Alle berichten van Leen Creve

Interview : Rotor DC (2/2)

Wat? Deuren, lampen, of zelfs lavabo’s  uit het stadhuis van Antwerpen zijn te koop? Online dan nog wel. Als dat geen verhaal is voor de kleinkinderen weet ik het ook niet. Wie dat mee mogelijk maakt?  De schelmen van Rotor Deconstruction uit Anderlecht natuurlijk. Ik interviewde hen het afgelopen jaar al twee keer. Hieronder het meest recente interview, uit Knack Weekend in juni 2017. Dat voor Flanders DC in januari, toen ze de Henry Van de Velde Award Bedrijf 2016 mochten ontvangen,  vind je hier

Al twaalf jaar geven ze gebruikte bouwmaterialen een tweede leven. Miuccia Prada is fan, Rem Koolhaas ook. We zijn amper halfweg 2017 en ze kregen al een belangrijke designprijs, leverden een exporuimte af, begonnen les over afbraak te geven aan de Technische Universiteit van Delft en verhuisden naar een nieuw kantoor mét showroom. Kortom, Rotor draait goed.

Ontwerpcollectief Rotor geeft gebruikte bouwmaterialen een tweede leven

Maarten Gielen (links) en Lionel Devlieger tussen het stenen aanbod op het terrein van Rotor in Anderlecht. © Fred Debrock voor Knack Weekend

Wanneer bij de doop van hun nieuwe hoofdkwartier in Anderlecht de fles schuimwijn niet kapot spat tegen de gevel, haalt Maarten Gielen een aansteker boven, brandt het touwtje door, schudt de fles en spuit de bubbels op de gevel. “Zo, wie wil er een glas?” Even nuchter en praktisch als op dit feestelijke moment, voert hij samen met Lionel Devlieger sinds 2005 het ontwerpcollectief Rotor aan. Terwijl er wordt geklonken, herhaalt hij hun hoofdbekommernis. “Zeshonderdduizend ton bouwmaterialen wordt jaarlijks als afval uit Brussel afgevoerd. Achthonderdduizend ton bouwmaterialen wordt ingevoerd. Zou het niet beter zijn om die bouwmaterialen in Brussel te hergebruiken?” En meteen voegt hij er – alweer nuchter – aan toe: “Onze bijdrage is bescheiden: wij halen voorlopig 0,1%. Maar we zorgen voor toegevoegde waarde: we werken met lokale leveranciers, aannemers, transporteurs… Hergebruik werkbaar maken is het verhaal van de kip en het ei. Architecten en ontwerpers die met tweedehandsmaterialen willen werken kunnen dat alleen maar als er een dienstverlening is. Die dienstverlening, wij dan, kan alleen maar overleven als er ook klanten zijn.” Vroeger overleefde Rotor op onderzoekswerk rond hergebruik van industriële bouwmaterialen, daarna bouwden ze artistieke presentaties van gebruikte materialen en nog later werden ze een echt demontagebedrijf. Nu breken ze voornamelijk kantoren af, inventariseren slim, stockeren en verkopen door aan ontwerpers en architecten. Of ze bouwen er zelf interieurs mee.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels. © FRED DEBROCK voor Knack Weekend

“Wij werken niet met afval”, verduidelijkt Maarten Gielen bij een rondleiding door hun nieuwe plek. “Wij zijn het afval voor: wij hergebruiken de componenten zoals ze zijn. We gaan ze niet versmelten of vermalen. Wat goed is, moet je als dusdanig kunnen gebruiken : een tegel, een wand, een plafond… We maken hoogstens schoon en herverpakken. Kijk, twee à drie keer per week krijgen wij de sleutel van een gebouw. Alles wat wij er niet uithalen gaat naar de sloop en de afvalberg. Maar we zijn realistisch. Wij weten dat een architect en aannemer een serieuze verantwoordelijkheid nemen en dus betrouwbare materialen willen.”

NÉT NIEUW

Hun team van zo’n twintig ontwerpers, architecten, arbeiders en ingenieurs is opgesplitst in twee bedrijven: Rotor zelf, dat het onderzoekswerk levert en Rotor DC. “Wij zijn drie in één”, vertelt Lionel Devlieger: “Architect, die de waarde en de bruikbaarheid van de materialen inschat op een af te breken werf. Tezelfdertijd aannemer, die weet hoe de demontage praktisch kan verlopen zonder dat er bijvoorbeeld schroeven kwijtraken. En ten slotte ook verhuizer.” In Anderlecht zit iedereen samen op één plek. “Handig, onze ontwerpers kunnen letterlijk komen shoppen in de showroom en het depot”, lacht Lionel.

De klanten zijn divers: schattenjagers die helemaal wild worden van bijvoorbeeld een jarenvijftigtegel van Lucien Engels. “Veel handelaars zijn actief in rustieke materialen zoals parket, marmer of schouwen, of meer industriële materialen zoals baksteen en stoer metalen fabrieksmeubilair. Maar wij houden het veeleer modernistisch”, vindt Maarten Gielen. Een tweede groep klanten bestaat uit architecten en ontwerpers die unieke, goedkope of ecologische interieuroplossingen zoeken, zoals binnenwanden, brandwerende deuren, wastafels, plafonds of tegels. “Daar telt prijs én ecologie mee.” Een opvallend nevenprojectje is Ditto: gereinigde klinken, scharnieren, schroeven en moeren, die in twee gewone doe-het-zelfzaken netjes verpakt naast de nieuwe onderdelen te koop liggen.

De week na de opening starten Lionel Devlieger en Maarten Gielen met doceren aan de Technische Universiteit van Delft. “Hoe tof is het om aan architecten, opbouwers per definitie, eens les te geven over afbraak!”

rotordb.org en rotordc.com

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels. © FRED DEBROCK voor Knack Weekend

PROJECTEN IN 2017

1. Tegels, Gent en Anderlecht

“Tegels houden ons al een tijdje bezig. Een van de eerste projecten waar door ons gerecupereerde tegels gebruikt werden, was in 2015, door Doorzon Interieurarchitecten in de winkel Moor & Moor in Gent. Onlangs ontmantelden we interieurs uit een universiteitsgebouw in Luik. Duizenden vierkante meters keramische tegels lagen er, per kamer telkens volgens een ander patroon geschikt. In de winkel hebben de architecten die tegelpatronen speels gecombineerd. Die tegels uit Luik hebben we volgens een zelf ontwikkelde methode gereinigd. Ze zijn in perfecte staat en kunnen voor een zeer redelijke prijs worden verkocht. We stelden dat reinigingsproces deze winter voor op de expo Manufactuur in Z33 in Hasselt. We ontvingen net een economische beurs om uit te zoeken hoe we dat semiautomatisch kunnen doen. Een van de hangars hier zal daarvoor gebruikt worden.”

TEGELS, Gent en Anderlecht

TEGELS, Genk, Hasselt en Anderlecht © Z33

2. Mad, Brussel

“We ontwierpen samen met architecten V+ het nieuwe MAD, een grondige transformatie van drie panden. Hier geen recuperatiematerialen, alles is nieuw en wit. We kozen wel voor materialen die aan iedere oppervlakte een aparte textuur en karakter geven, want wit is nooit gewoon wit. We staken er ook knipogen in naar typische materialen van openbare ruimten. De zwarte Pirellivloer, zoals in Brusselse metrostations, vind je hier bijvoorbeeld in het lichtgrijs.”

MAD, Brussel

MAD, Brussel

3. Bar Rural, Parijs

“Zelf zijn we helemaal wild van gelijmde, gelamineerde spanten van 25 of 30 meter lang die gebruikt worden voor de structuur van sporthallen en zo. Die maken wij bij de afbraak handelbaar door ze te verzagen in de lengte, maar ook in de breedte. Je kunt er zoveel mee doen. Ontwerper Lionel Jadot heeft er in een bar in Parijs een soort Flintstones-achtige tafels van gemaakt. Dat kunnen wij nooit verzinnen. Wij maakten er zelf een eettafel van voor onze kantoorkeuken. De oneffenheden vulden we op met op maat gefreesd inox. Lionel Jadot komt geregeld materialen bij ons kopen, ook bijvoorbeeld voor ijssalon Gaston of voor Cohabs in Brussel.”

BAR RURAL, Parijs

BAR RURAL, Parijs © ISABELLE KANAKO

Interview : Rotor DC (1/2)

Consistentie en gezond verstand. Zie daar het geheim van Rotor. Sinds 2005 concentreert dit Brusselse collectief zich op één zaak: het hergebruik van hoofdzakelijk bouwmaterialen. Vanuit elke hoek bekijken ze de zaak: theoretisch en esthetisch, maar ook politiek en cultureel. En vooral: praktisch.

In zijn werkbroek begroet Maarten Gielen mij. “Ik kom recht van een werf”. Samen met Tristan Boniver, Michaël Ghyoot en Lionel Devlieger richtte hij in 2005 het collectief Rotor op. Eerst doken ze in de industriële afvalbakken van Brusselse fabrieken en maakten er een database van zodat ook anderen al dat bruikbaar materiaal konden vinden. Ze ontdekten dat er ook schoonheid te vinden was en gebruikten mooi afval om hun boodschap “waarom weggooien wat eigenlijk perfect bruikbaar is?” kracht bij te zetten op tentoonstellingen in Duitsland en op de Architectuur Biennale van Venetië. Ze charmeerden niet alleen Miuccia Prada die hen uitnodigde om iets te doen met haar stock catwalks, maar ook Rem Koolhaas die hen inviteerde om door het archief van zijn bureau OMA te gaan. Ze werden curator van de Architectuur Triennale in Oslo en publiceerden een kritisch boek over duurzaamheid. Ze leverden studierapporten af, richtten gebouwen in en werden als adviseur ingeschakeld door overheden en bedrijven. Ze richtten de website opalis.be op waar aannemers en architecten een adressenlijst vinden met herbruikbaar bouwmateriaal. Bedachten nog een zeer toegankelijke expo in Luik n.a.v. de laatste designbiënnale Reciprocity. En zo’n twee jaar geleden lanceerden ze Rotor Deconstruction: een, zeg maar, afvalverwerkend bedrijf. Het verklaart de werkbroek van Maarten. En het verklaart waarom Rotor ondertussen 20 mensen in dienst heeft: de helft architecten, onderzoekers en ontwerpers, de andere helft arbeiders. En soms wordt de ene onderzoeker, en de andere arbeider.

In 2013 werd Rotor gecontacteerd door een groot kantoorvastgoedbedrijf dat jaarlijks enorme oppervlakten verbouwt. Het bedrijf wilde weten of Rotor iets kon doen met de materialen die vrijkwamen. Maarten Gielen: “We maakten een inventaris van wat er in die gebouwen zat en begonnen mogelijke bestemmingen te zoeken. Omdat het bedrijf wilde dat wij budgetneutraal werkten, onderzochten we welke materialen genoeg waarde hadden om hun eigen demontage te financieren. Het waren er flink wat, zo bleek. Dat model hebben we behouden in Rotor Deconstruction. In het begin hadden we geen depot, en vervoerden we zaken rechtstreeks van afbraak- naar opbouwwerf. Nu hebben we een hybride model. Een groot deel van wat we verzetten passeert niet meer langs de depot. Dat is in volume en gewicht zeker het grootste deel. Het heeft geen zin om betondallen twee keer te verhuizen. Dan worden ze te duur. Maar aan de meest waardevolle stukken kan je waarde toevoegen door ze aan de juiste mens op het juiste moment in de juiste omstandigheden te verkopen.”

Ontmanteling van het BNP Paribas Fortis hoofdkantoor Brussel - Foto RotorOntmanteling van het BNP Paribas Fortis hoofdkantoor Brussel – © Rotor
Restauratie van het gebouw voor Civiele Bouwkunde (Val Benoits Spl) - Foto: Olivier BeartRestauratie van het gebouw voor Civiele Bouwkunde (Val Benoits Spl) – © Olivier Beart

 

LEGO

Rotor Deconstruction is bijna hoofdzakelijk in kantoren aan het werk en dat is logisch, vindt Maarten: “In Brussel is de standaardpraktijk voor de betere kantoorgebouwen op het einde van een huurcontract meestal zo dat je de kantoorruimtes opnieuw casco achterlaat. Dat levert een enorme turnover aan materialen op. Ondertussen werken we ook voor de vijf grootste concurrenten van dat eerste vastgoedkantoor. Omdat het systeem werkt.”

Maarten vergelijkt een modern kantoorgebouw met een grote Lego. Er wordt aan systeembouw gedaan: een deur of muur wordt honderd keer herhaald. “Veel materialen zijn ontworpen om verplaatsbaar te zijn en moeten meerdere keren ingezet kunnen worden. Een droom voor hergebruik, want daarmee kunnen architecten meteen aan de slag. Maar door het ontbreken van een markt voor die materialen loopt het meestal systematisch fout.” “Omdat de operatoren ontbreken,” vult Lionel Devlieger aan. “De aannemerswereld is gericht op het leveren en plaatsen van materialen. Aannemers die enkel de verplaatsing doen van werf naar werf bestaan niet.” Rotor doet dit wel. “Het probleem is dat je drie types vaardigheden nodig hebt,” duidt Maarten nog. “Enerzijds een architect die de waarde en de bruikbaarheid van een component inschat. Anderzijds de aannemer die weet hoe de demontage praktisch kan verlopen en wat hiervan de kostprijs is. En tenslotte ook de expertise van een verhuisfirma. Veel schade aan materialen gebeurt nadat ze verwijderd zijn uit de gebouwen. Wat is bijvoorbeeld de juiste manier om een grote hoeveelheid glazen platen te vervoeren? Daar kruipt heel wat denkwerk in. Er is dus de verhuisfirma, de aannemer en de architect, maar er zijn weinig bedrijven die de kennis van de drie samen combineren. Dit is onze metier. Wij nemen zo’n zes à zeven keer per week een inventaris van een gebouw. Voor ons is het nuttig om daarvoor dan een app te ontwikkelen die dat sneller en efficiënter doet. Daarin worden foto’s, afmetingen en opbouwinstructies opgeladen, krijgt alles een barcode en kan het vertrekken. Andere aannemers of architectenbureaus ontwikkelen dat niet voor één werf.”

Veel concurrentie heeft Rotor niet. Enkel voor de meer rustieke en nobele bouwmaterialen is die er wel. Parket, marmer of schouwen bijvoorbeeld worden gebracht naar handelaars die hierin gespecialiseerd zijn.

Het magazijn in Vilvoorde (detail) - Foto RotorHet magazijn in Vilvoorde (detail) – © Rotor
Uit de sloop geredde deuren - Foto RotorUit de sloop geredde deuren – © Rotor

 

KLINKEN IN PLASTIC ZAKJE

Afbreken is één, maar opbouwen en klanten vinden is de andere kant van het Rotor Deconstruction verhaal.

“Enerzijds heb je te maken met bijna antiek, heel klein in volume, maar heel hoog in waarde, zoals lampjes van Jules Wabbes, kapstokken, chique kantoormeubilair… Dat verkopen we via onze eigen website, of soms zelfs via veilinghuizen. Anderzijds heb je grote volumes van materialen met een eerder lage waarde. Zo voeren we gebruikte plankenvloeren van de Muntschouwburg af naar een winkel met ecologische bouwmaterialen. Daar staan ze in de rekken tussen andere werfplaten en worden ze door aannemers gekocht om ramen tijdelijk af te sluiten, een vloer te beschermen of als bekisting voor een betonnen balkje of zo. Klein beslag zoals klinken van deuren en kastjes poetsen we op, steken we in een plastic zakje en daar plakken we een barcode op. Die hangen hier in Brussel in materialenwinkels naast nieuwe producten, aan een iets betere prijs. Een product is ook een hele dienstverlening. Als je dertig kilometer moet omrijden voor een klink, dan doe je het niet, maar als je de keuze zo dichtbij hebt, dan werkt dat wel. Er zijn uiteenlopende motiveringen bij klanten. Soms is het puur economisch, maar even goed kan een ecologische overtuiging de doorslag geven, of de erfgoed- of culturele waarde.”

Ditto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag - Foto RotorDitto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag – © Rotor
Ditto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag - Foto RotorDitto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag – © Rotor

 

DESIGN&BUILD

“Wij blijven een ontwerpbureau en vinden ook dat aspect erg belangrijk. We bouwden bijvoorbeeld de Parodi boekenwinkel in Brussel met materiaal uit verschillende gebouwen in Brussel en Gent. En in 2018 zullen we de nieuwe kantoren van de Sociale huisvestingsmaatschappij De Zonnige Kempen inrichten. Opmerkelijk is dat we werken volgens het design&build principe: we zijn én ontwerper én bouwer, een veelbelovend principe in de context van hergebruik. Binnen het geijkte stramien van een overheidsopdracht bijvoorbeeld wordt eerst een ontwerper aangesteld, die materialen kiest en een bestek opmaakt. Vervolgens maken meerdere aannemers een offerte en wordt de meest voordelige gekozen. Wij vinden het echter veel interessanter om ontwerp én bouw in één offerte te laten meedingen. Voor kantoorgebouwen zouden we dan kunnen zeggen: dat materiaal hebben we, we kennen een aannemer die met dat materiaal kan werken en wij stellen een inrichting voor. Dan krijg je de beste prijs/kwaliteit verhouding.”

Dat een simpele prijsvraag soms volstaat, merkte Rotor toen UGent hen vroeg om mee na te denken over een nieuwe bestemming voor de boekenrekken uit de Boekentoren die door Robbrecht & Daem gerenoveerd wordt. “In de eerste plaats vroegen ze of we niet geïnteresseerd waren in een deel van de rekken. Maar die rekken werden samen met het gebouw geplaatst. Het is zelfs zo dat het ritme van de kolommen van het gebouw aangepast is aan de standaardmaten van die rekken en niet andersom. Het probleem was dat die rekken voor de verbouwing moesten verwijderd worden. Een klassieke aannemer zou serieus doorrekenen om de rekken te demonteren, te stockeren en weer aan te leveren, precies omdat hij niet meteen een oplossing weet. In de eerste besparingsronde wordt dan logischerwijze afgezien van deze piste en worden er gewoon nieuwe besteld. Wij stelden voor om een aparte prijsvraag te maken voor de rekken. Onze prijs van zorgvuldige ontmanteling, inventarisatie, demontage, stockage en montage werd vergeleken met een offerte voor nieuwe rekken. En wat bleek? De bestaande rekken hergebruiken was concurrentieel tegenover de aankoop van nieuwe rekken. Een deel van de recentere boekenrekken uit de toren zijn wel verkocht en in heel wat woonkamers terecht gekomen.

Een heel ander soort erfgoed kwam Rotor tegen in Wallonië. Maarten: “In Luik hebben we een universiteitsgebouw ontmanteld waar duizenden vierkante meters keramische tegels lagen, per kamer telkens volgens een ander patroon geschikt. Een derde kon gered worden. Dat zijn we nu aan het reinigen volgens een eigen ontwikkelde methode. De tegels zijn in perfecte staat en kunnen aan een heel redelijke prijs worden verkocht.

En dan wil Lionel het toch nog even hebben over een van de belangrijkste argumenten voor hergebruik van bouwmaterialen: de embodied energy. “Die tegels werden in de jaren dertig geproduceerd bij Cerabel (Henegouwen), in ovens met extreem hoge temperaturen waarbij veel CO2 is vrijgekomen. Voor ons dragen die tegels CO2 in zich. Wanneer wij die tegels hergebruiken, sparen wij al die CO2 uit die niet meer opnieuw vrijgemaakt moet worden voor een nieuwe vloer. Die tegels zijn nog perfect en lang niet afgeschreven, ook al zou een econoom dat natuurlijk wél al lang zo omschreven hebben.”

Dit interview verscheen naar aanleiding van de  Henry Van de Velde Award die Rotor DC kreeg in 2016. Lees hier een interview van een half jaar later in Knack Weekend.

 

Interview Yves Obyn

De vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West-Vlaanderen 2017 werd gisterenavond uitgereikt in Roeselare. Ik mocht beide laureaten interviewen.

©Kaat Pype

Surrealisme voor de Instagramgeneratie

Niet dat de jonge Yves Obyn mensen per se uit hun evenwicht wil brengen, maar ze één seconde op het verkeerde been zetten, vindt hij wel interessant. Zijn medium? Mdf-platen, hout en multiplex.

“Wij zijn geen meubelfirma. We maken wel meubels, af en toe. Alles is te koop, behalve wat al verkocht is.” Dat Yves Obyn zichzelf graag relativeert, is duidelijk. Ook in zijn werk houdt de jonge Bruggeling van humor, een kleine sneer en zelfs van maatschappelijke commentaar. Al vindt hij dat eerder bijkomstig. Het woord ‘surrealist’ neemt hij niet in de mond als hij het over zichzelf heeft, maar eigenlijk is hij het wel.

 

Wilde je altijd al een eigen atelier? Met zagen en klemmen en sergeanten zoals hier?

“Neen, helemaal niet. Ik heb nooit gestudeerd voor meubelmaker, ik ben opgeleid als grafisch vormgever. Maar al tijdens mijn studies vond ik drie dimensies interessanter dan twee. Ook toen al was ik vooral bezig met installaties en performances. Mijn grote droom was films te maken, nu vertel ik verhalen met mijn meubels en ensceneringen. Mijn atelier is als een filmstudio waar ik een eigen wereld kan creëren. Op die manier maakt ook de gebruiker deel uit van het verhaal. Deze prijs bevestigt dat ik hier toch iets nuttigs doe. Heel mijn oeuvre is opgebouwd uit experimentjes. Trial and error. Nu pas ben ik zover dat ik vind dat ik mijn objecten ook kan verkopen.”

Hoe werk je? Met een schetsboek? Computertekeningen?

“Ik maak. En probeer. Ik gebruik niet de conventionele schrijnwerkerstechnieken, want die ken ik niet. Wel heb ik meestal een duidelijk beeld voor ogen voor ik aan iets begin. Dan vraag ik me af hoe ik dat beeld kan vertalen in een fysiek object en begin ik te experimenteren. ‘Wat wil je eigenlijk vertellen?’ Die vraag werd ons in de hogeschool van Sint-Lucas het meest gesteld. Dat heb ik goed onthouden. Het doel van het verhaal en het sterke beeld blijven voor mij primeren. Een idee is niet af als ik het niet ‘gemaakt’ hebt.”

Waar haal je inspiratie voor die beelden?

“Overal. Ik hou er vooral van om te kijken naar mensen en hoe ze zich gedragen in dagdagelijkse situaties. Ik kan mezelf helemaal verliezen als ik ergens zit te eten en om mij heen kijk. Ik zie de mensen maar ook hun verhalen, die ik er al dan niet zelf bij verzin. Als je wat langer kijkt, zie je dat elke mens uniek is en elk op zijn manier invulling geeft aan zijn wereld. Toen ons eerste kindje geboren was, ging ik vaak wandelen in de buurt. Daar viel me op hoe de bewoners van hun voortuin, soms amper twee vierkante meter groot, toch iets persoonlijks willen maken. Het is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Die voortuintjes vind ik niet lelijk maar juist fascinerend. We zouden die mensen moeten feliciteren in plaats van ze met de vinger te wijzen omdat ze niet binnen de norm vallen.”

Wat heb je tot nu toe al gemaakt?

“Vroeger maakte ik vooral grote installaties, zoals replica’s van vliegtuigen en de maanlander. Daarrond speelde zich dan een verhaal af. Maar doorheen de jaren is mijn werk subtieler geworden. Ik hou ervan om alledaagse dingen en herkenbare beelden uit hun context te halen. Een tijd geleden maakte ik een reeks straatmeubels: een bushokje, een zitbank, een vuilnisbak… Dingen die we kennen en waarrond zich van alles afspeelt. Maar ik wil ze binnen gebruiken, in een huiselijke context. Het zou ook een setting kunnen zijn voor een pop-uprestaurant. Waar opgeklede mensen zouden kunnen eten als waren het hangjongeren. Ik wil met mijn werk mensen op een subtiele manier uit hun comfortzone halen. Ik hou van de conventies in onze cultuur maar vind het ook leuk om ze onderuit te halen. Ik maakte bijvoorbeeld een melkkannetje dat lijkt omgevallen te zijn en waarbij de vlek een koeienhuid is. En een eetkamerset die rechtstreeks uit een actiefilm geplukt kan zijn, met kogelgaten erin. Ik heb ook een doodskist gemaakt met een opening in de vorm van een kruis ter hoogte van het hart, waaruit de ziel kan ontsnappen. Het toont aan hoe het gebruik van techniek voor een meerwaarde kan zorgen in een verhaal.”

 

Ik haal ook veel inspiratie uit populaire cultuur, uit Amerikaanse films en hiphop. Vooral de fascinatie voor de American dream om ooit rijk en beroemd te worden houdt me bezig. Misschien is het stiekem wel mijn eigen droom.”

 

Wat maakt jou blij?

“Ik hou van de praktijk van het maken. Vaak realiseer ik meerdere prototypes van objecten, die al dan niet al een functie hebben, tot op het moment dat ik een afgewerkt product heb. Dat proces geeft me de grootste voldoening. Van zodra het af is, ben ik met mijn gedachten al bij een nieuw project. Ik zou niet zoals een muzikant elke avond dezelfde song kunnen spelen. In mijn atelier ben ik baas in mijn eigen wereld. Daar kan ik me uitleven met de meest absurde dingen. Zoals het namaken van een Ikeatrapje (Bekväm). Dat kost mij wel vijf keer meer aan tijd en materiaal, maar het voelt als een overwinning als je iets kunt namaken dat eigenlijk ontworpen is voor massaproductie.

 

Wat is volgens jou de rol van kunstambachten in 2017?

“Misschien is dat wel de perfectie een stamp geven? De structuren die je kent heel even overhoop gooien en een ander perspectief geven? Niet alles moet blijven zoals het is, toch? Ik heb geen probleem met de ideale wereld die we elke dag op social media voorgeschoteld krijgen, maar ik vind het belangrijk te beseffen dat alles geënsceneerd is. Ik vind het spannend om mensen een klein beetje op het verkeerde been te zetten. Mijn kartonnen dozen, die ik toon op de expo van Provincie West-Vlaanderen, zijn laden. Maar op het eerste gezicht lijkt het of de bewoners nog in de verhuisdozen zitten. Dat ene moment van twee keer kijken, daar doe ik het voor.”

Deze tekst is gemaakt in opdracht van Provincie West-Vlaanderen. Er loopt op dit moment een tentoonstelling.

 

Interview Peter Vermandere

De vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West-Vlaanderen 2017 werd gisterenavond uitgereikt in Roeselare. Ik mocht beide laureaten interviewen.

© Kaat Pype

Het mag wat wringen

Peter Vermandere smeedt al 25 jaar sieraden. Met zilver en edelstenen maar ook met plastic of zwarte walnoten. Hij vergelijkt zijn werk met dat van een kok en van een circusartiest.

 

Zeven broches zond edelsmid Peter Vermandere in voor de Vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West- Vlaanderen 2017. Zeven variaties, zeven souvenirs aan Idar-Oberstein, de bakermat van de Duitse edelstenenindustrie. Het stadje is een begrip in de juwelenwereld, vanwege de overvloed aan edelstenen en slijperijen. Maar Vermandere ontdekte er ook industriële schatten. Van in het begin, toen hij als achttienjarige vanuit de Westhoek naar Antwerpen trok, is hij tegelijk bezig met creëren en ontdekken.

 

Al heel jong wist je dat je edelsmid wilde worden. Waarom?

“Vanwege de materie. Ik vond edelsmeden de meest pure manier om materie te laten spreken. Haar structuur, de manier waarop ze zich vormt, intrigeert mij mateloos. Dat lag wat moeilijk in het kunstonderwijs toen, dat heel erg gericht was op concepten. Ik werk heel intuïtief. Ik wil mezelf verrassen. Ik hou ervan om met zilver te werken, maar ook met zwarte walnoten, die ik doorsnij. Of met restjes al dan niet edelstenen, met fossielen, met plastic zelfs. Zo maak ik bijvoorbeeld mijn gezichtjes, emoticons bijna. Een restje edelsteen, oesterparel of fossiel is de start, daaraan maak ik dan een ‘kopje’. Maar altijd probeer ik iets draagbaars te maken.”

Wat is een goed sieraad volgens jou?

“Voor een juweel geldt: als het maar voor 95 procent goed is, is het slecht, werkt het niet. Wij kunnen ons weinig fouten veroorloven. Dat heeft te maken met het formaat, maar ook met de precieuze materialen en technieken. Traditioneel bestaat een juwelencollectie uit een twintigtal stuks: vijf hangers, vijf ringen, vier halssnoeren, drie armbanden enz. Ik werk anders. Hangers en snoeren vind ik moeilijk. Armbanden en oorbellen eigenlijk ook. Ik probeer wel, maar ik krijg er mijn verhaal niet gemakkelijk in verteld. Ik maak ook wel ringen, maar in broches ben je vrijer, daar kan ik meer kanten mee uit. Hedendaagse sieraden gaan van superdraagbaar tot superartistiek en alles wat daartussen zit. Mijn creaties krijgen soms het label ‘mode’, soms ‘design’, soms ‘kunst’. Met juwelen raak je alles aan en tegelijk staan ze overal los van. Dat ambigue aspect en die continue ‘identiteitscrisis’ blijft me aantrekken.

Ik fotografeer mijn juwelen zelden op mensen. Ik maak ook geen juwelen die voor iedereen geschikt zijn. Misschien, als ik eerlijk ben, maak ik ze alleen voor mezelf. Dat is mijn drive: mezelf verrassen en uitdagen. Al ben ik wel gelukkig als een uniek stuk uiteindelijk zijn unieke drager vindt ”

Hoe heb je de broches gemaakt waarmee je deze prijs won?

“Ik werd door de Jakob Bengel Stiftung als artist in residence aangenomen om enkele maanden in Idar-Oberstein te werken. Het is een mekka voor juwelenontwerpers, er zijn niet alleen veel edelstenen te vinden en te kopen, maar ook veel slijperijen en een aantal fabrieken die vroeger goedkope metalen juwelen maakten. Vooral die laatste inspireerden mij. In de Bengelfabriek hebben ze persen tot 60 ton druk, waarmee metaal in een matrijs werd geplet tot medaillons en dergelijke. Werknemers konden er zeventig per minuut maken! Supersnel, met de voet. Het unieke van die fabrieken zit in de matrijzen en de machines, die nog steeds gebezigd worden voor speciale projecten. Daar mocht ik gebruik van maken. Ik ging tussen de massa’s matrijzen – wel 15.000 – op zoek naar eentje dat mij aansprak en ik vond een edelweiss. Ik deed er metaal in en hop, wat kreeg ik? Een perfecte edelweiss. Maar, saai. Ik hou wel van een beetje wringen. Dus ging ik er de matrijs verkeerd insteken, omgekeerd, achterstevoren… Uiteindelijk stak ik in de pers aluminium kettingen die er lagen. Dat platte, oneffen maar gedecoreerde schijfje vormde dan een ingrediënt voor een broche. Daar voegde ik edelstenen aan toe om de ode aan de plek compleet te maken. Ik blijf variaties bedenken, ik zit nu aan nummer achtenveertig”.

Hoe ga je concreet te werk in je atelier? Heb je een bepaalde routine?

“Mijn agent in New York houdt er niet zo van als ik dit zeg, maar eigenlijk is mijn werk zoals koken. Eerst verzamel ik ingrediënten, die laat ik wat sudderen en dan bepaal ik op het moment zelf hoe ik ze ga bewerken: koken, bakken, braden, stomen… Ik heb een arsenaal aan technieken tot mijn beschikking. Wat ik doe is handwerk, uiteraard, maar met behulp van machines. Ik heb een diamantzaag om stenen te snijden, een metaaldraaibank, een trekbank, een zaag, een pers… Dat is mijn instrumentarium.

Wie of wat inspireert jou?

“Het woord ‘inspiratie’ verwijst letterlijk naar datgene wat je zuurstof en adem geeft. Ik heb een bibliotheek vol boeken en materialen en ben een verzamelaar van verzamelingen. Maar inspiratie kun je niet dwingen. Dat kan een boek zijn, een fossiel, een steen, muziek, een schets… Ik geloof in serendipiteit: je concentreert je op je werk maar je staat open voor het onverwachte. De Poolse schrijver Witold Gombrowicz gebruikt in zijn dagboeken het woord ‘scheppingsvonk’ als hij het heeft over creativiteit: alles gebeurt terzelfder tijd. Dat herken ik wel.”

Wat betekent kunstambacht voor jou?

“In een circus zie je acrobaten de strafste kunsten uithalen alsof het vanzelf gaat. Maar dat gaat niet vanzelf, die mensen zijn opgegroeid in die wereld, hebben uren en uren, dagen en dagen, weken en weken getraind. Pas als je de technieken volledig beheerst, kun je zorgeloos beginnen te spelen. Dat geldt ook voor edelsmeden. Als ambachtsman streef je naar meesterschap. Maar je moet ook weten wanneer je moet stoppen. Perfectie durft wel eens saai te zijn. Dat is misschien de definitie van kunstambacht: iets dat artistiek is, maar ook goed gemaakt.

Ambachten zullen blijven bestaan, maar alleen als ze raken aan kunst en aan het artistieke. Als het zin heeft om iets zelf te maken. Ooit was bijvoorbeeld lithografie de standaard industriële druktechniek, dan volgde offset en daarna digitale druk. Nu nog worden er litho’s gemaakt, maar ze zijn bijna uitsluitend het domein van kunstenaars. Het gaat niet om het ambacht an sich, maar om wat je ermee vertelt.”

Deze tekst is gemaakt in opdracht van Provincie West-Vlaanderen. Er loopt op dit moment een tentoonstelling.

Herfstwoontrend (2) : Calder achterna

Een oogvijs in het plafond draaien, en er iets aanhangen, er bestaat amper een simpelere manier om een ruimte aan te kleden (los van gordijnen dan). Sculpturale mobiles à la Calder zijn ongelooflijk populair dezer dagen. Als lampen, als kamerplanthouder, of gewoon als mobile. Meestal simpel zwart, maar soms ook in felle kleuren. Evenwichtsoefeningen in huis, de ideale metafoor voor het eeuwige zoeken naar de work-life balance?

 

Atelier Haussmann
Artemide
Cappellini
DePadova
Hay, zelfdovende kandelaar.
Michael Anastassiades voor Flos, volgend jaar in productie
Multiplex, ooit ontworpen door Charles en Ray Eames, nu in productie bij Vitra.
Lambert & Fils in de vitrine van Conran shop in Parijs, voor de Paris Design Week die deze week plaatsheeft

Uit het archief: interview met Michael Anastassiades

Ontwerper Michael Anastassiades heeft sinds vandaag een expo lopen in Galerie Atelier Jespers  in het kader van Design September in Brussel. Het ideale moment dus om dit interview uit november 2013 voor Knack Weekend nog eens boven te halen. Zijn principes zijn immers ongetwijfeld dezelfde gebleven, het is een serieuze man.  Hij was toen al lang bezig, maar zijn naam was toch nog nieuw in de designwereld. Ik ben wat blij dat ik hem sindsdien min of meer moeiteloos uitgesproken krijg. Want de man blijft toonaangevend in de lampenwereld.

Zijn eerste lamp was er een die absolute stilte nodig had om te kunnen branden. Interview met Michael Anastassiades, lampenontwerper uit Londen en zintuiglijke veelvraat.

Helemaal boven in zijn huis staan we na de vele trappen wat uit te blazen, de assistent van Michael Anastassiades en ik. Maar het kan geen kwaad om even niets te zeggen, want het uitzicht is overweldigend en verandert constant : achter de voorbijrijdende treinen van Waterloo Station draait het reuzenrad London Eye. Hier woont de Cypriotische ontwerper Michael Anastassiades (46) en dit huis vertelt veel over de man : dat hij houdt van beweging. Van natuurlijke materialen, zoals donker hout, marmer en gepatineerd leder. Van koper en glas. En dat het een propere mens is. Al zou dat natuurlijk ook kunnen liggen aan het feit dat er toen net een expo liep met zijn jongste lampen voor Flos : de IC en de String Lights.

Hoewel hij al zo’n twintig jaar lampen bedenkt en zelf laat maken in ateliers in heel Europa, zijn dit de eerste die industrieel vervaardigd zullen worden. En dat is omdat hij nu eenmaal een perfectionist is, zegt de burgerlijk ingenieur als we hem een week later opbellen : “De expertise en technische kennis van Flos is zo uitzonderlijk dat alleen zij dit kunnen maken. Ze appreciëren mijn werk, dat voel ik.”

FLEXIBILITEIT

In elk geval zullen veel verbouwers zijn nieuwe String Lights appreciëren, want de lange draden en het ophangsysteem maken het mogelijk om zonder boren, slijpen of kappen op gelijk welke plek in huis exact daar licht te hebben waar je dat wilt : boven die ene leesplek aan het raam, boven de grote gezinstafel, aan de kinderhoek of in de hal. “Wanneer je de kamer opnieuw inricht, dan verhang je ze gewoon. Als je verhuist, neem je ze gewoon mee. Ik hou van die flexibiliteit. En ik hou van de sculpturale kwaliteiten die je met verlichting kunt creëren : niet alleen als ze aanstaat, maar ook als ze uitgeschakeld is. In de natuur zorgt licht ervoor dat niets ooit twee keer hetzelfde is. Licht creëert leven en zorgt voor dynamiek. Die magie wil ik een klein beetje proberen vangen, zoals bijvoorbeeld lichtkunstenaars James Turrell en Dan Flavin dat ook doen.”

String Lights Flos

Hij is beeldend kunstenaar, bedenkt ook eenmalige installaties of richt ruimten in met levende planten. Toch is hij veeleer per toeval met lampen begonnen, zegt hij. “Een van de eerste die ik bedacht, was de Anti-Social Light. Die had een ingebouwde decibelmeter, wanneer het niet absoluut stil was, kon je ze absoluut niet doen branden. Het was een statement piece, natuurlijk. Maar ik wilde wel dat ze echt bestond. En zo ben ik ze zelf beginnen te produceren. Dat vind ik mijn taak als productontwerper. Zoals een schilder schilderijen wil maken, wil ik producten maken. Geen ideeën. Daarna maakte ik de Tube Chandelier, dat moet in 1996 geweest zijn, en dat is mijn entree geworden. Sindsdien heb ik gewerkt aan een uitgebreid netwerk van ateliers in heel Europa : glasblazers, steenkappers, houtbewerkers, metaalbewerkers. Zij maken mijn lampen. Maar ik ontwerp ook spiegels, tafels en andere objecten. Daarbij vind ik de afwerking cruciaal, het tactiele en de kwaliteit van de materialen.”

Bovenstaande collecties duiken flink op in hedendaagse interieurs en in publieke ruimten. Ze passen helemaal in de art-deco trend van vandaag. Bij Atelier Jespers toont Anastassiades de expo 13 mobiles.  Nog tot 2 oktober. www.atelierjespers.com

 

Herfstwoontrend (1): Waterverf

Dat blurry dezer dagen trendy is in woningen, schreef ik al begin dit jaar. De trend lijkt zich grondig voort te zetten. Net voor de zomer liet Pinterest weten welke zoektermen veel gebruikt werden en “watercolour” bleek een van de meestgezochte termen (naast multiplex keukens, groene tegels en planten voor de badkamer).

Geen gemakkelijke trend om thuis te proberen, maar voor de durvers: hierbij wat inspiratie.

 

Gespot in het trends nummer van Elle Decoration van Augustus: deze muur uit stampleem in een woning van architecte Tatiana Bilbao, in Mexico. foto Iwan Baan.
uit de najaarscollectie van Stelton, die u kent van de koffiekannen
Stelton kaasmes
Enigma, het nieuwe restaurant van Albert Adria, door Pritzker Price winnaars RCR Arquitectes. Een 3D aquarel, alsof u in een bevroren landschap zit te eten.

In Enigma in Barcelona mag u foto’s maken, maar enkel voor privégebruik. En zonder flash. Het is het antwoord op de allereerste FAQ op hun website: “mag ik fotograferen of filmen tijdens het eten?” Die staat nog voor de vraag hoelang een etentje duurt en nog voor alle vragen over allergieën.

Soft Ice plate uit de nieuwe Hay Kitchen lijn, binnenkort ook bij ons te koop
Liquefy tafel van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Liquefy van Patricia Urquiola voor Glas Italia
Bubble glass objecten van Ferm Living, beschikbaar vanaf midden oktober
AMPM van La Redoute

 

Bump collectie van Tom Dixon, net voorgesteld op Maison & Objet
Le Creuset, lees mijn artikel over millennium pink hier.
tapijt van Christophe Hefti, op dit moment te zien bij Galerie Maniera in Brussel

Picture Perfect (4) : Hybrides in de regen

Lancaster stoel van ontwerper Michael Young voor Emeco Chairs, toegepast in het interieur van The Line Hotel in Los Angeles, door interieurbureau Knibb Design

Veel namen. Die leest u onder deze foto. Er is de man die de stoelen tekende: Michael Young, een industrieel designer, fan van metalen en van Azië, waar hij een studio heeft.

Emeco Chairs, de Amerikaanse makers van de lichte aluminium Navy Chair is de fabrikant en het merk dat deze stoelen op de markt brengt. Op hun Instagrampagina zag ik dit beeld afgelopen zomer. Emeco is gespecialiseerd in het gieten van aluminium en maakten  dus de gepolijste gerecycleerde zitting en rugleuning. De houten poten van deze stoelen werden gemaakt door een toeleverancier, een Amish schrijnwerker uit de buurt van …  Lancaster in Pennsylvania.

De combinatie van gegoten aluminium en blank hout vormt een wat atypische hybride. Een combinatie van een industrieel en een eerder ambachtelijke techniek. Van een spiegelend en een mat materiaal. Van hard en zacht. De mix met het blinkende aluminium maakt deze eenvoudige stoel visueel levendiger dan een puur houten stoel (ook wel kouder aan de poep, maar dat terzijde. Er is ook een kussentje beschikbaar voor wie daarover zou zeuren zoals ik).

Michael Young legde het in 2010 zo uit, toen hij de stoel ontwierp:  “I have worked extensively with the aluminium manufacturing process recently, and with some of the best equipped factories in Asia. I was looking at the ways to join other materials with aluminium over the last few years and thinking about a chair. I feel passionate about working with natural materials that live for ever; wood and metal are really the materials that connect to the human.  So there was no question that the richness of their ageing processes would be a perfect combination. I felt that using wood would create a softer edge to a product whilst the aluminium would speak to its sophistication and heritage.” Rijkelijk en stijlvol ouder wordende stoelen,  wie wil dat nu niet?

In elk geval hebben de ontwerpers van Knibbdesign de visuele tegenstelling helemaal uitgespeeld toen ze de Lancasters voor dit interieur bestelden. Ze plaatsten de stoelen met glanzende zitting op een minstens even blinkende vloer. Hoewel die donker is, reflecteert die het licht overvloedig, zodat een  fijne warme gloed ontstaat. Alsof er net een dikke verlossende regenbui gepasseerd is op een  hete zomerdag.

Het is een vloerafwerking die in huiselijke setting niet evident is,  maar die hier goed werkt, in een restaurant van The Line Hotel in Los Angeles.  De breuk met de  brave Scandinavische stijl is -althans in hotels, restaurants en café’s – al een tijdje geleden ingezet. Rijkelijk, gesofisticeerd, glamoureus zijn woorden die in menig nieuw hotel, bar of restaurant van toepassing zijn. Probleem is dat de nieuwe art-deco-interieurs al gauw een soort decor worden waar je eerder kostuumdrama’s ziet plaatsvinden dan ongedwongen etentjes. Toch is chic hier niet stijfjes.

Misschien ligt het geheim van de warmte van dit beeld (ondanks het koude aluminium aan de poep) wel in de nuchterheid van de houten stoelpoten?  In het muntgroen dat de voorbije jaren furore maakte in hedendaagse interieurs? Of in de geruststellende messing theepot op de houten tafel? Of misschien  toch in de zachtgele verf, met spons op de muur aangebracht? Helemaal zoals in de jaren negentig….

In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

PS: Dit beeld toont trouwens een andere trend die op kousenvoeten nadert: na messing,  brons en koper is het weer tijd voor chroom,  inox, gepolijst aluminium (zoals hier) of gewoon simpel spiegelend glas. U weze gewaarschuwd.

Picture Perfect (3): La Piscine

Les extrement se touchent. De ronde rivierkeien op de bodem van een ondiep poeltje buiten zijn de perfecte tegenhanger voor het pluizige grijze tapijt onder een eveneens doorschijnend oppervlak van de salontafel binnen. Doordat de vloer van de zithoek onder het waterniveau ligt, en enkele verschillende stroompjes als watervallen van nog hoger komen, is de waterbeleving helemaal compleet. Ook omdat het raamkader zo subtiel werd gehouden. De bijna rabarberachtige bladeren van de Gunnera plant, en de subtielere Waldstenia en de witte duizendknoop geven meteen verrassend veel variatie vlak bij het raam. Beter dan televisie, zelfs als het regent is er wat te beleven op die paar vierkante meter voor het raam. Een ondiep (30cm hier) rechthoekig vijvertje zoals dit wordt spiegelvijver genoemd. Dat fungeert zoals de naam doet vermoeden als weerspiegelaar: van de wolken of blauwe lucht. Van de bovenstaande planten, of eventueel van de architectuur. Allemaal afhankelijk van uw eigen perspectief en van de lichtinval.

Niet diep heeft voor- en nadelen: de aanleg is goedkoper en het nodige volume water en bijhorende filterinstallatie moeten dus niet de zwaarste zijn. Aandachtspunt is echter meteen wél de zuivering: omdat het niet diep is, warmt het water snel op en koelt het snel af, extremere temperatuurschommelingen die ideaal zijn voor algen. En die willen de meeste mensen dan weer liever niet, ook al omdat ze het spiegelend beeld verstoren. Het water wordt in dit badje van Biopool gefilterd door een externe filter die aangestuurd wordt vanuit de kelder onder het terras (waar eveneens een garage is), waardoor er in dit geval amper onderhoud nodig is. De watervalletjes komen vanuit een witgelakt aluminium element dat meteen ook dienst doet als plantenbak én zitbank achteraan. De tuin is aangelegd door Tuinonderneming Monbaliu en tuinarchitect Francis Broos.

Info: www.biopool.be 

Dit artikel staat flink ingekort in Feeling Wonen / Gael Maison & Eigen Huis & Interieur van deze maand, nu in de winkels.

In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

In een andere reeks No Pictures Please, bundel ik  dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

No Pictures Please (5): Millennial Pink blijft

De eenhoorn, zeepbellen, regenbogen en bloemenkransen. Wie uit de eerste flowerpowergeneratie had kunnen voorspellen dat ze zo hip zouden zijn bij tieners dezer dagen? En wie had tien jaar geleden durven te beweren dat meubelmerken en masse roze sofa’s op de markt zouden brengen? “Roze is het nieuwe zwart”, verklaart kleurexpert en trendwatcher Hilde Francq al jaren. “De kleur is niet langer kinderlijk. Roze is volwassen geworden.”

Hoe is dat zo gekomen?

“Door de kredietcrisis. Harde tijden zijn immers de ideale voedingsbodem voor roze. Uit onderzoek blijkt dat mensen in de Verenigde Staten en Europa die kleur associëren met gevoeligheid, tederheid, zachtheid, zoetheid en de kindertijd. Exact waar ze nood aan hebben in tijden van crisis.”

Waar kwam dat roze eerst voor?

“Niet in de mode, maar in de interieursector. Het Nederlandse ontwerpduo Scholten en Baijingslanceerde pastelkleuren, en ook de Bouroullec-broers pikten het snel op. Ze gebruikten naar eigen zeggen ‘een verschrikkelijke rode daad samen met een verschrikkelijke witte draad’ voor een soort gebreide stoel voor Vitra, die dus roze uitviel. De Scandinavische meubelmerken volgden snel. Pas daarna was het aan de mode: Raf Simons bij Jil Sander in 2012, en snel ook merken zoals Cos. En vervolgens ging de rest overstag. Nu is het gemeengoed. Zelfs haren worden vlotjes roze geverfd. Niemand kijkt ervan op.”

Is het roze ondertussen veranderd?

 

“Absoluut. Eerst was het inderdaad pastelroze met rood en wit erin. Daarna, en daar zitten we middenin, volgde huidskleur. Die valt te verklaren door de gezondheidshype en verwijst naar de aandacht voor het menselijke pure lichaam. Huidskleur is de kleur van een aanraking, van een knuffel. Iets waar we, in deze tijden van schermen en sociale media, blijkbaar naar snakken. Kleur hangt samen met de vormen. Zo zijn meubels minder hoekig dan vijf jaar gelden: ze hebben meer rondingen, als een menselijk lichaam.”

Hoe combineert een mens die verschillende tinten roze?

“Ik vind het geweldig met Yves Klein elektrisch blauw. Het wordt ook vaak met geel gecombineerd, met wit, of met messing, natuurlijk.”

Welk roze komt eraan in 2018?

“Perzikroze. Bijna oranje dus. Het hangt samen met de opgang van het feminisme, en met de aandacht voor nuchterheid en eenvoud. Geen enkele kleur is zo flatterend als roze, voor alle huidtypen bovendien. Zoals gezonde blozende wangen.”

Kleur verkoopt, Hilde Francq, uitgeverij Lannoo Campus, 34,99 euro.

Dit artikel verscheen in Knack Weekend van 28 juni 2017

In de serie No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

In een andere reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.