwerpstudio in Londen te leiden waarmee ze hotels, winkels en woningen inricht. En objecten ontwerpt. Ze bleek de hoofdredacteur van de allereerste Britse Elle Decoration-magazines. En ze bleek de afdeling man & well-being in de Design Academy opgericht te hebben. Maar dat wist ik allemaal niet toen ik dat boek voor het eerst uitlas. Niet de beelden bleven hangen, maar haar woorden over hoe een huis een thuis wordt.

Het boek van Crawford heb ik altijd bij de hand gehouden en mee verhuisd : tussen woningen en tussen kantoren. Toen ik eind deze zomer dus in de nieuwe catalogus van Ikea op pagina 9 kwam, rinkelde er meteen een belletje. “Nu ons leven steeds digitaler wordt, snakken we meer naar het fysieke”, staat er te lezen. Woorden uit het boek. Met daarboven een foto van Ilse Crawford. En met beeld van de gloednieuwe collectie die ze tekende voor de meubelgigant: Sinnerlig. Die werd in april in Milaan voorgesteld en kreeg flink wat aandacht. “We gebruiken natuurlijke materialen die je zintuigen stimuleren, je weer in contact brengen met jezelf en je gevoelens, en die de band met je woning versterken”, zo verklaart ze haar tactiele mantra. “De objecten en meubelen beantwoorden aan onze primitieve menselijke instincten. Ze zien er niet alleen goed uit, ze voelen goed aan. Ze ruiken goed, en ze klinken goed.”

Mooie woorden, maar werkt het ook ? Begin oktober vatten we in de Ikeawinkel post aan de kurken eettafel. En ja hoor, gevoeld dat er wordt. “Ik vind kurk niet mooi”, klinkt het bij een moeder. “Ja, maar het voelt zo fijn”, zegt haar dochter. Een andere bezoekster blijft staan, voelt, gaat zitten en besluit. “Dit is een zeer mooie tafel. Ik zou ze zo als bureau gebruiken. Het is veel fijner om aan te zitten dan een witgelakte tafel.” Dat was de bedoeling. Ilse Crawford: “We hebben de collectie losjes opgedeeld in drie categorieën : werken, eten en loungen. En elk van die drie heeft een meubelstuk in de hoofdrol. Respectievelijk een schraagtafel, een eettafel en een dagbed. Als inspiratie, niet als voorschrift. De schraagtafel kan bijvoorbeeld overdag een bureau zijn, maar ’s avonds eettafel. Een bank kan een console worden en krukjes kunnen bijzettafeltjes worden. Het is aan de gebruiker om te beslissen hoe die met deze dingen wil leven en hoe ze passen in zijn of haar leven.”

SCANDINAVISCHE INSPIRATIE

Sinnerlig telt dertig verschillende stuks. Concreet gaat het om die drie grotere meubelen – het dagbed met jute is het duurste stuk uit de collectie, voor 345 euro – en verder kleinere stuks : krukjes met gewone en verbrande kurk, keramiekservies, lampen, glazen en karaffen, en banken. Het goedkoopste is een bloempot voor 4,99 euro.

screen-shot-2016-11-15-at-06-32-22

Nochtans heeft Ilse Crawford geen opleiding als architect of ontwerper. Ze studeerde architectuurgeschiedenis en werd als 27-jarige de eerste hoofdredacteur voor de Britse Elle Decoration. “Voor magazines werken was een prima opleiding. Het zette me met beide benen op de grond, gaf inzicht in wat echt werkt. Ik zag zoveel nieuws dat ik begon te selecteren op wat zou blijven duren en waar mensen een connectie mee voelen.” De meeste interieurs die ze voorgeschoteld kreeg, gingen eerder over het spectaculaire dan om het normale, legde ze in The Wall Street Journal uit. “Maar ik ben net geïnteresseerd in hoe je het normale een up- grade kunt geven. Het interessante is precies om te weten waar je ruimte kunt laten voor mensen. Als mensen het object dat je maakt of de ruimte die je ontwerpt niet kunnen aanpassen, dan zijn we mislukt.”

Waar ze haar menselijke focus vandaan haalde ? Thuis, bij haar Deense moeder en Britse vader. “Mijn interesse in de manier waarop ruimtes mensen beïnvloeden, dateert van toen ik erg jong was. De grote familie en het idee dat er rond onze tafel altijd plek was, trok mensen aan. De informaliteit en de warmte waren als een magneet. Wanneer ik andere woningen bezocht, die veel meer gecontroleerd waren, was ik me altijd zeer bewust van de temperatuur die meteen een aantal graden zakte.”

Ilse Crawford omschrijft zichzelf als “een designer, academicus en creatief directeur”. Die combinatie van denken en doen leverde haar de jongste jaren niet alleen opdrachten op voor zowel de rich and famous als voor de grote massa, maar ook een eredoctoraat aan de University of Arts in Londen. Haar interieurs en objecten zijn niet alleen bedoeld om ons functionele brein te prikkelen of het oog te strelen, maar ook de rest van ons lijf. Onze handen en mond als het om een kopje gaat waar we dagelijks uit drinken. Ons zitvlak, benen, dijen en rug als het stoelen of sofa’s betreft. Warm design. Laat de winter maar komen.

Dit artikel verscheen in oktober 2015 in Knack Weekend. Sinds deze zomer werk ik aan de Sinnerlig tafel. Ze stond toen al ergens ver verstopt in het warenhuis. Omdat Ikea zelf geen cijfers wil vrijgeven, besluit ik dan maar dat ze, gezien de quasi onzichtbaarheid in de winkels, misschien wel niet zo goed verkocht, deze collectie. Nu ik deze ochtend even op de website zocht, is er van de grotere meubels geen spoor meer…. Doet het kurk nog te retro aan voor de vijftigers en zestigers? 

ILSE CRAWFORD

• Studeert History of Architecture aan de London University.

• Wordt in 1989 de eerste hoofdredacteur van de Britse Elle Decoration.

• Richt in 1998 Donna Karan Home op in New York, enkele jaren later haar eigen designstudio, waar vandaag ongeveer 25 mensen werken.

• Doet de inrichting van interieurs, hotels, restaurants over de hele wereld, zoals Soho House in New York en de pas afgewerkte lounge van Cathay Pacific in Hongkong.

• Ontwerpt meubels voor onder meer De La Espada en Georg Jensen en dus Ikea.

• 2016 : Ontwerper van het jaar bij de vakbeurs Maison & Objet in Parijs.

Words to live by : Ode to Geert Bekaert

screen-shot-2016-11-14-at-10-56-10

The theme of this 25th edition of the Biennale Interieur is Interiors. How interiors are experienced and inhabited has been the subject of author Geert Bekaert’s writings since the 1950s. Contemporary critic and writer Christophe Van Gerrewey interprets Bekaert’s conclusions. A conversation about architectural criticism then and now. About how Belgians are living and building. And also about Pinterest and Instagram.

By Leen Creve

‘We view Interiors broadly,’ says OFFICE Kersten Geers David Van Severen, the cultural curators, about their choice for the overarching theme of INTERIEUR 2016. ‘From highly technological and ‘living’ spaces to artistic installations and total interiors. We want to offer a catalogue of a hypothetical world.’ With that premise in mind, we can’t help but think of that other curator, writer, historian and journalist: Geert Bekaert, who died a few months ago at the age of 88. The experiencing of spaces was crucial to him. Time for a conversation with an expert on his work: writer and professor Christophe Van Gerrewey.

Geert Bekaert and Biennale Interieur

Geert Bekaert was born in Kortrijk in 1928. When Interieur was founded in 1967 he was already a respected journalist and writer for De Linie, Streven, De Nieuwe Gids, Davidsfond, Lannoo and others. He was even hired as an advisor. Later he also wrote for the newspaper De Standaard, and he made films for the Belgian national public-service broadcaster VRT with director Jef Cornelis in the 1970s and 80s. In the meantime he taught at several academies and universities in Amsterdam, Delft, Maastricht, Eindhoven, Antwerp and Leuven. He was announced as guest of honour at the Biennale Interieur in 1988 – in between Philippe Starck (1986) and Andrea Branzi (1990) – and preceded to become president of Biennale Interview from 1991 to 2000. In 2008 Bekaert looked back at the operation on the occasion of its forty-year anniversary. Geert Bekaert passed away in September 2016.

Christophe Van Gerrewey on Geert Bekaert

“I first studied literature and then architecture. His writings were treated in my architecture course. It wasn’t until 2001, when I visited the expo of Xaveer De Geyter in De Singel, that my fascination for his work began. Geert Bekaert had written a text for that exhibition – in it he talks about the relationship between literature and architecture. I didn’t really understand that text and started reading his other work. I chose literature and architecture as the subject of my thesis, and after learning that Bekaert’s collected works were not all collected yet, I focused on that during my PhD. I compiled his texts in collaboration with Mil de Kooning, and from his writings I could read the history of architecture. I divided them into six time periods and six themes. First religion, then living, then society, because architecture went through an identity crisis in the 1970s. In the 1980s, there was a return to the past in postmodernism, causing history to become the main theme. Later, during the 90s, architecture became more openly regarded as a form of culture. If I were to summarize it now, I would say that architecture is becoming more (and forcibly so) political.”

 

I would like to start with a passage from a text written in 1994, on the occasion of the 25th anniversary of the Biennale Interieur. Geert Bekaert was president of the Biennale at the time. ‘The interior materialises anywhere, but is no longer tied to a place. Furthermore, it surpasses time by settling itself in its core. The most beautiful and unexpected aspect of this development in interiors is that it relates to its original meaning again: that it wasn’t tied to forms at all, but was the condition for as much freedom as possible for moving in and dealing with the world of human beings.’ Has he always described interiors in this way?

 

CHRISTOPHE VAN GERREWEY: Interiors can be viewed as the inside of a building, but on the other hand also as what is placed in that building: furniture and smaller elements, anything that is too small to be considered as architecture. He wrote about both of these viewpoints. But indeed, Geert Bekaert did attach great importance to the feeling that an interior can be the centre of the world for someone. An interior has an artificial and temporary character. But that doesn’t mean that it can’t be important. And personal. He also acknowledged that an interior might not exist anymore, because people are always on the move, living out of a suitcase. He once wrote that a hotel room is the ultimate and only true interior.

 

I think that this contradiction has always been present in his prefaces and texts about Interieur. In a 1968 text about the Biennale he wrote this: ‘Now Kortrijk appears with a whole new initiative: a biennale that, under the title Interieur, wants to offer an international confrontation of creativity in the field of interior architecture. What choice will be on offer? The fashionable diktats of the selection? Or absolute freedom? Asking the question in that way, they cannot choose either. If an initiative like the Biennale Interieur wants to be significant in any way, it can only do so by rejecting this out-dated dilemma through an honest search for the factual relationships between people and their interiors in this day and age.’ In this passage he emphasises that you should be free to put together your own interior.

 

Even though he was afraid of its potentially patronising character, he did acknowledge that every two years, Interieur is a moment for the public to question their interiors. In the 1960s it obviously still had much to do with the fight against the modernism and functionalism of the 1950s. And its stark trends and ways of living. Bekaert views Interieur as a moment to realise that there are alternatives to the prevailing standard – that this norm is not the only truth. He believes that this utopia is central to the Biennale Interieur.

Do you think that this role is still applicable to INTERIEUR 2016?

I think so. Today there are also norms and trends that aren’t given a second thought. Let me give an example: these days many people that are in their early sixties – my parents’ age – are renovating their bathrooms. These people aren’t necessarily involved with design, but they do pick up on things and are directed towards trends. Without thinking about it, they choose soulless, sleek bathrooms with square sinks: as soon as you turn on the tap, the water splashes everywhere. They don’t want to be viewed as old-fashioned by choosing a more practical, deep and round sink. They want to be up to speed with trends, even if their old bathroom was still perfectly functional. Interieur still shows alternatives to these norms and trends. There is still hope that it makes people look at their own interior and environment more critically. This is, and will remain, one of the raisons d’êtres of Interieur. But as a fair you never know whether you have succeeded. It is something that you propose to the public without knowing whether it will have any effect.

 

Was this looking for a balance between educating the public without being patronising something that Geert Bekaert was also concerned with in his own work?

Yes, that’s right. The dilemma of on the one hand showing good examples and on the other hand believing that people can make their own decisions has always been a part of his work. He thought his role was to confront people with the possibilities. But as a critic you need to be able to distinguish between the good and the bad at the same time. And to be able to explain why. Bekaert was very knowledgeable about this, but he did always try to clarify that it concerns a large audience and he tried to be as accessible as possible. He was both an academic and a television producer and journalist for a large audience.

 

Was Geert Bekaert unique in this respect?

In the field of architecture, yes. He wrote about architecture from the 1950s until about five years ago. And he always remained inquisitive. And flexible. He liked Charles Vandenhove, but was also one of the first to write about Rem Koolhaas. Many people didn’t understand this, and from a certain viewpoint it might be hard to understand. But he knew who mattered, and that made him a good critic and journalist. He literally wrote nearly every day and published 1,400 texts. These have been collected (by me, among others). And I used his writings to review fifty years of architectural history in my PhD dissertation. On the basis of his work I analysed that period in architecture and divided it into six themes (see text box). His faith in architecture makes him exceptional. He put architecture in perspective but at the same time ascribed it sacred properties. According to him, architecture has a considerable amount of influence on people. 

Where do you think that this belief in good architecture and design in Bekaert’s texts comes from?

Bekaert started working as a journalist for the newspaper De Standaard, when he was still a Jesuit. He was 18 years old when he joined the Jesuits, partly because they provided the best education at the time. He started writing in 1950, first about sculpture, then the modern architecture of churches. After that he increasingly wrote about architecture. His work always consisted of a very existential feeling that something might be at stake in architecture. When he started writing about living and interiors in the 1960s, some of these religious things stuck. They’re present in some disguised version. In 1968 he wrote a text entitled: ‘The sacred is the everyday’. In it, he tries to describe how you almost perform a church service at home. Every meal as a sort of Eucharist celebration. He kept writing about the importance of these kinds of sacred – or in any case meaningful – moments at home, even though he resigned from the Jesuits in 1974.

Bekaert notably didn’t interview many people? Or did he not publish these conversations in the form of interviews?

It is true that he didn’t interview many people. He did it sometimes, but actually he ended up not really considering what those people said. He preferred to look for what was going on in their work himself.

In what other ways is architectural criticism different than say 40 years ago?

I teach architecture theory at EPFL in Lausanne. My students think it’s odd that someone who isn’t an architect would write about architecture. In a way that’s a pity. Bekaert once published a text about Belgian architecture with the subtitle: ‘Thoughts from an outsider’. He thought that only an outsider could speak for the user of inhabitant. At the same time he was a spokesperson for architects who couldn’t or wouldn’t speak about their own work. The post-war, silent generation just constructed buildings without caring all that much. Even Stéphane Beel’s generation didn’t look for words to describe their own work. Today it’s almost indispensible to be able to communicate well as an architect, to state what you stand for as clearly as possible yourself.

How did Bekaert look at Belgian houses?

I found a text from 1989, entitled: ‘A journey through the jungle’. Bekaert’s conclusion in this text is that ‘the Belgian house’ does not exist. It has to be reinvented each time. This individualism, the ideal of the free ‘kavel’ (a housing subdivision of land), is typically Belgian. 

A recent survey by a construction firm showed that in 2016 the average Flemish person still dreams of a three-bedroom detached house in the countryside.

Yes and it’s striking that Bekaert resisted this quite strongly in the 1960s. He did become more lenient over the years, and in the 1980s he said: ‘If villas are the norm, then maybe we should try to make the best villas as possible.’ This theme is still relevant. Perhaps today is the time to look at the boundaries of this ‘verkavelingsdenken’ (thinking in subdivisions). Either way, we are starting to see its limits. The question is whether you can re-educate the public? Whose job is that? The Flemish Government Architect? Politicians? Is it possible to go against a national spirit or zeitgeist? It is a difficult discussion. And the same dilemma applies: patronising is probably not going to work.

Last question: Bekaert never wrote about it, but in contemporary interior architecture, Pinterest and Instagram play an important role. The photographs on those platforms literally inspire builders and renovators across the globe.

I might be a bit old-fashioned, but I believe that you can’t decorate a (living) culture just with imagery. You also need words. I regularly have that discussion. For me, images often say everything and nothing at the same time. I try to look at Geert Bekaert as an example in that sense. He always searched for a vocabulary to put the impact of architecture and design into words. In 2000, he wrote a text about designer Maarten Van Severen. The first sentence is: ‘Why is it that a work by Maarten Van Severen, a table, a chair or a cupboard, can be so captivating?’ Then he goes on in an attempt to answer that question with a profundity that has become rare. Page after page he tries to describe as meticulously as possible the effect that a piece of furniture like that can have – what sitting at a Maarten Van Severen table can mean.

Geert Bekaert was looking for a language to make things discussable and to weigh its pros and cons. The Internet is making this more difficult than before. You can find imagery that is repeated endlessly, but that – as is everything – is bound to a certain place and time. I see that even with architecture students. In the workshops they sometimes bring images for inspiration. But if you ask them to describe what they see, they hardly seem able to do that. That’s a problem. They might know that it is a building by Mies van der Rohe, for instance, but where, in what context, from which period and for which client? They don’t have a clue. So they can’t explain why the architect chose for that solution, right? The Internet is full of these types of context-free images. I think that now more than ever, we are in need of interpretation and context, in the same way that an author like Geert Bekaert provided them.

This article was first published in the Biennale Interieur 2016 catalogue

Herfststillevens (2) : Lichtpuntjes

Soms lijkt het licht té snel op in november. Dit is het seizoen om te experimenteren met stillevens met licht. Een goede lamp voor boven de tafel, bij de zetel of praktisch licht in huis is een evidentie. Maar dat extra lichtje op een onverwachte plek zoals de gang, in de slaapkamer en zelfs in de badkamer zou wel eens kunnen helpen tegen de herfstdip. Liefst, het is tenslotte geen lente, zonder een extra elektriciteitsleiding te moeten leggen of zonder te veel  te moeten boren in muren of plafonds.

Mijn favoriete lichtjesstillevenstips. In volgorde van redelijk wat tot extreem weinig werk.

Plug & Work van Lampe Gras is eten ook een catch-all of een minibureautje
Plug & Work van Lampe Gras is meteen ook een catch-all of een minibureautje
Vintage industriële lampen doen dienst als leeslampje in The Jam Hotel in Brussel
Vintage industriële lampen doen dienst als leeslampje op een simpel timmerhouten hoofdbord, in The Jam Hotel in Brussel
een spiegelkoplamp maakt dat licht beter verspreid wordt. Ideaal om te hard licht in bijvoorbeeld een badkamer te verzachten.
Een spiegelkoplamp maakt dat licht beter verspreid wordt. Ideaal om te hard licht in bijvoorbeeld een badkamer te verzachten. De bestaande lamp uitdraaien en deze erin draaien en klaar. Bestaat ook in led.
Met een set letters geleverd, maar zonder batterijen, deze lightbox, bij Urban Outfitters.
Met een set letters geleverd, maar zonder batterijen, deze lightbox, bij Urban Outfitters. Overal te plaatsen dus.

Ideaal om uit te proberen waar u graag licht hebt, is een lampe baladeuse die met een meestal vrij lange draad en een clip of haak komt om ergens aan te bevestigen. Er zijn de klassieke industriële werklampen, de May Day lamp van Konstantin Grcic voor Flos, of de eenvoudige staaldraadlampjes zoals je die bij onder andere Merci in Parijs kan kopen (ik kreeg er ooit eentje cadeau).

May Day van Flos
May Day van Flos
een leeshoekje in het boshuisje van fotografe Bieke Claessens, gepubliceerd in haar gloednieuwe boek Wonen zoals je bent dat op 11 november wordt voorgesteld.
een leeshoekje in het boshuisje van fotografe Bieke Claessens, gepubliceerd in haar gloednieuwe boek Wonen zoals je bent dat op 11 november wordt voorgesteld.

Maar er zijn ook groter uitgevallen modellen zoals deze hieronder. Sculptuur én lamp tegelijk.

Moire van Marc Sarrazin voor Petite Friture, om neer te leggen of op te hangen en dus multi-inzetbaar.
Moire van Marc Sarrazin voor Petite Friture, om neer te leggen of op te hangen en dus multi-inzetbaar.

 

Work Work Work Work (7): verslag vanop een kantoorbeurs

Nooit eerder ging ik naar Orgatec, een beurs rond kantoorinrichting, die om de twee jaar plaatsheeft in Keulen. Maar omdat wonen en werken steeds meer in elkaar overlopen (zie ook hier) , ging ik toch in op de uitnodiging van fabrikant Vitra om eens naar hun nieuwigheden te komen kijken. Zij waren eerst kantoorinrichter, gooiden zich toen ook op de zogenaamde “home”-markt, maar draaien nog steeds de meeste omzet in de projectmarkt: kantoren, scholen, ziekenhuizen, hotels en andere semipublieke ruimten.

Een hedendaagse kenniswerker (want dat is het voornaamste doelpubliek dat uiteindelijk in de nieuwe kantoren terecht kan) krijgt in een modern kantoor flink wat keuzes voorgeschoteld. Hij of zij kan inpluggen waar ‘ie wil. Zitten waar hij wil, de koffie kiezen die ze wil, tussen de collega’s zitten aan een bureau, of even vergaderen in de sofa. Of zich terugtrekken in een stilteplekje om te telefoneren of te concentreren.

bureau nieuwe stijl, bij Vitra
bureau nieuwe stijl, bij Vitra, met een vintage sfeer hoekje in een geluidsdichte box

Naast een goede akoestiek voorzien via allerlei akoestische panelen, lijkt kabels wegtoveren aan vergadertafels ook een van de belangrijke opdrachten van een kantoorinrichter. De ene doet dat via speciale richels, de ander via stopcontacten aan de poten, of via werkbladen waar devices draadloos opladen.

Tafel met richels van Buzzispace
Tafel met richels van Buzzispace

Imponeren, ook een doel van een baas ten opzichte van de werknemers of een onderneming ten opzichte van externe klanten of leveranciers, lijkt wat naar het tweede plan verschoven. Discrete luxe eerder: een prachtige collectie Cyl van Erwan en Ronan Bouroullec voor Vitra die doet denken aan een klassieke universiteitsbibliotheek past daarin. Of de Dan collectie van het Belgische Bulo (eerder al in België getoond). Ook Buzzispace uit België toonde zich klassevol: met een donkere stand met sofahoekjes met sterke collectie van Dum, in rotan. (chill, dus). Door een nieuwe samenwerking met textielfabrikant Kvadrat is hun kleuren- en materialenpallet flink uitgebreid. Zo is er veel velours te zien, in retro blauw, oker en donkergroen. En een opvallend vintage aandoende vergaderzaalcollectie van Gerd Cockhuyt. En de allereerste stoel van Brusselaar Alain Gilles (daarover later meer).

Vintagesfeer lijkt sowieso flink aanwezig in de kantoorwereld. Ook Artek, voor het eerst aanwezig op Orgatec toonde de L-serie prominent in donkerbruine houten afwerking, mét cognackleurig leren lapje op. Ook Poltrona Frau, de Italiaanse ledenexpert, doet goede zaken op de beurs. “lederen bureaus blijven populair, al maken we ze iets kleiner.” Dromen zélfs die start-ups nog van Mad Men belevenissen?

Artek L-serie
Artek L-serie

Terwijl er enerzijds een absolute voorkeur is voor kleurrijke kantoren met poppy en pastel kleurtjes, zien we ook donkere kleuren weer meer terugkomen. Lampen, sofa’s, maar ook bureaus zelf.

veel zwarte accenten bij Buzzispace
veel zwarte accenten bij Buzzispace
lamp van Normann Copenhagen, voor het eerst op Orgatec
lamp van Normann Copenhagen, voor het eerst op Orgatec
String works met hoger lager desk
String works met hoger lager desk
Cyl van de Bouroullecs voor Vitra
Cyl van de Bouroullecs voor Vitra
Meetingplekje van Extremis
Meetingplekje van Extremis

Tijdens de lunch kwam ik dan weer een man tegen die ergens op het platteland kantoren aan het bouwen is “middenin de natuur”. Hij gelooft er sterk in. Toen ik hem vroeg of hij dan stadsbewoners wil aantrekken die ’s morgens richting het bos pendelen naar hun werk? “Absoluut, die mensen spenderen hun hele sociale leven in de stad, die natuur kan echt een troef zijn om hen aan te trekken.” Benieuwd hoe dat verder zal evolueren in elk geval.

Biennale Interieur (8): Waar ik van opkeek

Biennale Interieur viert feest en hang dus enorme zilvergekleurde metersbrede doeken over de belangrijkste gangpaden. Dat het loont om ook op de standen eens boven ooghoogte te kijken bewijzen deze drie fijne ontdekkingen waarvan ik … eh … opkeek.

1. Inifinito van Davide Groppi 

Infinito davide groppi
Infinito davide groppi

Een lintlicht hing tussen twee muren gespannen bovenaan op de stand van de Italiaanse lichtspecialist Davide Groppi. De naam Infinito is natuurlijk overdreven, maar twaalf meter overspanning (het maximum) is toch ook al indrukwekkend. Technische details vind je hier.

2. Gratis sfeerlicht

screen-shot-2016-10-22-at-12-16-35

Nog meer mooi licht kwam van boven op de stand van textielexpert Kvadrat. Vierkante lichtkoepels  zoals u die wel eens in kantoren ziet, werden bekleed met stoffen langs de binnenkant, waardoor het binnenvallende daglicht -afhankelijk van het gebruikte textiel- een andere kleur krijgt. In Elle Decoration Uk van november las ik een heel dossier over koepels en in een interieur waar ik onlangs op reportage ging, en dat binnenkort in Knack Weekend verschijnt, werd ook op een slimme manier met koepels gewerkt. Laat ons zeggen dat ik eventjes een koepelmomentje heb.

3. Asbest zowaar

screen-shot-2016-10-22-at-13-29-56
Carwan Gallery uit Libanon is een van de vier designgalerieën die een podium kregen op Biennale Interieur. Zij waren vooral uitgenodigd omdat zij enkele maanden geleden een expo organiseerden met werk van het Belgische collectief Rotor. Hier brachten de Brusselaars wederom een interessante mix van objecten mee: van anders weggegooide resten van het industrieel proces van vrachtwagenhoezen tot een huid van een paar keer met keizersnede bevallen dikbilkoe. Maar ook: een stalenkaart van asbest die boven de ingang werd opgehangen. “De kader is helemaal toe, hoor,” vertelde Rotor-lid Maarten Gielen toen hij het me aanwees.  Waarom ze het daar opgehangen hebben?  “Eerst en vooral omdat het een fascinerend object is. Dit is een van de gevaarlijkste bouwmaterialen van de vorige eeuw, waar tal van productie-arbeiders, installateurs en anderen door gestorven zijn… Maar je mocht wel de kleur kiezen.”
Hij legde later per mail uit waarom dit soort objecten hen intrigeert. “We stellen vast dat in het burgerlijk interieur van vandaag elke vorm van controverse geweerd wordt, en vervangen wordt door glad designer meubilair, en architecturale compositie. Wat we proberen te doen met ons werk bij Carwan, is om via objecten verhalen in de directe woonomgeving te laten infiltreren. Zaken die je standpunten in vraag stellen, die je even doen twijfelen. Neem nu het vel leder van een Blanc-bleu koe die we tonen. Die beesten zijn gekweekt om zoveel mogelijk vleesmassa op te leveren. Ze zijn zo enorm dat elk kalf met een keizersnede moet geboren worden. En de littekens daarvan zie je in het leder. Hang zo een vel in een woonkamer, of verwerkt het in een zetel, en het wordt een accessoire in het leven van elke dag. Het geeft betekenis aan wat er rond gebeurd. De zetel staat daar wanneer je eerste kind geboren wordt, het staat er wanneer je naar dat kind roept dat het zijn bord moet leeg eten, maar het staat er ook als de tiener naar huis komt met een eetstoornis, of wanneer je zelf thuis komt van de fitness. Of wanneer er op tv iets gezegd wordt over methaan als broeikasgas. En telkens geeft het object een commentaar.  Het biedt telkens een mogelijkheid om deze situaties ook op andere manieren te lezen. Hetzelfde geldt voor de kleurstalen van Eternit op een beurs die geobsedeerd is met keuzes.” Fijn dat er op de beurs ruimte is voor dit soort kritieken.
Lees hier waar ik vrolijk van werd, hier wat me ontroerde, hier wat we deed nadenken en hier de mooiste installaties.
Biennale Interieur loopt tot en met zondag 23 oktober in Kortrijk Xpo en in de stad.

Biennale Interieur (7) : Wat pijnlijk is om afgebroken te zien te worden

Biennale Interieur beloofde op voorhand om beleving voorop te zetten. En geen  “productcatalogus” te zijn. Daarom ging ik de beurs enkele keren rond. Op zoek naar die beleving. Wat deed mij lachen? Wat deed mij nadenken? Wat ontroerde? Waar voelde ik me meest thuis? Wat gaat zelfs een klein beetje pijn doen als het zondagavond afgebroken zal worden?

Een show, dat is ook altijd de functie van een beurs. Een event waar je bij wil geweest zijn, dat je met eigen ogen gezien wil hebben. Enkele standhouders overtroffen zichzelf en toonden op een prachtige manier waar ze toe in staat zijn.

  1. Allaert aluminium

allaert-x-studio-dessuant-bone-perpetual-motion-2

voor een video: klik hier: studio-dessuant-bone-allaert-aluminium-2

Een van dé blikvangers van de beurs is de stand van Allaert aluminium. Zij vroegen de Parijse studio Dessuant Bone om aan de slag te gaan met hun aluminium profielen. Perpetual motion heet hun bewegende installatie.met roze en transparante deuren en ramen. Een … euh … straf staaltje vakmanschap.

2. Green mood

Green Mood ©Piet Albert Goethals
Green Mood ©Piet Albert Goethals

Ik ben fan van mosmuren. Daar worden gestabiliseerde mossen en andere planten (planten die in een soort coma gebracht worden) gebruikt om op muren landschappen te maken. Green mood uit Brussel werd in 2014 opgericht en somt als haar hoofdingrediënten korst- en veenmossen op, varens en het ietwat vage “wilde planten”. Een wild effect werd in elk geval gecreëerd in de kokerstand die de eveneens Brusselse ontwerper Alain Gilles uitstekende. Simpel en duidelijk.

3. De keukens  

screen-shot-2016-10-22-at-11-02-23

Een beurs is natuurlijk geen woning, maar de woonkamer die het West-Vlaamse Obumex installeerde op een hoekstand in hal 6, daar zou ik gerust tien dagen kunnen geïnstalleerd zitten. Een kook- en werkzone in natuursteen, met tafel ernaast en prachtige vintage stoeltjes van Pierre Jeanneret uit de jaren vijftig. Hopelijk krijgt alvast de keuken ergens een tweede leven? Hetzelfde geldt overigens voor de andere keukens op de beurs zoals die van PJ Mares en Bulthaup.

4. Greenhouse van Jonathan Muecke

jonathan Muecke ©Piet Albert Goethals
jonathan Muecke ©Piet Albert Goethals

“Is het een paviljoen? Is het een bank? Is het een podium?” David Van Severen vond ook geen woorden om het Green House van de Amerikaanse kunstenaar en architect Jonathan Muecke  aan de Zuidelijke ingang van Kortrijk Xpo te omschrijven. Met eronder grote houten eiken banken.  Zélf omschrijft de architect het zo: “The Green House was developed as an exterior’s interior or interior’s exterior – understanding that both an interior and an exterior are always present – that it is the proximity and presence of the objects that determine their distinction. The ‘Interior’ was developed by isolating and then lowering the overhead plane and extending it outwards in all directions.” De banken verhuizen naar de galerie in Brussel, het paviljoen zelf verdwijnt helaas.

Lees hier wat mij ontroerde, hier wat mij vrolijk maakte en hier wat mij deed nadenken.

Biennale Interieur loopt nog tot zondag 23 oktober in Kortrijk Xpo en de stad.

Biennale Interieur (6): Wat mij ontroerde.

Biennale Interieur beloofde op voorhand om beleving voorop te zetten. En geen  “productcatalogus” te zijn. Daarom ging ik de beurs enkele keren rond. Op zoek naar die beleving. Wat deed mij lachen? Wat deed mij nadenken? Wat ontroerde? Waar voelde ik me meest thuis? Wat gaat zelfs een klein beetje pijn doen als het zondagavond afgebroken zal worden?

Ontroering. Het is zeldzaam dat ik in een expohal, met veel indrukken, geuren, kleuren en lawaai heel even helemaal stil word. En toch.

  1. Oak bench van de jonge Thelonious Goupil

screen-shot-2016-10-21-at-12-48-33

Een eik die in twee gezaagd wordt, is een perfecte bank. Simpel. Arte povera.

 

2. Een gebroken hart

Philipp Käffer
Philipp Käfer op the German Wall

The GermanWall, dat waren een rist Berlijnse designers die erg dichtbij elkaar gepresenteerd stonden. Ontroeren deed deze wandlamp. Straf, vooral in combinatie met de bijhorende tekst. “Starting from the idea that something has to be destroyed to shape something new. The initial material and form were split into pieces, and rearranged to form a product with a new function or appearance. The Broken Heart lamp for instance consists of reflectors that split a circular light. From one perspective the viewer sees a heart, but when changing position, it breaks into bits of reflected light.”

3. Paddenstoelen

screen-shot-2016-10-21-at-12-53-29
Bar Terra ©anmichiels

De cateringpunten op de Biennale worden sinds enkele edities bedacht door hedendaagse ontwerpers die daarvoor moeten meedoen met de Biennale Awards wedstrijd. Deze Bar Terrra was een van de vijf winnaars. Bedacht door Carolien Pasmans, Bram Aerts en Claudio Saccucci van Trans Architeectuur en Stedenbouw Gent, draaide deze bar rond paddenstoelen. Ze lieten enkele dagen op zich wachten, maar ergens halfweg de beurs stonden de paddenstoelen ineens in volle getale te pronken. “they are alive!” instagramde An Michiels (een van de Biennale medewerkers) bij deze foto. Hoe een natuurfenomeen zo spannend kan zijn.

4. De werkbank van opa

Pinscher
Pinscher

Opvallend hoe professioneel de standen van de jonge ontwerpers zijn, in de hallen herkenbaar door de zilveren lappen stof die verticaal boven de jongerenafdeling hangen. Mooi was het eerbetoon van Stijn d’Hondt die naast de tafels in uitzonderlijke materialen, die hij op de markt brengt onder de naam Pinscher, ook de werkbank van zijn grootvader plaatste. Een stofjas draagt en opa’s bril in de bovenzak houdt.

Lees hier wat mij vrolijk maakte en hier wat mij deed nadenken. Coming up next: wat pijn zal doen als het afgebroken wordt en wat u misschien over het hoofd heeft gezien.

Biennale Interieur loopt nog tot en met zondag in Kortrijk Xpo en in de stad.