Wintertip: drie Belgische designexpo’s

Het is een goede winter voor wie houdt van designtentoonstellingen. In België alleen al zijn er drie fijne expo’s te bezoeken. Ze leggen elk op hun manier een belangrijk aspect van de dagelijkse ontwerppraktijk onder de loep. Om aan te tonen dat dat op zeer diverse manieren kan gebeuren, toon ik hier van op elke expo één project, telkens rond keramiek.

 

  1. Manufactuur in Z33

Hoe objecten geproduceerd worden, los van het bestaande industriele model met de lopende band. Dat is zowat de insteek van de expo Manufactuur 3.0. Alternatieve productiescenario’s komen aan bod: van het poetsen van gerecycleerde tegels van het Brusselse collectief Rotor tot opensourcetools en communicatiemiddelen. Atelier NL, het ontwerpduo van Nadine Sterk en Lonny van Ryswyck. Zij onderzoeken al tien jaar lang hoe lokale producties in de praktijk werken door bijvoorbeeld keramiek te maken met klei uit alle hoeken van Nederland, of recentelijk met glas van Nederlands zand.

lokaal zand als ingredient bepaalt de kleur en de afmetingen van standaardkopjes van Atelier NL
Lokaal zand als ingredient bepaalt de kleur en de afmetingen van standaardkopjes van Atelier NL

Atelier NL werd uitgenodigd om atypische maar lokaal aanwezige grondstoffen in Hasselt in kaart te brengen. “Afhankelijk van de aanwezige materialen, wordt onderzocht of een lokale versie van het Klei- of Glasservies met jeneverglaasjes (uit lokaal ‘wild’ zand) kan worden ontwikkeld”, staat er in de expotekst. Ik volgde vorige week een workshop om verf te maken uit zelfuitgegraven zand. Het resultaat van dat graven en knutselen wordt gepubliceerd in Nest van februari 2017. Het werk van Atelier NL maakt in elk geval duidelijk dat we amper nog weten dat glas van zand gemaakt wordt, en het kopje waaruit we koffie drinken, uit klei. Afkomstig van op die ene aardbol waarop we rondlopen. De dames van Atelier NL geven op 8 december een lezing met als titel Think global, Dig local.

Manufactuur loopt nog tot 8 januari in Z33 in Hasselt. De expo maakt deel uit van de stadstriënnale Trademarks.

  1. Hands on design, Design museum Gent

Om de drie jaar organiseert Design Vlaanderen (nu deel van Flanders DC) een grote overzichtstentoonstelling met de crème van Vlaams design. Deze editie kreeg de titel ”Hands on Design’ mee, en wil focussen op de ambachtelijke kracht in onze regio. Opmerkelijk is dat er deze keer veel nieuwe producten en projecten getoond worden en dat is toe te juichen. Als een tentoonstelling van een overheidsinstantie die lokale economie moet stimuleren, er in slaagt om dingen in gang te zetten, is de opzet alvast geslaagd. Een van de meest complete voorbeelden daarvan is de samenwerking tussen 3D-ontwerper Peter Donders, keramist Ann Van Hoey, sociaal atelier Den Ateljee, 3D printers Materialise én designlabel Serax. De eerste en de tweede maakten samen de vormgeving van enkele kommen, de vierde maakte er een 3Dprint van, waarna tegenmal en mal gemaakt werden. In Den Ateljee kunnen de arbeiders op die manier heel eenvoudig de kommetje uit klei maken. Serax tenslotte brengt het op de markt. Mooie lokale samenwerking.

A+A kommetjes, van ann Van Hoey en Den Ateljee
A+A kommetjes, van ann Van Hoey en Den Ateljee

En de kommetjes zijn al te koop in de winkel van het Design museum. De cirkel is dus helemaal rond. Een filmpje over het project, zie je hier.

Hands On Design loopt nog tot 5 maart 2017 in Design museum Gent

3. Ceci n’est pas une copie

Mijn lieve collega journalist Chris Meplon werkt al meer dan een jaar aan haar expo Ceci n’est pas une copie voor CID in Grand-Hornu. Dit weekend opent de expo de deuren. Ik mocht het bijhorende boek alvast even inkijken en dat biedt alvast een intrigerende inkijk in het onderzoek dat ze deed. Met interviews met grote namen als Jasper Morisson, Martino Gamper, Maarten Baas, Konstantin Grcic en Richard Hutten en critici, curatoren, bedrijfsleiders. Met vooral veel reflecties en nuanceringen. Alvast een aanrader.

Een van de objecten die op de tentoonstelling onderzocht worden is de serie vazen Hacking van Hella Jongerius. Het origineel staat er, maar ook de interpretaties van de Nederlander Bas van Beek en van het Nederlands-Belgische duo Unfold. Ik ben nu al benieuwd om de expo komende zaterdag te bezoeken. Wordt vervolgd.

screen-shot-2016-11-24-at-10-32-38
Hackings van Hella Jogerius
screen-shot-2016-11-24-at-11-24-14
Hackings, geïnterpreteerd door Unfold
screen-shot-2016-11-24-at-11-24-29
Hackings, geïnterpreteerd door Bas Van Beek

Ceci n’est pas une copie loopt van zondag tot 26 februari in CID in Grand-Hornu.

PS: mijn eigen mening over kopiëren in de designwereld vindt u op pagina 61 in de catalogus. Ik …euh… copy-paste het hier van zodra het boek officieel uit is, dit weekend dus.

 

 

 

 

 

Het einde van de stoel?

Dat zitten de moderne mens kapotmaakt, klinkt het steeds luider. Betekent dat dan ook het einde van de stoel met vier poten?

U zit veel. Gemiddeld 8,3 uur per dag. Dat is te veel. De gevaren van langdurig zitten, ook wel sedentair gedrag genoemd, werden onlangs onderzocht in een rapport van Vigez, het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie. Sedentair gedrag omvat alle activiteiten die men uitvoert in zittende of liggende houding én die gekenmerkt worden door een laag energieverbruik. Problematisch is dat meer sedentair gedrag bij volwassenen wordt geassocieerd met hogere Body Mass Index, het metabool syndroom en verschillende risicofactoren van het metabool syndroom, verschillende vormen van kanker, cardiovasculaire aandoeningen, diabetes type 2, spier- en gewrichtsklachten, en een hoger sterftecijfer, aldus het Vigez-rapport.

Nog in dat rapport: Veel zitten maakt u niet goed met een half uurtje wandelen of fietsen. U moet ook gewoon minder lang stilzitten. Meubelontwerpers bedachten daar al oplossingen voor. Enkele jaren geleden lanceerde Vitra de Tip Ton van het Britse duo Barber Osgerby. Dat was een omgekeerde schommelstoel die voorover kan kantelen of een rechte positie kan innemen. Bij Ikea bestaan er staande bureaus of modellen die je met een zwengel omhoog draait. Ook kantoormeubilairfabrikant Buzzispace uit Antwerpen heeft een oplossing. Aan hun Picnic werkeiland is plaats voor vier: twee staand en twee zittend.

Er zijn flink wat supercomfortabele ergonomische en ondersteunende bureaustoelen op de markt, maar die lossen het probleem niet op aldus onderzoeker Katrien De Cocker van de vakgroep Beweging- en Sportwetenschappen van UGent. “Een betere houding is altijd positief, natuurlijk, maar het letterlijk stilzitten wordt daarmee niet opgelost. Belangrijk is om periodes van een of twee uur zitten te vermijden. Hoe comfortabeler de stoel, hoe langer je blijft zitten. Er is een gedragsverandering nodig, geen betere stoel. Ik ben dus voorstander van gelijk welke oplossing die activiteit tussendoor bevordert. Een zitbal doet dat omdat je hoger zit en al actiever bent en je dus sneller geneigd bent eens op te staan.” Zelf werkt Katrien De Cocker aan het project Start to Stand. “Dat is een websiteprogramma waarbij gebruikers persoonlijk advies krijgen over hun zitgedrag op het werk. En concrete tips krijgen om het zitgedrag te verminderen en te onderbreken”, aldus De Cocker. Ondertussen is de website gelanceerd.

Ook Bioloog Midas Dekkers kent het probleem, en ook een simpele oplossing. “Toch bestaat het: bewegen en zitten tegelijk. Al eeuwen. En nog rustgevend ook. In een schommelstoel.” schrijft hij in zijn jongste boek de Thigmofiel. “Veel inspanning vergt het schommelen niet en toch noteerde anatoom/antropoloog Ashley Montagu een verhoogde werking van het hart, activering van de bloedsomloop, bevordering van de ademhaling, tegengaan van longvernauwing, prikkeling van de spieren en ‘zeker niet onbelangrijk: het gevoel van verbonden zijn’” Midas Dekkers zal altijd fan blijven van de stoel. “Met ‘gezondheid’ als wortel voor onze neus proberen moderne overheidscampagnes ons juist uit de stoel te krijgen. Willen die campagnes slagen, dan zou de overheid er goed aan doen eerst eens te onderzoeken waarom mensen er zo graag in gaan zitten. Niet omdat ze te lui zijn, denk ik, of omdat ze zo moe zijn van het staan, maar uit een intense behoefte aan geborgenheid. In de heksenketel van het moderne bestaan is het letterlijk moeilijk je staande te houden. Hoe zou je alle gevaren op de televisie aan te kunnen zien als je er niet lekker in een stoel genesteld bij zat?”

Ik schreef dit artikel vorige lente, het is verkort verschenen in Knack Weekend van 16 november 2016. 

 

Uit het archief : Ilse Crawford

screen-shot-2016-11-15-at-06-22-26

Knalrood en zijdezacht. Als je het ziet, wil je het aanraken. Het boek dat tien jaar geleden op mijn bureau belandde, heeft een textielcover en er staat in witte letters en in diepdruk een vraag op : Home Is Where the Heart Is ? En onderaan een naam : Ilse Crawford. Ik begon net over wonen te schrijven en ik kende haar niet. De Britse bleek een ontwerpstudio in Londen te leiden waarmee ze hotels, winkels en woningen inricht. En objecten ontwerpt. Ze bleek de hoofdredacteur van de allereerste Britse Elle Decoration-magazines. En ze bleek de afdeling man & well-being in de Design Academy opgericht te hebben. Maar dat wist ik allemaal niet toen ik dat boek voor het eerst uitlas. Niet de beelden bleven hangen, maar haar woorden over hoe een huis een thuis wordt.

Het boek van Crawford heb ik altijd bij de hand gehouden en mee verhuisd : tussen woningen en tussen kantoren. Toen ik eind deze zomer dus in de nieuwe catalogus van Ikea op pagina 9 kwam, rinkelde er meteen een belletje. “Nu ons leven steeds digitaler wordt, snakken we meer naar het fysieke”, staat er te lezen. Woorden uit het boek. Met daarboven een foto van Ilse Crawford. En met beeld van de gloednieuwe collectie die ze tekende voor de meubelgigant: Sinnerlig. Die werd in april in Milaan voorgesteld en kreeg flink wat aandacht. “We gebruiken natuurlijke materialen die je zintuigen stimuleren, je weer in contact brengen met jezelf en je gevoelens, en die de band met je woning versterken”, zo verklaart ze haar tactiele mantra. “De objecten en meubelen beantwoorden aan onze primitieve menselijke instincten. Ze zien er niet alleen goed uit, ze voelen goed aan. Ze ruiken goed, en ze klinken goed.”

Mooie woorden, maar werkt het ook ? Begin oktober vatten we in de Ikeawinkel post aan de kurken eettafel. En ja hoor, gevoeld dat er wordt. “Ik vind kurk niet mooi”, klinkt het bij een moeder. “Ja, maar het voelt zo fijn”, zegt haar dochter. Een andere bezoekster blijft staan, voelt, gaat zitten en besluit. “Dit is een zeer mooie tafel. Ik zou ze zo als bureau gebruiken. Het is veel fijner om aan te zitten dan een witgelakte tafel.” Dat was de bedoeling. Ilse Crawford: “We hebben de collectie losjes opgedeeld in drie categorieën : werken, eten en loungen. En elk van die drie heeft een meubelstuk in de hoofdrol. Respectievelijk een schraagtafel, een eettafel en een dagbed. Als inspiratie, niet als voorschrift. De schraagtafel kan bijvoorbeeld overdag een bureau zijn, maar ’s avonds eettafel. Een bank kan een console worden en krukjes kunnen bijzettafeltjes worden. Het is aan de gebruiker om te beslissen hoe die met deze dingen wil leven en hoe ze passen in zijn of haar leven.”

SCANDINAVISCHE INSPIRATIE

Sinnerlig telt dertig verschillende stuks. Concreet gaat het om die drie grotere meubelen – het dagbed met jute is het duurste stuk uit de collectie, voor 345 euro – en verder kleinere stuks : krukjes met gewone en verbrande kurk, keramiekservies, lampen, glazen en karaffen, en banken. Het goedkoopste is een bloempot voor 4,99 euro.

screen-shot-2016-11-15-at-06-32-22

Nochtans heeft Ilse Crawford geen opleiding als architect of ontwerper. Ze studeerde architectuurgeschiedenis en werd als 27-jarige de eerste hoofdredacteur voor de Britse Elle Decoration. “Voor magazines werken was een prima opleiding. Het zette me met beide benen op de grond, gaf inzicht in wat echt werkt. Ik zag zoveel nieuws dat ik begon te selecteren op wat zou blijven duren en waar mensen een connectie mee voelen.” De meeste interieurs die ze voorgeschoteld kreeg, gingen eerder over het spectaculaire dan om het normale, legde ze in The Wall Street Journal uit. “Maar ik ben net geïnteresseerd in hoe je het normale een up- grade kunt geven. Het interessante is precies om te weten waar je ruimte kunt laten voor mensen. Als mensen het object dat je maakt of de ruimte die je ontwerpt niet kunnen aanpassen, dan zijn we mislukt.”

Waar ze haar menselijke focus vandaan haalde ? Thuis, bij haar Deense moeder en Britse vader. “Mijn interesse in de manier waarop ruimtes mensen beïnvloeden, dateert van toen ik erg jong was. De grote familie en het idee dat er rond onze tafel altijd plek was, trok mensen aan. De informaliteit en de warmte waren als een magneet. Wanneer ik andere woningen bezocht, die veel meer gecontroleerd waren, was ik me altijd zeer bewust van de temperatuur die meteen een aantal graden zakte.”

Ilse Crawford omschrijft zichzelf als “een designer, academicus en creatief directeur”. Die combinatie van denken en doen leverde haar de jongste jaren niet alleen opdrachten op voor zowel de rich and famous als voor de grote massa, maar ook een eredoctoraat aan de University of Arts in Londen. Haar interieurs en objecten zijn niet alleen bedoeld om ons functionele brein te prikkelen of het oog te strelen, maar ook de rest van ons lijf. Onze handen en mond als het om een kopje gaat waar we dagelijks uit drinken. Ons zitvlak, benen, dijen en rug als het stoelen of sofa’s betreft. Warm design. Laat de winter maar komen.

Dit artikel verscheen in oktober 2015 in Knack Weekend. Sinds deze zomer werk ik aan de Sinnerlig tafel. Ze stond toen al ergens ver verstopt in het warenhuis. Omdat Ikea zelf geen cijfers wil vrijgeven, besluit ik dan maar dat ze, gezien de quasi onzichtbaarheid in de winkels, misschien wel niet zo goed verkocht, deze collectie. Nu ik deze ochtend even op de website zocht, is er van de grotere meubels geen spoor meer…. Doet het kurk nog te retro aan voor de vijftigers en zestigers? 

ILSE CRAWFORD

• Studeert History of Architecture aan de London University.

• Wordt in 1989 de eerste hoofdredacteur van de Britse Elle Decoration.

• Richt in 1998 Donna Karan Home op in New York, enkele jaren later haar eigen designstudio, waar vandaag ongeveer 25 mensen werken.

• Doet de inrichting van interieurs, hotels, restaurants over de hele wereld, zoals Soho House in New York en de pas afgewerkte lounge van Cathay Pacific in Hongkong.

• Ontwerpt meubels voor onder meer De La Espada en Georg Jensen en dus Ikea.

• 2016 : Ontwerper van het jaar bij de vakbeurs Maison & Objet in Parijs.

Words to live by : Ode to Geert Bekaert

screen-shot-2016-11-14-at-10-56-10

The theme of this 25th edition of the Biennale Interieur is Interiors. How interiors are experienced and inhabited has been the subject of author Geert Bekaert’s writings since the 1950s. Contemporary critic and writer Christophe Van Gerrewey interprets Bekaert’s conclusions. A conversation about architectural criticism then and now. About how Belgians are living and building. And also about Pinterest and Instagram.

By Leen Creve

‘We view Interiors broadly,’ says OFFICE Kersten Geers David Van Severen, the cultural curators, about their choice for the overarching theme of INTERIEUR 2016. ‘From highly technological and ‘living’ spaces to artistic installations and total interiors. We want to offer a catalogue of a hypothetical world.’ With that premise in mind, we can’t help but think of that other curator, writer, historian and journalist: Geert Bekaert, who died a few months ago at the age of 88. The experiencing of spaces was crucial to him. Time for a conversation with an expert on his work: writer and professor Christophe Van Gerrewey.

Geert Bekaert and Biennale Interieur

Geert Bekaert was born in Kortrijk in 1928. When Interieur was founded in 1967 he was already a respected journalist and writer for De Linie, Streven, De Nieuwe Gids, Davidsfond, Lannoo and others. He was even hired as an advisor. Later he also wrote for the newspaper De Standaard, and he made films for the Belgian national public-service broadcaster VRT with director Jef Cornelis in the 1970s and 80s. In the meantime he taught at several academies and universities in Amsterdam, Delft, Maastricht, Eindhoven, Antwerp and Leuven. He was announced as guest of honour at the Biennale Interieur in 1988 – in between Philippe Starck (1986) and Andrea Branzi (1990) – and preceded to become president of Biennale Interview from 1991 to 2000. In 2008 Bekaert looked back at the operation on the occasion of its forty-year anniversary. Geert Bekaert passed away in September 2016.

Christophe Van Gerrewey on Geert Bekaert

“I first studied literature and then architecture. His writings were treated in my architecture course. It wasn’t until 2001, when I visited the expo of Xaveer De Geyter in De Singel, that my fascination for his work began. Geert Bekaert had written a text for that exhibition – in it he talks about the relationship between literature and architecture. I didn’t really understand that text and started reading his other work. I chose literature and architecture as the subject of my thesis, and after learning that Bekaert’s collected works were not all collected yet, I focused on that during my PhD. I compiled his texts in collaboration with Mil de Kooning, and from his writings I could read the history of architecture. I divided them into six time periods and six themes. First religion, then living, then society, because architecture went through an identity crisis in the 1970s. In the 1980s, there was a return to the past in postmodernism, causing history to become the main theme. Later, during the 90s, architecture became more openly regarded as a form of culture. If I were to summarize it now, I would say that architecture is becoming more (and forcibly so) political.”

 

I would like to start with a passage from a text written in 1994, on the occasion of the 25th anniversary of the Biennale Interieur. Geert Bekaert was president of the Biennale at the time. ‘The interior materialises anywhere, but is no longer tied to a place. Furthermore, it surpasses time by settling itself in its core. The most beautiful and unexpected aspect of this development in interiors is that it relates to its original meaning again: that it wasn’t tied to forms at all, but was the condition for as much freedom as possible for moving in and dealing with the world of human beings.’ Has he always described interiors in this way?

 

CHRISTOPHE VAN GERREWEY: Interiors can be viewed as the inside of a building, but on the other hand also as what is placed in that building: furniture and smaller elements, anything that is too small to be considered as architecture. He wrote about both of these viewpoints. But indeed, Geert Bekaert did attach great importance to the feeling that an interior can be the centre of the world for someone. An interior has an artificial and temporary character. But that doesn’t mean that it can’t be important. And personal. He also acknowledged that an interior might not exist anymore, because people are always on the move, living out of a suitcase. He once wrote that a hotel room is the ultimate and only true interior.

 

I think that this contradiction has always been present in his prefaces and texts about Interieur. In a 1968 text about the Biennale he wrote this: ‘Now Kortrijk appears with a whole new initiative: a biennale that, under the title Interieur, wants to offer an international confrontation of creativity in the field of interior architecture. What choice will be on offer? The fashionable diktats of the selection? Or absolute freedom? Asking the question in that way, they cannot choose either. If an initiative like the Biennale Interieur wants to be significant in any way, it can only do so by rejecting this out-dated dilemma through an honest search for the factual relationships between people and their interiors in this day and age.’ In this passage he emphasises that you should be free to put together your own interior.

 

Even though he was afraid of its potentially patronising character, he did acknowledge that every two years, Interieur is a moment for the public to question their interiors. In the 1960s it obviously still had much to do with the fight against the modernism and functionalism of the 1950s. And its stark trends and ways of living. Bekaert views Interieur as a moment to realise that there are alternatives to the prevailing standard – that this norm is not the only truth. He believes that this utopia is central to the Biennale Interieur.

Do you think that this role is still applicable to INTERIEUR 2016?

I think so. Today there are also norms and trends that aren’t given a second thought. Let me give an example: these days many people that are in their early sixties – my parents’ age – are renovating their bathrooms. These people aren’t necessarily involved with design, but they do pick up on things and are directed towards trends. Without thinking about it, they choose soulless, sleek bathrooms with square sinks: as soon as you turn on the tap, the water splashes everywhere. They don’t want to be viewed as old-fashioned by choosing a more practical, deep and round sink. They want to be up to speed with trends, even if their old bathroom was still perfectly functional. Interieur still shows alternatives to these norms and trends. There is still hope that it makes people look at their own interior and environment more critically. This is, and will remain, one of the raisons d’êtres of Interieur. But as a fair you never know whether you have succeeded. It is something that you propose to the public without knowing whether it will have any effect.

 

Was this looking for a balance between educating the public without being patronising something that Geert Bekaert was also concerned with in his own work?

Yes, that’s right. The dilemma of on the one hand showing good examples and on the other hand believing that people can make their own decisions has always been a part of his work. He thought his role was to confront people with the possibilities. But as a critic you need to be able to distinguish between the good and the bad at the same time. And to be able to explain why. Bekaert was very knowledgeable about this, but he did always try to clarify that it concerns a large audience and he tried to be as accessible as possible. He was both an academic and a television producer and journalist for a large audience.

 

Was Geert Bekaert unique in this respect?

In the field of architecture, yes. He wrote about architecture from the 1950s until about five years ago. And he always remained inquisitive. And flexible. He liked Charles Vandenhove, but was also one of the first to write about Rem Koolhaas. Many people didn’t understand this, and from a certain viewpoint it might be hard to understand. But he knew who mattered, and that made him a good critic and journalist. He literally wrote nearly every day and published 1,400 texts. These have been collected (by me, among others). And I used his writings to review fifty years of architectural history in my PhD dissertation. On the basis of his work I analysed that period in architecture and divided it into six themes (see text box). His faith in architecture makes him exceptional. He put architecture in perspective but at the same time ascribed it sacred properties. According to him, architecture has a considerable amount of influence on people. 

Where do you think that this belief in good architecture and design in Bekaert’s texts comes from?

Bekaert started working as a journalist for the newspaper De Standaard, when he was still a Jesuit. He was 18 years old when he joined the Jesuits, partly because they provided the best education at the time. He started writing in 1950, first about sculpture, then the modern architecture of churches. After that he increasingly wrote about architecture. His work always consisted of a very existential feeling that something might be at stake in architecture. When he started writing about living and interiors in the 1960s, some of these religious things stuck. They’re present in some disguised version. In 1968 he wrote a text entitled: ‘The sacred is the everyday’. In it, he tries to describe how you almost perform a church service at home. Every meal as a sort of Eucharist celebration. He kept writing about the importance of these kinds of sacred – or in any case meaningful – moments at home, even though he resigned from the Jesuits in 1974.

Bekaert notably didn’t interview many people? Or did he not publish these conversations in the form of interviews?

It is true that he didn’t interview many people. He did it sometimes, but actually he ended up not really considering what those people said. He preferred to look for what was going on in their work himself.

In what other ways is architectural criticism different than say 40 years ago?

I teach architecture theory at EPFL in Lausanne. My students think it’s odd that someone who isn’t an architect would write about architecture. In a way that’s a pity. Bekaert once published a text about Belgian architecture with the subtitle: ‘Thoughts from an outsider’. He thought that only an outsider could speak for the user of inhabitant. At the same time he was a spokesperson for architects who couldn’t or wouldn’t speak about their own work. The post-war, silent generation just constructed buildings without caring all that much. Even Stéphane Beel’s generation didn’t look for words to describe their own work. Today it’s almost indispensible to be able to communicate well as an architect, to state what you stand for as clearly as possible yourself.

How did Bekaert look at Belgian houses?

I found a text from 1989, entitled: ‘A journey through the jungle’. Bekaert’s conclusion in this text is that ‘the Belgian house’ does not exist. It has to be reinvented each time. This individualism, the ideal of the free ‘kavel’ (a housing subdivision of land), is typically Belgian. 

A recent survey by a construction firm showed that in 2016 the average Flemish person still dreams of a three-bedroom detached house in the countryside.

Yes and it’s striking that Bekaert resisted this quite strongly in the 1960s. He did become more lenient over the years, and in the 1980s he said: ‘If villas are the norm, then maybe we should try to make the best villas as possible.’ This theme is still relevant. Perhaps today is the time to look at the boundaries of this ‘verkavelingsdenken’ (thinking in subdivisions). Either way, we are starting to see its limits. The question is whether you can re-educate the public? Whose job is that? The Flemish Government Architect? Politicians? Is it possible to go against a national spirit or zeitgeist? It is a difficult discussion. And the same dilemma applies: patronising is probably not going to work.

Last question: Bekaert never wrote about it, but in contemporary interior architecture, Pinterest and Instagram play an important role. The photographs on those platforms literally inspire builders and renovators across the globe.

I might be a bit old-fashioned, but I believe that you can’t decorate a (living) culture just with imagery. You also need words. I regularly have that discussion. For me, images often say everything and nothing at the same time. I try to look at Geert Bekaert as an example in that sense. He always searched for a vocabulary to put the impact of architecture and design into words. In 2000, he wrote a text about designer Maarten Van Severen. The first sentence is: ‘Why is it that a work by Maarten Van Severen, a table, a chair or a cupboard, can be so captivating?’ Then he goes on in an attempt to answer that question with a profundity that has become rare. Page after page he tries to describe as meticulously as possible the effect that a piece of furniture like that can have – what sitting at a Maarten Van Severen table can mean.

Geert Bekaert was looking for a language to make things discussable and to weigh its pros and cons. The Internet is making this more difficult than before. You can find imagery that is repeated endlessly, but that – as is everything – is bound to a certain place and time. I see that even with architecture students. In the workshops they sometimes bring images for inspiration. But if you ask them to describe what they see, they hardly seem able to do that. That’s a problem. They might know that it is a building by Mies van der Rohe, for instance, but where, in what context, from which period and for which client? They don’t have a clue. So they can’t explain why the architect chose for that solution, right? The Internet is full of these types of context-free images. I think that now more than ever, we are in need of interpretation and context, in the same way that an author like Geert Bekaert provided them.

This article was first published in the Biennale Interieur 2016 catalogue

Herfststillevens (2) : Lichtpuntjes

Soms lijkt het licht té snel op in november. Dit is het seizoen om te experimenteren met stillevens met licht. Een goede lamp voor boven de tafel, bij de zetel of praktisch licht in huis is een evidentie. Maar dat extra lichtje op een onverwachte plek zoals de gang, in de slaapkamer en zelfs in de badkamer zou wel eens kunnen helpen tegen de herfstdip. Liefst, het is tenslotte geen lente, zonder een extra elektriciteitsleiding te moeten leggen of zonder te veel  te moeten boren in muren of plafonds.

Mijn favoriete lichtjesstillevenstips. In volgorde van redelijk wat tot extreem weinig werk.

Plug & Work van Lampe Gras is eten ook een catch-all of een minibureautje
Plug & Work van Lampe Gras is meteen ook een catch-all of een minibureautje
Vintage industriële lampen doen dienst als leeslampje in The Jam Hotel in Brussel
Vintage industriële lampen doen dienst als leeslampje op een simpel timmerhouten hoofdbord, in The Jam Hotel in Brussel
een spiegelkoplamp maakt dat licht beter verspreid wordt. Ideaal om te hard licht in bijvoorbeeld een badkamer te verzachten.
Een spiegelkoplamp maakt dat licht beter verspreid wordt. Ideaal om te hard licht in bijvoorbeeld een badkamer te verzachten. De bestaande lamp uitdraaien en deze erin draaien en klaar. Bestaat ook in led.
Met een set letters geleverd, maar zonder batterijen, deze lightbox, bij Urban Outfitters.
Met een set letters geleverd, maar zonder batterijen, deze lightbox, bij Urban Outfitters. Overal te plaatsen dus.

Ideaal om uit te proberen waar u graag licht hebt, is een lampe baladeuse die met een meestal vrij lange draad en een clip of haak komt om ergens aan te bevestigen. Er zijn de klassieke industriële werklampen, de May Day lamp van Konstantin Grcic voor Flos, of de eenvoudige staaldraadlampjes zoals je die bij onder andere Merci in Parijs kan kopen (ik kreeg er ooit eentje cadeau).

May Day van Flos
May Day van Flos
een leeshoekje in het boshuisje van fotografe Bieke Claessens, gepubliceerd in haar gloednieuwe boek Wonen zoals je bent dat op 11 november wordt voorgesteld.
een leeshoekje in het boshuisje van fotografe Bieke Claessens, gepubliceerd in haar gloednieuwe boek Wonen zoals je bent dat op 11 november wordt voorgesteld.

Maar er zijn ook groter uitgevallen modellen zoals deze hieronder. Sculptuur én lamp tegelijk.

Moire van Marc Sarrazin voor Petite Friture, om neer te leggen of op te hangen en dus multi-inzetbaar.
Moire van Marc Sarrazin voor Petite Friture, om neer te leggen of op te hangen en dus multi-inzetbaar.

 

Trend: kleurrijk hout

Natuurlijke materialen zoals hout, natuursteen en leder zijn trendy en tegelijk duurzaam. Fijn is dat hout tegenwoordig in diepe kleuren gebeitst of gelakt worden. Mijn favoriete gekleurde houten stoelen.

Branca van Sam Hecht / Industrail Facility voor Mattiazzi
Branca van Sam Hecht / Industrail Facility voor Mattiazzi
Profile stoel van Sylvain Willenz voor Stattmann Neue Möbel
Profile stoel van Sylvain Willenz voor Stattmann Neue Möbel
Bodystuhl van Nigel Coates voor Gebrüder Thonet
Bodystuhl van Nigel Coates voor Gebrüder Thonet
Nerd van David Geckeler voor Muuto, in gelakt fineer.
Nerd van David Geckeler voor Muuto, in gelakt fineer.

Herfststillevens (1): Planten

Willens nillens zitten we met zijn allen wat meer binnen in de laatste maanden van het jaar.  Het moment om te genieten van stillevens in huis. Hier enkele voorbeelden met planten.

Zakkia
Zakkia

1. Onderwatershow

In de catalogus van het in België nieuw verkrijgbare Australische merk Zakkia stond deze foto met hun vazen. Daarin een stekje van een plant, druk bezig worteltjes te krijgen.  In het seizoen dat er amper bloeiende planten zijn, zijn die wortels de decoratieve eye-catcher.

uit boek Close to Nature, bij Luster
uit boek Close to Nature, bij Luster

2. Mosbol

In het gloednieuwe boek Close to Nature, van fotograaf Mirjam Bleeker en auteur Frank Visser, uitgegeven door Luster zag ik dit tableau-vivant, met een uit een losbol groeiende begonia in een zinken gietertje op een bureautje voor het raam staan.

D&M depot
D&M depot

3. Les extremes

Heerlijke combinatie, deze brute betonpotten met vetplantjes die licht absorberen samen met de fragielere ronde potjes met koperlook die gevuld werden met verse bloemen. Allemaal van het Belgische D&M Depot.

screen-shot-2016-11-10-at-14-15-57

4. Dubbel plezier

De zon valt in deze donkere maanden wél binnen in mijn appartement op de tweede verdieping. ’s zomers staat ze te hoog en geeft ze deze prachtige schaduwen niet. Instagram-waardig dus.

Ronan en Erwan Bouroullec voor Vitra
Ronan en Erwan Bouroullec voor Vitra

5. Metallic 

Ze maakten eerder al glazen vazen voor Iittala, maar deze aluminium buizen vazen voor Vitra, van Erwan en Ronan Bouroullec werken zo mogelijk nog beter voor minimalistische boeketten. Dat die een trend zijn, werd ook door Wallpaper* Magazine benadrukt eerder deze week.

beeld uit Wallpaper* met hippe vazen voor "single" bloemen
beeld uit Wallpaper* met hippe vazen voor “single” bloemen