Herfstwoontrend (4): I see faces

Over maskers. En handen.

Zijn het zo eenzame tijden dat we graag gezichten in huis hebben? Personages die deel uitmaken van ons leven, maar toch ook niet? Is het klassieke geschilderde portret stilaan vervangen door het een  variant in drie dimensies? In elk geval, ik zag veel gezichten de afgelopen weken. Op expo’s, maar ook in campagnebeelden van interkeurmerken. Mijn favorieten.

De maskers van Walter

Dé tentoonstelling van dit najaar is voor mij tot nu toe Powermask van modeontwerper Walter Van Beirendonck in het Wereldmuseum in Rotterdam. Inspirerend door de schitterende scenografie die hedendaagse kunst, mode en design samenbrengt met exotische, rituele en soms eeuwenoude maskers.  De expo loopt nog tot 7 januari, en er bestaat ook een al even inspirerend boek, mét de tentoonstellingsschetsen van Van Beirendonck.

Met open mond

Deze zomer kwam ik in Frankrijk deze vogelnestjes van de Brusselse artiest Eric Croes tegen. 

Ik bleef zijn werk volgen. Deze nieuwe geglazuurde vogelnestkastjes hieronder vind ik geweldig.

eric croes
eric croes

Schuursponsvrolijkheid

Designlabel Hay heeft niet alleen een reeks maskers om aan de muur te hangen, maar ook deze heerlijke schuursponsjes (vanaf 5 euro). Instant happiness toch?

Antimodernisme uit Denemarken

Werelberoemd in Denemarken, maar nu ook vlotter bij ons beschikbaar: het werk van Bjorn Wiinblad. Deze cache-pots bijvoorbeeld kenmerken ’s mans hyperdecoratieve stijl.

Handgemaakt

Ik zag personages à volonté in het atelier van Hilde Segers van Circaterra Céramique  in de Franse Pyreneeën. “Ik maak al lang schalen met personen, maar mensen blijven erdoor gefascineerd. Een ziel in huis, dat spreekt aan, zeggen ze.”

Hilde Segers, circaterra céramique

Ook hand gemaakt

Deze handen vormen een fruitschaal, van Harry Allen, te koop bij Domus Plus in Roeselare.

Domus PLus

Hands up

Dat ontwerper Jaime Hayon fan is van mannekes in zijn werk is geen nieuws, hij tekent ze overal op. Deze vaasjes voor BD Barcelona stralen zijn joie de vivre helemaal uit. Ik interviewde hem maar één keer, jaaaaaaaren geleden (11 jaar om precies te zijn) voor Knack Weekend en toen zei hij dit:

“Mijn rule number one is dat ik iets wil maken dat ik zelf graag zie. Ik kan niet liegen tegen mezelf. Ik zie ontwerpers die zeggen : “Onze taak is de industrie in stand te houden.” Zo denk ik dus niet : ik ben hier om gelukkig te zijn in wat ik doe. Niet om het probleem van anderen op te lossen. Ik wil kwaliteit en ik wil mijn dromen waarmaken. Mensen schreeuwen om nieuwe dingen, dingen die persoonlijkheid hebben en die een tijd meegaan.

Op uw 23ste werkte u al bij Fabrica, de creatieve communicatiedenktank van Benetton. U stond er vrij snel aan het hoofd van het departement design. Is dat geen contrast met…

(onderbreekt) Toen was ik mezelf niet. Ik leerde veel van fotograaf Oliviero Toscani. Hij heeft mijn derde oog geopend om dingen te zien. Maar ik verkoos om de positieve kant van het leven te zien. Hij toont de slechte realiteiten van de wereld. De gelukkigste en tegelijk de meest trieste dag van je leven, is de dag dat je beseft dat de wereld niet is zoals je dacht dat hij was. Dan krijg je een klap in je gezicht. En die klappen wil Toscani uitdelen. Maar ik wil mij niet in negativisme wentelen. (Brult in de cassetterecorder) : Ik wil vooral plezier hebben in wat ik doe.”

Hij zwoer toen nooit een Ikea-stoel te ontwerpen (wat hij tot dusver niet deed), en hij droomde luidop van een luxueuze rolstoel. (Ook voorzover ik weet nog niet gerealiseerd). Zijn vrolijkheid bleef.

Bd Barcelona

Novembre voor 1 november

Gufram (van de cactus) presenteerde deze limited edition versie van de schedelzetel Jolly Roger van Fabio November, een ode aan Mexico en diens traditie om op El Día de Los Muertos (1 november dus) de doden te eren. Handbeschilderd.

Gufram

Sculptuur achter de toog

Het was de mama van eigenaar en interieurarchitect Sam Peeters, Anny Dierckx, die dit sculptuur maakte dat in het gloednieuwe Antwerpse hotel Pilar achter de toog naar elke bezoeker kijkt.

Pilar

Guilty pleasure

Hierom vind ik Instagram en het wereldwijde web écht geweldig: er bestaat #iseefaces.

En ik volg @Shitgardens, ook een guilty pleasure.

Herfstbedenking

Over pepermolens en andere specerijen.

Ik moest twee keer kijken toen ik onderstaand beeld in mijn mailbox kreeg. Een hightech luidspreker van Sonos staat als een archeologische  vondst gepresenteerd tussen een reeks pepermolens. Wat hebben een luidspreker en pepermolens in hemelsnaam met elkaar te maken? (ja, ja  RHCP fans, ik hoor jullie)

Sonos luidspreker

Waarom? Waarom?  Waarom? Ik besloot niet te bellen naar Sonos, maar te proberen gissen waarom een art director deze setting koos. En ik kan wel enkele redenen opsommen.

Het pepermolenrek staat symbool voor allerlei zaken die op dit moment populair zijn in de interieursector:

  • Natuurlijke materialen? check (ook al lijkt het bij nader bekijken om ge-airbrushte molens te gaan, die misschien zelfs van karton kunnen zijn?)
  • Eenvoudige archetypische geometrische vormen in een soort van totem zoals de Memphis-stijl maar anders? check.
  • Link naar lekker eten? check.
  • Een verzameling curiositeiten gepresenteerd als in een wunderkammer? check.

Ik begon op pepermolens te letten. Op archeologische vondsten, typisch voor eerste beschavingen.  En ik vond ze zonder ver zoeken in hedendaagse interieurs en catalogi van populaire meubelmerken. Of wat dacht u van deze vijzel voor specerijen van het online merk Hem, geïnspireerd op een eeuwenoude molensteen en uit vier specifieke marmers uitgevoerd.

Pepermolen, maar dan anders, van Mark Braun voor Hem

Ook archetypisch is deze onderstaande vaas van het Franse merk Moustache, altijd goed voor een statement piece. De looks van terracotta, maar daar stopt het ook, want het gaat om geglazuurd keramiek. U krijgt zeven vazen voor de prijs van één (750 euro, wel). Hieronder gepresenteerd met een paar takken amarant, als ik Wikipedia mag geloven, een belangrijke voedingsbron voor zowel Inca’s als Azteken. En op dezelfde Wikipediapagina: een speciale soort van de amarant is ondertussen lekker bestand tegen glysofaat. Oersterk.

vaas van Jean-Baptise Fastrez voor Moustache

Onderstaande pepermolen van Ferm Living is “bruikbaar voor verschillende gedroogde kruiden”. Good to know.

Pepermolen van Ferm Living

Uiteraard blijven ook dé grote spelers niet achter: wie al eens graag een oerkruik in huis heeft, kan rekenen op Ikea. In de collectie Ypperlig ( een samenwerking met het Deense merk Hay die sinds enkele weken te koop is bij Ikea), vind je deze steengoedvazen, handbeschilderd bovendien.

De kruik van Hay en Ikea

Dé verklaring heb ik niet voor de populariteit van archetypische gebruiksvoorwerpen. Misschien is het een strategie van ons onderbewustzijn?  Dat kiest in overdaad aan voorwerpen voor wat het kent. Uit geschiedenisboeken, uit collectief verleden, uit de eerste beschavingen.

Misschien is het conflictvermijding? Ik geloof dat het in tijden van teveel ongevraagde meningen en ingewikkelde woonvormen slim kan lijken om voor een soort van grootste gemene deler te kiezen. Ikea onderzocht frustraties in huis en kwam tot de vaststelling dat bijna 1 op de 3 Belgen spullen van huisgenoten haat. “Rommel in huis is met ruime voorsprong de meest voorkomende frustratie. Toch vormt een gebrek aan opbergruimte niet het grootste probleem, maar wel of het om spullen van jezelf dan wel om die van huisgenoten gaat. Bijna 1 op de 3 Belgen haat het te moeten leven met bepaalde spullen van een huisgenoot (29%).” aldus het rapport.

Zijn deze eerder primitieve vormen dan gewoon veiligheid? Is het dan slim om te kiezen voor iets herkenbaar en universeel? Non-cultureel eerder dan multicultureel? Uit de vroegste beschavingen, toen de mens uit noodzaak gebruiksvoorwerpen bedacht. Toen peper nog peperduur was.  Genderneutraal bovendien?  Oef.

Of niet?  Eigenlijk is teveel generische witte producten design, hoe luxueus ook, eerder gevaarlijk. Vooral thuis. Want thuis, dat blijkt uit talloze onderzoeken, moet vooral de plek zijn waar je je veilig en geborgen moet voelen, of je huisgenoten dat nu leuk vinden of niet. Het begin van empathie en samenleven is dat.

Immers:  uit hetzelfde onderzoek van Ikea blijkt dat maar liefst de helft van de Belgen persoonlijke spullen verstopt voor huisgenoten, en dat vooral omdat ze denken dat de ander de waarde ervan niet kan inschatten (39%), omdat ze bang zijn dat huisgenoten het voorwerp kapot zullen maken (34%) of omdat ze zich ervoor schamen (32%). Die echte wunderkammer met objecten vol betekenis, denkt u daar even aan wanneer u aan het kerstshoppen gaat voor anderen?

 

 

Herfstwoontrend (3): Black Metal

We benoemden het eerder al aan: vettig is prettig.

Zachtroze, huidkleurig en elegant. Genderneutraal, halftransparant en melkachtig wit. Wolkjes, watjes en wol. Het is allemaal aanwezig in hedendaagse interieurbeelden. Maar… zoals elke fysica-leraar én elke yoga-juf weet: what goes up, must come down.

Ziehier de reactie op de roze wolk:   zwarte metalen en vettige en glanzende structuren. Alsof ze recht van de draaibank, de freesmachine of uit het olievat van de dichtstbijzijnde buurtgarage komen.  Geen steampunk of industrial chic. Of zelfs maar Game -of-Thrones. Gewoon: wat je ziet is wat je krijgt.  Niets meer, niets minder.  Want het leven, mijn beste, is geen eenhoorn-kamp.

Enkele voorbeelden:

Ikea Backig bordjes in zwart gerecycleerd glas
Ikea Backig
Keukenfrontjes van Norm Architecten voor  Reform CPH, zoals ik toegepast zag in de woning van Kelly en Arthur van Atelier Avondzon, de volledige reportage vind je deze maand in Feeling Wonen. Hier zie je  behandeld tombak (een legering van koper en zink). “Het mooie aan dat materiaal is dat het een gebruikspatine krijgt. Nu al zien we gouden gloed op de plekken waar we de keuken het meest aanraken.” 

Stelton viert de 40ste verjaardag van deze EM77 met een speciale black metal uitvoering
Freitag tassen en tasjes , gerecycleerde vrachtwagenhoezen, te koop bij Rewind Design in Antwerpen
Tom Dixon
Co.studio tekende deze dienbladen voor het RAS. XLBoom brengt ze nu in productie. Bestaat in messing, maar ik verkies dit speciaal zwart afgewerkte metaal.

 

Uit het archief: Unfold, interview uit 2012

Het duo Unfold is DESIGNER OF THE YEAR 2017. Waarom? Omdat ze vooruitlopen.  “Hun werk loopt vijf à tien jaar vooruit op de werkelijkheid”, kopt het ere-interview in Knack Weekend deze week.  Om dat te bewijzen: een interview uit 2012 in datzelfde Knack Weekend. Toen lag hun focus qua materiaal nog meer op keramiek dan nu. Maar het was wel hun basis. 3D-printen blijft hen uitdagen, daar bestaat geen twijfel over. Proficiat!

Porseleinprinters

De derde industriële revolutie is aangebroken, kopten magazines, kranten en websites enkele maanden geleden. Daarmee verwezen ze naar de opkomende alternatieven voor de klassieke industriële methoden, waarbij een fabriek identieke massaproducten aflevert. De alternatieven heten fablabs, 3D-printers en open source design. Ook in ons land is een jonge generatie designers met nieuwe productiemogelijkheden bezig. Unfold uit Antwerpen bijvoorbeeld, het bureau van Claire Warnier en Dries Verbruggen. Ze haalden als een van de vaandeldragers van de “nieuwe industriële revolutie” pas nog de voorpagina van de New York Times. Hun L’Artisan Electronique is een “pottenbakkersstudio in het digitale tijdperk met een virtuele pottenbakkersschijf en een keramiekprinter”. Concreet : door de handen voor een laser te bewegen, wijzig je een ronddraaiende 3D-tekening op een scherm voor je. Zodra je tevreden bent over het resultaat, druk je op de knop, waarna de printer met spuitkop laagje per laagje een vaasje of kopje van klei opbouwt. Unfold noemt het stratigraphic porcelain. Toen bij Knack Weekend een uitnodiging binnenviel om de keramiek- en glasfabrieken van Iittala (de oude industriëlen, zeg maar) te gaan bezoeken, leek het ons een goed idee om daar de jonge revolutionairen op af te sturen.

Hoe goed kent u het materiaal keramiek eigenlijk ?

Dries Verbruggen : Het is het oermateriaal, het eerste wat gebruikt werd om functionele objecten mee te maken. Het heeft een schijnbare eenvoud, maar toch is het een heel complex materiaal.

Complex ?

Claire, mijn vader en ik hebben een paar jaar avondschool keramiek gevolgd. Ik begreep nooit dat mensen hun leven konden wijden aan één materiaal, ik vond dat kneuterig, zeker keramiek. Maar toen zag ik dat het gewoon erg moeilijk is en erg veel ervaring vraagt om het goed toe te kunnen passen. Het is pure chemie.

Wat hebt u geleerd van die avondschool ?

De basis. L’Artisan Electronique hebben we alleen maar kunnen maken omdat we geen specialisten zijn. We kennen wat van klei, maar ook van de beginselen van elektronica, software en van 3D-tekenen. Als we met echte keramisten spreken over 3D-printen met klei, dan zeggen ze onmiddellijk dat het onmogelijk is. Vanuit hun praktische ervaring geven ze soms compleet nutteloze tips. Omdat we bij l’Artisan Electronique precies tegen alle logica en gewone methoden ingaan. Er zit een heel gat tussen keramiek als pottenbakken en keramiek als veelgebruikt technisch industrieel materiaal. Die kloof vinden wij zo interessant. Dat keramiek, met zijn historische en duurzame associaties, ook met nieuwe technieken gecombineerd kan worden.

Welke klei gebruikt u het liefst ?

Porselein, maar we zoeken constant. Als we productieklare objecten willen afleveren, hebben we iets anders nodig. Dat is niet zo simpel, we zijn al twee jaar bezig met porseleinrecepten. En dan stoot je op de onwaarschijnlijke kennis van mensen die er al hun hele leven mee bezig zijn. We zijn ook met keramiekfirma’s gaan praten, die vinden dat allemaal heel interessant, maar het zijn ook voor hen geen ideale tijden om te gaan experimenteren. We hebben bijvoorbeeld ook al tests gedaan voor het Architectural Association School of Architecture in Londen, om te zien of sommige ideeën toepasbaar zijn op betonstructuren.

L’Artisan Electronique heeft dus een rol in deze wereld ?

Ja, en daar zijn we blij om. We doen nu tests voor echte producten. We denken andersom : we maken eerst de machine en kijken dan waarvoor we die allemaal kunnen gebruiken. Ambachtsmensen moesten vroeger eerst hun tool kunnen maken vooraleer ze aan hun ambacht konden beginnen. Zwaardsmeden in Japan maakten hun eigen gereedschap, waardoor ze een andere stijl hadden dan hun collega. Digitale tools hebben die dimensie niet. Software wordt gemaakt door grote firma’s die natuurlijk op zoek gaan naar de grootste gemene deler. Het uitgangspunt van l’Artisan Electronique ging op dat probleem in : kunnen wij als klein ontwerpbureau een digitale tool maken die nuttig kan zijn, én toekomstgericht én persoonlijk ? Die analogie van de pottenbakkersschijf werkt wel. Er is in de klassieke ontwerpsoftware te weinig relatie tussen de acties die je doet met je handen en het resultaat. Er is qua handeling geen verschil tussen een gebouw ontwerpen en Facebook checken. Je klikt en je sleept met je muis en je doet maar.

Op de allereerste Designbiennale van Istanbul werden jullie gevraagd voor een tentoonstelling over veranderende machtsstructuren en ongewone productiemethoden. Jullie geloven erg in codesign waarbij consumenten hun goederen mee ontwerpen.

Ja, de keramiekprinter was daarop gebaseerd : mensen bedenken altijd dingen die je niet hebt bedacht als ontwerper. Als ontwerper leg je de grenzen en de esthetische stijl vast die zorgen dat het object zal functioneren, al de rest bepaalt de consument zelf. Je krijgt iets wat wij voor de helft hebben gedaan, de gebruiker zorgt voor de andere helft. Daar geloven wij in.

Hoe vonden jullie onze uitnodiging om naar Iittala in Finland te gaan ?

Ik was benieuwd. Ik had gedacht dat de productie vooral in het Oosten zou gebeuren en effectief wordt er in Thailand geproduceerd, maar ook in Helsinki. Daar zag ik een moderne fabriek, waarin geïnvesteerd is. Alle knowhow zit daar.

Bekijkt u als ontwerper zo’n fabriek op een specifieke manier ?

Ik ben geïnteresseerd in de rijke geschiedenis van zo’n merk, natuurlijk. We hoorden dat er bij een renovatie oude mallen gevonden waren, maar ze wisten nog niet wat ze ermee gingen doen. Dat intrigeert mij immens. Als je mij zou vragen wat ik het liefste zou ontwerpen voor Iittala, dan zou ik willen kijken naar wat er is aan structuren en geschiedenis en manieren van werken, eerder dan een nieuw kommetje te bedenken. Een object is het resultaat van een proces, en vooral dat proces interesseert ons : bedrijfsstructuren, tradities, copyrights,… Het dorp dat we de dag daarna bezochten bestaat volledig uit ontwerpers en glasblazers, daar voel je gewoon de chemie, maar toch vind ik dat Iittala daar te weinig mee doet.

Hoe zou u de bestaande collectie aanpakken ?

Die nieuwe reeks Sarjaton is ontstaan uit het idee dat mensen geen volledig servies meer kopen, maar dat ze moeten kunnen mixen en matchen, en telkens stukken kunnen bijkopen die erbij passen. Maar was het misschien ook niet interessant geweest om de hele Iittalacollectie te bekijken en waar nodig schakels te versterken, in plaats van toch nog een nieuwe lijn uit te denken ? Ik kreeg ter plekke een boek over hun jarenlange huisdesigner Kaj Frank. Een van zijn eerste opdrachten was precies een set samenstellen voor mensen met een lager inkomen. Hij had echt goede ideeën om dingen bij elkaar te doen passen. Er zit zoveel in de geschiedenis in dat bedrijf, het ligt er gewoon om te rapen.

U bracht hen zelfs een cadeau mee ? Een kopie van hun Aaltovaas ?

Ja, dat was het resultaat van een van onze recente projecten, onze Kiosk, een bakfiets met een 3D-printer in en een 3D-scanner. Het idee is dat we ermee naar exposities of winkels rijden en dan dingen kopiëren en ze voor de deur op straat verkopen. Het is een provocerend idee, we zijn niet voor of tegen kopiëren, we tonen gewoon hoe simpel het is. 3D-printers worden almaar goedkoper, wie weet kan iedereen zich over vijf jaar thuis eentje permitteren ? Muziek, film, foto’s, allemaal sectoren die al gedigitaliseerd zijn, nu is het de beurt aan echte objecten. Een paar maand geleden heeft Piratebay ook een afdeling toegevoegd voor fysieke goederen. Het ís er gewoon. Weinig ontwerpers en fabrikanten zijn daarmee bezig. Ze steken hun kop in het zand en zeggen dat de kwaliteit toch nog te laag is en zo. Dat zijn dingen die men ook over muziek- en filmkopies zei.

In de Kiosk hadden we dus van een glazen Aaltovaas een plastic kopie gemaakt. De 3D-tekening daarvoor hadden we gewoon online gevonden. Iedereen kan ze online vinden. Dat is de realiteit. Dus, dan zou Iittala toch beter dat model op hun eigen website gratis beschikbaar stellen ? Dan heb je het zelf in de hand hoever mensen ermee kunnen spelen bijvoorbeeld door de wanddikte aan te laten passen. Dan combineer je echt het ambachtelijke en het digitale. En heb je een marketingtool en websitebezoekers.

Kreeg u nog andere ideeën bij uw bezoek ?

Ik zag de arbeiders vazen blazen in een stalen mal. Vakmannen die perfect hun job kennen, maar aan de lopende band dezelfde perfecte vaas maken. Wat verderop zagen we een volledig geautomatiseerde robotarm ongeveer dezelfde handelingen uitvoeren. Daar werd snel aan voorbijgegaan, dat werd blijkbaar als iets negatiefs beschouwd, ‘mondgeblazen’ klinkt toch net wat romantischer. Maar ik ben net gefascineerd door machines en door de vraag hoe je een machine ook het recht kan geven op kleine onvolmaaktheden zoals een vakman ?

DOOR LEEN CREVE

ID UNFOLD

Als jonge designstudenten ontmoetten Claire Warnier en Dries Verbruggen elkaar in Eindhoven, aan de Design Academy. Exact tien jaar na hun afstuderen hebben ze niet alleen hun handen vol met twee jonge kinderen, maar ook met hun goed draaiende ontwerpstudio. Ze werkten onder meer al voor Jaga, Heineken, Nederlands Architectuur Instituut, Middelheim Museum en Unilever. Claire was een tijdlang curator in Z33 in Hasselt en Dries geeft les aan Sint Lukas in Brussel en aan de Design Academy.

Dit artikel verscheen in oktober 2012 in Knack Weekend. Op 26 oktober 2017 ontving het duo de prijs van DESIGNER OF THE YEAR. Lees het artikel met Unfold in Knack Weekend van deze week, door collega Thijs Demeulemeester,  hier. Er loopt nu een expo bij Bank Delen in Antwerpen. Die verhuist  op 27 oktober naar het Design museum Gent.

 

Interview : Rotor DC (2/2)

Wat? Deuren, lampen, of zelfs lavabo’s  uit het stadhuis van Antwerpen zijn te koop? Online dan nog wel. Als dat geen verhaal is voor de kleinkinderen weet ik het ook niet. Wie dat mee mogelijk maakt?  De schelmen van Rotor Deconstruction uit Anderlecht natuurlijk. Ik interviewde hen het afgelopen jaar al twee keer. Hieronder het meest recente interview, uit Knack Weekend in juni 2017. Dat voor Flanders DC in januari, toen ze de Henry Van de Velde Award Bedrijf 2016 mochten ontvangen,  vind je hier

Al twaalf jaar geven ze gebruikte bouwmaterialen een tweede leven. Miuccia Prada is fan, Rem Koolhaas ook. We zijn amper halfweg 2017 en ze kregen al een belangrijke designprijs, leverden een exporuimte af, begonnen les over afbraak te geven aan de Technische Universiteit van Delft en verhuisden naar een nieuw kantoor mét showroom. Kortom, Rotor draait goed.

Ontwerpcollectief Rotor geeft gebruikte bouwmaterialen een tweede leven

Maarten Gielen (links) en Lionel Devlieger tussen het stenen aanbod op het terrein van Rotor in Anderlecht. © Fred Debrock voor Knack Weekend

Wanneer bij de doop van hun nieuwe hoofdkwartier in Anderlecht de fles schuimwijn niet kapot spat tegen de gevel, haalt Maarten Gielen een aansteker boven, brandt het touwtje door, schudt de fles en spuit de bubbels op de gevel. “Zo, wie wil er een glas?” Even nuchter en praktisch als op dit feestelijke moment, voert hij samen met Lionel Devlieger sinds 2005 het ontwerpcollectief Rotor aan. Terwijl er wordt geklonken, herhaalt hij hun hoofdbekommernis. “Zeshonderdduizend ton bouwmaterialen wordt jaarlijks als afval uit Brussel afgevoerd. Achthonderdduizend ton bouwmaterialen wordt ingevoerd. Zou het niet beter zijn om die bouwmaterialen in Brussel te hergebruiken?” En meteen voegt hij er – alweer nuchter – aan toe: “Onze bijdrage is bescheiden: wij halen voorlopig 0,1%. Maar we zorgen voor toegevoegde waarde: we werken met lokale leveranciers, aannemers, transporteurs… Hergebruik werkbaar maken is het verhaal van de kip en het ei. Architecten en ontwerpers die met tweedehandsmaterialen willen werken kunnen dat alleen maar als er een dienstverlening is. Die dienstverlening, wij dan, kan alleen maar overleven als er ook klanten zijn.” Vroeger overleefde Rotor op onderzoekswerk rond hergebruik van industriële bouwmaterialen, daarna bouwden ze artistieke presentaties van gebruikte materialen en nog later werden ze een echt demontagebedrijf. Nu breken ze voornamelijk kantoren af, inventariseren slim, stockeren en verkopen door aan ontwerpers en architecten. Of ze bouwen er zelf interieurs mee.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels. © FRED DEBROCK voor Knack Weekend

“Wij werken niet met afval”, verduidelijkt Maarten Gielen bij een rondleiding door hun nieuwe plek. “Wij zijn het afval voor: wij hergebruiken de componenten zoals ze zijn. We gaan ze niet versmelten of vermalen. Wat goed is, moet je als dusdanig kunnen gebruiken : een tegel, een wand, een plafond… We maken hoogstens schoon en herverpakken. Kijk, twee à drie keer per week krijgen wij de sleutel van een gebouw. Alles wat wij er niet uithalen gaat naar de sloop en de afvalberg. Maar we zijn realistisch. Wij weten dat een architect en aannemer een serieuze verantwoordelijkheid nemen en dus betrouwbare materialen willen.”

NÉT NIEUW

Hun team van zo’n twintig ontwerpers, architecten, arbeiders en ingenieurs is opgesplitst in twee bedrijven: Rotor zelf, dat het onderzoekswerk levert en Rotor DC. “Wij zijn drie in één”, vertelt Lionel Devlieger: “Architect, die de waarde en de bruikbaarheid van de materialen inschat op een af te breken werf. Tezelfdertijd aannemer, die weet hoe de demontage praktisch kan verlopen zonder dat er bijvoorbeeld schroeven kwijtraken. En ten slotte ook verhuizer.” In Anderlecht zit iedereen samen op één plek. “Handig, onze ontwerpers kunnen letterlijk komen shoppen in de showroom en het depot”, lacht Lionel.

De klanten zijn divers: schattenjagers die helemaal wild worden van bijvoorbeeld een jarenvijftigtegel van Lucien Engels. “Veel handelaars zijn actief in rustieke materialen zoals parket, marmer of schouwen, of meer industriële materialen zoals baksteen en stoer metalen fabrieksmeubilair. Maar wij houden het veeleer modernistisch”, vindt Maarten Gielen. Een tweede groep klanten bestaat uit architecten en ontwerpers die unieke, goedkope of ecologische interieuroplossingen zoeken, zoals binnenwanden, brandwerende deuren, wastafels, plafonds of tegels. “Daar telt prijs én ecologie mee.” Een opvallend nevenprojectje is Ditto: gereinigde klinken, scharnieren, schroeven en moeren, die in twee gewone doe-het-zelfzaken netjes verpakt naast de nieuwe onderdelen te koop liggen.

De week na de opening starten Lionel Devlieger en Maarten Gielen met doceren aan de Technische Universiteit van Delft. “Hoe tof is het om aan architecten, opbouwers per definitie, eens les te geven over afbraak!”

rotordb.org en rotordc.com

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels.

Showroom in Anderlecht met stalen glas uit de Val Saint Lambertfabriek. Op de achtergrond: toonzaalmeubelen uit kledingwinkels. © FRED DEBROCK voor Knack Weekend

PROJECTEN IN 2017

1. Tegels, Gent en Anderlecht

“Tegels houden ons al een tijdje bezig. Een van de eerste projecten waar door ons gerecupereerde tegels gebruikt werden, was in 2015, door Doorzon Interieurarchitecten in de winkel Moor & Moor in Gent. Onlangs ontmantelden we interieurs uit een universiteitsgebouw in Luik. Duizenden vierkante meters keramische tegels lagen er, per kamer telkens volgens een ander patroon geschikt. In de winkel hebben de architecten die tegelpatronen speels gecombineerd. Die tegels uit Luik hebben we volgens een zelf ontwikkelde methode gereinigd. Ze zijn in perfecte staat en kunnen voor een zeer redelijke prijs worden verkocht. We stelden dat reinigingsproces deze winter voor op de expo Manufactuur in Z33 in Hasselt. We ontvingen net een economische beurs om uit te zoeken hoe we dat semiautomatisch kunnen doen. Een van de hangars hier zal daarvoor gebruikt worden.”

TEGELS, Gent en Anderlecht

TEGELS, Genk, Hasselt en Anderlecht © Z33

2. Mad, Brussel

“We ontwierpen samen met architecten V+ het nieuwe MAD, een grondige transformatie van drie panden. Hier geen recuperatiematerialen, alles is nieuw en wit. We kozen wel voor materialen die aan iedere oppervlakte een aparte textuur en karakter geven, want wit is nooit gewoon wit. We staken er ook knipogen in naar typische materialen van openbare ruimten. De zwarte Pirellivloer, zoals in Brusselse metrostations, vind je hier bijvoorbeeld in het lichtgrijs.”

MAD, Brussel

MAD, Brussel

3. Bar Rural, Parijs

“Zelf zijn we helemaal wild van gelijmde, gelamineerde spanten van 25 of 30 meter lang die gebruikt worden voor de structuur van sporthallen en zo. Die maken wij bij de afbraak handelbaar door ze te verzagen in de lengte, maar ook in de breedte. Je kunt er zoveel mee doen. Ontwerper Lionel Jadot heeft er in een bar in Parijs een soort Flintstones-achtige tafels van gemaakt. Dat kunnen wij nooit verzinnen. Wij maakten er zelf een eettafel van voor onze kantoorkeuken. De oneffenheden vulden we op met op maat gefreesd inox. Lionel Jadot komt geregeld materialen bij ons kopen, ook bijvoorbeeld voor ijssalon Gaston of voor Cohabs in Brussel.”

BAR RURAL, Parijs

BAR RURAL, Parijs © ISABELLE KANAKO

Interview : Rotor DC (1/2)

Consistentie en gezond verstand. Zie daar het geheim van Rotor. Sinds 2005 concentreert dit Brusselse collectief zich op één zaak: het hergebruik van hoofdzakelijk bouwmaterialen. Vanuit elke hoek bekijken ze de zaak: theoretisch en esthetisch, maar ook politiek en cultureel. En vooral: praktisch.

In zijn werkbroek begroet Maarten Gielen mij. “Ik kom recht van een werf”. Samen met Tristan Boniver, Michaël Ghyoot en Lionel Devlieger richtte hij in 2005 het collectief Rotor op. Eerst doken ze in de industriële afvalbakken van Brusselse fabrieken en maakten er een database van zodat ook anderen al dat bruikbaar materiaal konden vinden. Ze ontdekten dat er ook schoonheid te vinden was en gebruikten mooi afval om hun boodschap “waarom weggooien wat eigenlijk perfect bruikbaar is?” kracht bij te zetten op tentoonstellingen in Duitsland en op de Architectuur Biennale van Venetië. Ze charmeerden niet alleen Miuccia Prada die hen uitnodigde om iets te doen met haar stock catwalks, maar ook Rem Koolhaas die hen inviteerde om door het archief van zijn bureau OMA te gaan. Ze werden curator van de Architectuur Triennale in Oslo en publiceerden een kritisch boek over duurzaamheid. Ze leverden studierapporten af, richtten gebouwen in en werden als adviseur ingeschakeld door overheden en bedrijven. Ze richtten de website opalis.be op waar aannemers en architecten een adressenlijst vinden met herbruikbaar bouwmateriaal. Bedachten nog een zeer toegankelijke expo in Luik n.a.v. de laatste designbiënnale Reciprocity. En zo’n twee jaar geleden lanceerden ze Rotor Deconstruction: een, zeg maar, afvalverwerkend bedrijf. Het verklaart de werkbroek van Maarten. En het verklaart waarom Rotor ondertussen 20 mensen in dienst heeft: de helft architecten, onderzoekers en ontwerpers, de andere helft arbeiders. En soms wordt de ene onderzoeker, en de andere arbeider.

In 2013 werd Rotor gecontacteerd door een groot kantoorvastgoedbedrijf dat jaarlijks enorme oppervlakten verbouwt. Het bedrijf wilde weten of Rotor iets kon doen met de materialen die vrijkwamen. Maarten Gielen: “We maakten een inventaris van wat er in die gebouwen zat en begonnen mogelijke bestemmingen te zoeken. Omdat het bedrijf wilde dat wij budgetneutraal werkten, onderzochten we welke materialen genoeg waarde hadden om hun eigen demontage te financieren. Het waren er flink wat, zo bleek. Dat model hebben we behouden in Rotor Deconstruction. In het begin hadden we geen depot, en vervoerden we zaken rechtstreeks van afbraak- naar opbouwwerf. Nu hebben we een hybride model. Een groot deel van wat we verzetten passeert niet meer langs de depot. Dat is in volume en gewicht zeker het grootste deel. Het heeft geen zin om betondallen twee keer te verhuizen. Dan worden ze te duur. Maar aan de meest waardevolle stukken kan je waarde toevoegen door ze aan de juiste mens op het juiste moment in de juiste omstandigheden te verkopen.”

Ontmanteling van het BNP Paribas Fortis hoofdkantoor Brussel - Foto RotorOntmanteling van het BNP Paribas Fortis hoofdkantoor Brussel – © Rotor
Restauratie van het gebouw voor Civiele Bouwkunde (Val Benoits Spl) - Foto: Olivier BeartRestauratie van het gebouw voor Civiele Bouwkunde (Val Benoits Spl) – © Olivier Beart

 

LEGO

Rotor Deconstruction is bijna hoofdzakelijk in kantoren aan het werk en dat is logisch, vindt Maarten: “In Brussel is de standaardpraktijk voor de betere kantoorgebouwen op het einde van een huurcontract meestal zo dat je de kantoorruimtes opnieuw casco achterlaat. Dat levert een enorme turnover aan materialen op. Ondertussen werken we ook voor de vijf grootste concurrenten van dat eerste vastgoedkantoor. Omdat het systeem werkt.”

Maarten vergelijkt een modern kantoorgebouw met een grote Lego. Er wordt aan systeembouw gedaan: een deur of muur wordt honderd keer herhaald. “Veel materialen zijn ontworpen om verplaatsbaar te zijn en moeten meerdere keren ingezet kunnen worden. Een droom voor hergebruik, want daarmee kunnen architecten meteen aan de slag. Maar door het ontbreken van een markt voor die materialen loopt het meestal systematisch fout.” “Omdat de operatoren ontbreken,” vult Lionel Devlieger aan. “De aannemerswereld is gericht op het leveren en plaatsen van materialen. Aannemers die enkel de verplaatsing doen van werf naar werf bestaan niet.” Rotor doet dit wel. “Het probleem is dat je drie types vaardigheden nodig hebt,” duidt Maarten nog. “Enerzijds een architect die de waarde en de bruikbaarheid van een component inschat. Anderzijds de aannemer die weet hoe de demontage praktisch kan verlopen en wat hiervan de kostprijs is. En tenslotte ook de expertise van een verhuisfirma. Veel schade aan materialen gebeurt nadat ze verwijderd zijn uit de gebouwen. Wat is bijvoorbeeld de juiste manier om een grote hoeveelheid glazen platen te vervoeren? Daar kruipt heel wat denkwerk in. Er is dus de verhuisfirma, de aannemer en de architect, maar er zijn weinig bedrijven die de kennis van de drie samen combineren. Dit is onze metier. Wij nemen zo’n zes à zeven keer per week een inventaris van een gebouw. Voor ons is het nuttig om daarvoor dan een app te ontwikkelen die dat sneller en efficiënter doet. Daarin worden foto’s, afmetingen en opbouwinstructies opgeladen, krijgt alles een barcode en kan het vertrekken. Andere aannemers of architectenbureaus ontwikkelen dat niet voor één werf.”

Veel concurrentie heeft Rotor niet. Enkel voor de meer rustieke en nobele bouwmaterialen is die er wel. Parket, marmer of schouwen bijvoorbeeld worden gebracht naar handelaars die hierin gespecialiseerd zijn.

Het magazijn in Vilvoorde (detail) - Foto RotorHet magazijn in Vilvoorde (detail) – © Rotor
Uit de sloop geredde deuren - Foto RotorUit de sloop geredde deuren – © Rotor

 

KLINKEN IN PLASTIC ZAKJE

Afbreken is één, maar opbouwen en klanten vinden is de andere kant van het Rotor Deconstruction verhaal.

“Enerzijds heb je te maken met bijna antiek, heel klein in volume, maar heel hoog in waarde, zoals lampjes van Jules Wabbes, kapstokken, chique kantoormeubilair… Dat verkopen we via onze eigen website, of soms zelfs via veilinghuizen. Anderzijds heb je grote volumes van materialen met een eerder lage waarde. Zo voeren we gebruikte plankenvloeren van de Muntschouwburg af naar een winkel met ecologische bouwmaterialen. Daar staan ze in de rekken tussen andere werfplaten en worden ze door aannemers gekocht om ramen tijdelijk af te sluiten, een vloer te beschermen of als bekisting voor een betonnen balkje of zo. Klein beslag zoals klinken van deuren en kastjes poetsen we op, steken we in een plastic zakje en daar plakken we een barcode op. Die hangen hier in Brussel in materialenwinkels naast nieuwe producten, aan een iets betere prijs. Een product is ook een hele dienstverlening. Als je dertig kilometer moet omrijden voor een klink, dan doe je het niet, maar als je de keuze zo dichtbij hebt, dan werkt dat wel. Er zijn uiteenlopende motiveringen bij klanten. Soms is het puur economisch, maar even goed kan een ecologische overtuiging de doorslag geven, of de erfgoed- of culturele waarde.”

Ditto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag - Foto RotorDitto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag – © Rotor
Ditto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag - Foto RotorDitto, een kwaliteitslabel van Rotor voor uit de sloop gered beslag – © Rotor

 

DESIGN&BUILD

“Wij blijven een ontwerpbureau en vinden ook dat aspect erg belangrijk. We bouwden bijvoorbeeld de Parodi boekenwinkel in Brussel met materiaal uit verschillende gebouwen in Brussel en Gent. En in 2018 zullen we de nieuwe kantoren van de Sociale huisvestingsmaatschappij De Zonnige Kempen inrichten. Opmerkelijk is dat we werken volgens het design&build principe: we zijn én ontwerper én bouwer, een veelbelovend principe in de context van hergebruik. Binnen het geijkte stramien van een overheidsopdracht bijvoorbeeld wordt eerst een ontwerper aangesteld, die materialen kiest en een bestek opmaakt. Vervolgens maken meerdere aannemers een offerte en wordt de meest voordelige gekozen. Wij vinden het echter veel interessanter om ontwerp én bouw in één offerte te laten meedingen. Voor kantoorgebouwen zouden we dan kunnen zeggen: dat materiaal hebben we, we kennen een aannemer die met dat materiaal kan werken en wij stellen een inrichting voor. Dan krijg je de beste prijs/kwaliteit verhouding.”

Dat een simpele prijsvraag soms volstaat, merkte Rotor toen UGent hen vroeg om mee na te denken over een nieuwe bestemming voor de boekenrekken uit de Boekentoren die door Robbrecht & Daem gerenoveerd wordt. “In de eerste plaats vroegen ze of we niet geïnteresseerd waren in een deel van de rekken. Maar die rekken werden samen met het gebouw geplaatst. Het is zelfs zo dat het ritme van de kolommen van het gebouw aangepast is aan de standaardmaten van die rekken en niet andersom. Het probleem was dat die rekken voor de verbouwing moesten verwijderd worden. Een klassieke aannemer zou serieus doorrekenen om de rekken te demonteren, te stockeren en weer aan te leveren, precies omdat hij niet meteen een oplossing weet. In de eerste besparingsronde wordt dan logischerwijze afgezien van deze piste en worden er gewoon nieuwe besteld. Wij stelden voor om een aparte prijsvraag te maken voor de rekken. Onze prijs van zorgvuldige ontmanteling, inventarisatie, demontage, stockage en montage werd vergeleken met een offerte voor nieuwe rekken. En wat bleek? De bestaande rekken hergebruiken was concurrentieel tegenover de aankoop van nieuwe rekken. Een deel van de recentere boekenrekken uit de toren zijn wel verkocht en in heel wat woonkamers terecht gekomen.

Een heel ander soort erfgoed kwam Rotor tegen in Wallonië. Maarten: “In Luik hebben we een universiteitsgebouw ontmanteld waar duizenden vierkante meters keramische tegels lagen, per kamer telkens volgens een ander patroon geschikt. Een derde kon gered worden. Dat zijn we nu aan het reinigen volgens een eigen ontwikkelde methode. De tegels zijn in perfecte staat en kunnen aan een heel redelijke prijs worden verkocht.

En dan wil Lionel het toch nog even hebben over een van de belangrijkste argumenten voor hergebruik van bouwmaterialen: de embodied energy. “Die tegels werden in de jaren dertig geproduceerd bij Cerabel (Henegouwen), in ovens met extreem hoge temperaturen waarbij veel CO2 is vrijgekomen. Voor ons dragen die tegels CO2 in zich. Wanneer wij die tegels hergebruiken, sparen wij al die CO2 uit die niet meer opnieuw vrijgemaakt moet worden voor een nieuwe vloer. Die tegels zijn nog perfect en lang niet afgeschreven, ook al zou een econoom dat natuurlijk wél al lang zo omschreven hebben.”

Dit interview verscheen naar aanleiding van de  Henry Van de Velde Award die Rotor DC kreeg in 2016. Lees hier een interview van een half jaar later in Knack Weekend.

 

Interview Yves Obyn

De vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West-Vlaanderen 2017 werd gisterenavond uitgereikt in Roeselare. Ik mocht beide laureaten interviewen.

©Kaat Pype

Surrealisme voor de Instagramgeneratie

Niet dat de jonge Yves Obyn mensen per se uit hun evenwicht wil brengen, maar ze één seconde op het verkeerde been zetten, vindt hij wel interessant. Zijn medium? Mdf-platen, hout en multiplex.

“Wij zijn geen meubelfirma. We maken wel meubels, af en toe. Alles is te koop, behalve wat al verkocht is.” Dat Yves Obyn zichzelf graag relativeert, is duidelijk. Ook in zijn werk houdt de jonge Bruggeling van humor, een kleine sneer en zelfs van maatschappelijke commentaar. Al vindt hij dat eerder bijkomstig. Het woord ‘surrealist’ neemt hij niet in de mond als hij het over zichzelf heeft, maar eigenlijk is hij het wel.

 

Wilde je altijd al een eigen atelier? Met zagen en klemmen en sergeanten zoals hier?

“Neen, helemaal niet. Ik heb nooit gestudeerd voor meubelmaker, ik ben opgeleid als grafisch vormgever. Maar al tijdens mijn studies vond ik drie dimensies interessanter dan twee. Ook toen al was ik vooral bezig met installaties en performances. Mijn grote droom was films te maken, nu vertel ik verhalen met mijn meubels en ensceneringen. Mijn atelier is als een filmstudio waar ik een eigen wereld kan creëren. Op die manier maakt ook de gebruiker deel uit van het verhaal. Deze prijs bevestigt dat ik hier toch iets nuttigs doe. Heel mijn oeuvre is opgebouwd uit experimentjes. Trial and error. Nu pas ben ik zover dat ik vind dat ik mijn objecten ook kan verkopen.”

Hoe werk je? Met een schetsboek? Computertekeningen?

“Ik maak. En probeer. Ik gebruik niet de conventionele schrijnwerkerstechnieken, want die ken ik niet. Wel heb ik meestal een duidelijk beeld voor ogen voor ik aan iets begin. Dan vraag ik me af hoe ik dat beeld kan vertalen in een fysiek object en begin ik te experimenteren. ‘Wat wil je eigenlijk vertellen?’ Die vraag werd ons in de hogeschool van Sint-Lucas het meest gesteld. Dat heb ik goed onthouden. Het doel van het verhaal en het sterke beeld blijven voor mij primeren. Een idee is niet af als ik het niet ‘gemaakt’ hebt.”

Waar haal je inspiratie voor die beelden?

“Overal. Ik hou er vooral van om te kijken naar mensen en hoe ze zich gedragen in dagdagelijkse situaties. Ik kan mezelf helemaal verliezen als ik ergens zit te eten en om mij heen kijk. Ik zie de mensen maar ook hun verhalen, die ik er al dan niet zelf bij verzin. Als je wat langer kijkt, zie je dat elke mens uniek is en elk op zijn manier invulling geeft aan zijn wereld. Toen ons eerste kindje geboren was, ging ik vaak wandelen in de buurt. Daar viel me op hoe de bewoners van hun voortuin, soms amper twee vierkante meter groot, toch iets persoonlijks willen maken. Het is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Die voortuintjes vind ik niet lelijk maar juist fascinerend. We zouden die mensen moeten feliciteren in plaats van ze met de vinger te wijzen omdat ze niet binnen de norm vallen.”

Wat heb je tot nu toe al gemaakt?

“Vroeger maakte ik vooral grote installaties, zoals replica’s van vliegtuigen en de maanlander. Daarrond speelde zich dan een verhaal af. Maar doorheen de jaren is mijn werk subtieler geworden. Ik hou ervan om alledaagse dingen en herkenbare beelden uit hun context te halen. Een tijd geleden maakte ik een reeks straatmeubels: een bushokje, een zitbank, een vuilnisbak… Dingen die we kennen en waarrond zich van alles afspeelt. Maar ik wil ze binnen gebruiken, in een huiselijke context. Het zou ook een setting kunnen zijn voor een pop-uprestaurant. Waar opgeklede mensen zouden kunnen eten als waren het hangjongeren. Ik wil met mijn werk mensen op een subtiele manier uit hun comfortzone halen. Ik hou van de conventies in onze cultuur maar vind het ook leuk om ze onderuit te halen. Ik maakte bijvoorbeeld een melkkannetje dat lijkt omgevallen te zijn en waarbij de vlek een koeienhuid is. En een eetkamerset die rechtstreeks uit een actiefilm geplukt kan zijn, met kogelgaten erin. Ik heb ook een doodskist gemaakt met een opening in de vorm van een kruis ter hoogte van het hart, waaruit de ziel kan ontsnappen. Het toont aan hoe het gebruik van techniek voor een meerwaarde kan zorgen in een verhaal.”

 

Ik haal ook veel inspiratie uit populaire cultuur, uit Amerikaanse films en hiphop. Vooral de fascinatie voor de American dream om ooit rijk en beroemd te worden houdt me bezig. Misschien is het stiekem wel mijn eigen droom.”

 

Wat maakt jou blij?

“Ik hou van de praktijk van het maken. Vaak realiseer ik meerdere prototypes van objecten, die al dan niet al een functie hebben, tot op het moment dat ik een afgewerkt product heb. Dat proces geeft me de grootste voldoening. Van zodra het af is, ben ik met mijn gedachten al bij een nieuw project. Ik zou niet zoals een muzikant elke avond dezelfde song kunnen spelen. In mijn atelier ben ik baas in mijn eigen wereld. Daar kan ik me uitleven met de meest absurde dingen. Zoals het namaken van een Ikeatrapje (Bekväm). Dat kost mij wel vijf keer meer aan tijd en materiaal, maar het voelt als een overwinning als je iets kunt namaken dat eigenlijk ontworpen is voor massaproductie.

 

Wat is volgens jou de rol van kunstambachten in 2017?

“Misschien is dat wel de perfectie een stamp geven? De structuren die je kent heel even overhoop gooien en een ander perspectief geven? Niet alles moet blijven zoals het is, toch? Ik heb geen probleem met de ideale wereld die we elke dag op social media voorgeschoteld krijgen, maar ik vind het belangrijk te beseffen dat alles geënsceneerd is. Ik vind het spannend om mensen een klein beetje op het verkeerde been te zetten. Mijn kartonnen dozen, die ik toon op de expo van Provincie West-Vlaanderen, zijn laden. Maar op het eerste gezicht lijkt het of de bewoners nog in de verhuisdozen zitten. Dat ene moment van twee keer kijken, daar doe ik het voor.”

Deze tekst is gemaakt in opdracht van Provincie West-Vlaanderen. Er loopt op dit moment een tentoonstelling.

 

Interview Peter Vermandere

De vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West-Vlaanderen 2017 werd gisterenavond uitgereikt in Roeselare. Ik mocht beide laureaten interviewen.

© Kaat Pype

Het mag wat wringen

Peter Vermandere smeedt al 25 jaar sieraden. Met zilver en edelstenen maar ook met plastic of zwarte walnoten. Hij vergelijkt zijn werk met dat van een kok en van een circusartiest.

 

Zeven broches zond edelsmid Peter Vermandere in voor de Vierjaarlijkse Prijs voor Kunstambachten van de Provincie West- Vlaanderen 2017. Zeven variaties, zeven souvenirs aan Idar-Oberstein, de bakermat van de Duitse edelstenenindustrie. Het stadje is een begrip in de juwelenwereld, vanwege de overvloed aan edelstenen en slijperijen. Maar Vermandere ontdekte er ook industriële schatten. Van in het begin, toen hij als achttienjarige vanuit de Westhoek naar Antwerpen trok, is hij tegelijk bezig met creëren en ontdekken.

 

Al heel jong wist je dat je edelsmid wilde worden. Waarom?

“Vanwege de materie. Ik vond edelsmeden de meest pure manier om materie te laten spreken. Haar structuur, de manier waarop ze zich vormt, intrigeert mij mateloos. Dat lag wat moeilijk in het kunstonderwijs toen, dat heel erg gericht was op concepten. Ik werk heel intuïtief. Ik wil mezelf verrassen. Ik hou ervan om met zilver te werken, maar ook met zwarte walnoten, die ik doorsnij. Of met restjes al dan niet edelstenen, met fossielen, met plastic zelfs. Zo maak ik bijvoorbeeld mijn gezichtjes, emoticons bijna. Een restje edelsteen, oesterparel of fossiel is de start, daaraan maak ik dan een ‘kopje’. Maar altijd probeer ik iets draagbaars te maken.”

Wat is een goed sieraad volgens jou?

“Voor een juweel geldt: als het maar voor 95 procent goed is, is het slecht, werkt het niet. Wij kunnen ons weinig fouten veroorloven. Dat heeft te maken met het formaat, maar ook met de precieuze materialen en technieken. Traditioneel bestaat een juwelencollectie uit een twintigtal stuks: vijf hangers, vijf ringen, vier halssnoeren, drie armbanden enz. Ik werk anders. Hangers en snoeren vind ik moeilijk. Armbanden en oorbellen eigenlijk ook. Ik probeer wel, maar ik krijg er mijn verhaal niet gemakkelijk in verteld. Ik maak ook wel ringen, maar in broches ben je vrijer, daar kan ik meer kanten mee uit. Hedendaagse sieraden gaan van superdraagbaar tot superartistiek en alles wat daartussen zit. Mijn creaties krijgen soms het label ‘mode’, soms ‘design’, soms ‘kunst’. Met juwelen raak je alles aan en tegelijk staan ze overal los van. Dat ambigue aspect en die continue ‘identiteitscrisis’ blijft me aantrekken.

Ik fotografeer mijn juwelen zelden op mensen. Ik maak ook geen juwelen die voor iedereen geschikt zijn. Misschien, als ik eerlijk ben, maak ik ze alleen voor mezelf. Dat is mijn drive: mezelf verrassen en uitdagen. Al ben ik wel gelukkig als een uniek stuk uiteindelijk zijn unieke drager vindt ”

Hoe heb je de broches gemaakt waarmee je deze prijs won?

“Ik werd door de Jakob Bengel Stiftung als artist in residence aangenomen om enkele maanden in Idar-Oberstein te werken. Het is een mekka voor juwelenontwerpers, er zijn niet alleen veel edelstenen te vinden en te kopen, maar ook veel slijperijen en een aantal fabrieken die vroeger goedkope metalen juwelen maakten. Vooral die laatste inspireerden mij. In de Bengelfabriek hebben ze persen tot 60 ton druk, waarmee metaal in een matrijs werd geplet tot medaillons en dergelijke. Werknemers konden er zeventig per minuut maken! Supersnel, met de voet. Het unieke van die fabrieken zit in de matrijzen en de machines, die nog steeds gebezigd worden voor speciale projecten. Daar mocht ik gebruik van maken. Ik ging tussen de massa’s matrijzen – wel 15.000 – op zoek naar eentje dat mij aansprak en ik vond een edelweiss. Ik deed er metaal in en hop, wat kreeg ik? Een perfecte edelweiss. Maar, saai. Ik hou wel van een beetje wringen. Dus ging ik er de matrijs verkeerd insteken, omgekeerd, achterstevoren… Uiteindelijk stak ik in de pers aluminium kettingen die er lagen. Dat platte, oneffen maar gedecoreerde schijfje vormde dan een ingrediënt voor een broche. Daar voegde ik edelstenen aan toe om de ode aan de plek compleet te maken. Ik blijf variaties bedenken, ik zit nu aan nummer achtenveertig”.

Hoe ga je concreet te werk in je atelier? Heb je een bepaalde routine?

“Mijn agent in New York houdt er niet zo van als ik dit zeg, maar eigenlijk is mijn werk zoals koken. Eerst verzamel ik ingrediënten, die laat ik wat sudderen en dan bepaal ik op het moment zelf hoe ik ze ga bewerken: koken, bakken, braden, stomen… Ik heb een arsenaal aan technieken tot mijn beschikking. Wat ik doe is handwerk, uiteraard, maar met behulp van machines. Ik heb een diamantzaag om stenen te snijden, een metaaldraaibank, een trekbank, een zaag, een pers… Dat is mijn instrumentarium.

Wie of wat inspireert jou?

“Het woord ‘inspiratie’ verwijst letterlijk naar datgene wat je zuurstof en adem geeft. Ik heb een bibliotheek vol boeken en materialen en ben een verzamelaar van verzamelingen. Maar inspiratie kun je niet dwingen. Dat kan een boek zijn, een fossiel, een steen, muziek, een schets… Ik geloof in serendipiteit: je concentreert je op je werk maar je staat open voor het onverwachte. De Poolse schrijver Witold Gombrowicz gebruikt in zijn dagboeken het woord ‘scheppingsvonk’ als hij het heeft over creativiteit: alles gebeurt terzelfder tijd. Dat herken ik wel.”

Wat betekent kunstambacht voor jou?

“In een circus zie je acrobaten de strafste kunsten uithalen alsof het vanzelf gaat. Maar dat gaat niet vanzelf, die mensen zijn opgegroeid in die wereld, hebben uren en uren, dagen en dagen, weken en weken getraind. Pas als je de technieken volledig beheerst, kun je zorgeloos beginnen te spelen. Dat geldt ook voor edelsmeden. Als ambachtsman streef je naar meesterschap. Maar je moet ook weten wanneer je moet stoppen. Perfectie durft wel eens saai te zijn. Dat is misschien de definitie van kunstambacht: iets dat artistiek is, maar ook goed gemaakt.

Ambachten zullen blijven bestaan, maar alleen als ze raken aan kunst en aan het artistieke. Als het zin heeft om iets zelf te maken. Ooit was bijvoorbeeld lithografie de standaard industriële druktechniek, dan volgde offset en daarna digitale druk. Nu nog worden er litho’s gemaakt, maar ze zijn bijna uitsluitend het domein van kunstenaars. Het gaat niet om het ambacht an sich, maar om wat je ermee vertelt.”

Deze tekst is gemaakt in opdracht van Provincie West-Vlaanderen. Er loopt op dit moment een tentoonstelling.

Herfstwoontrend (2) : Calder achterna

Een oogvijs in het plafond draaien, en er iets aanhangen, er bestaat amper een simpelere manier om een ruimte aan te kleden (los van gordijnen dan). Sculpturale mobiles à la Calder zijn ongelooflijk populair dezer dagen. Als lampen, als kamerplanthouder, of gewoon als mobile. Meestal simpel zwart, maar soms ook in felle kleuren. Evenwichtsoefeningen in huis, de ideale metafoor voor het eeuwige zoeken naar de work-life balance?

 

Atelier Haussmann
Artemide
Cappellini
DePadova
Hay, zelfdovende kandelaar.
Michael Anastassiades voor Flos, volgend jaar in productie
Multiplex, ooit ontworpen door Charles en Ray Eames, nu in productie bij Vitra.
Lambert & Fils in de vitrine van Conran shop in Parijs, voor de Paris Design Week die deze week plaatsheeft

Uit het archief: interview met Michael Anastassiades

Ontwerper Michael Anastassiades heeft sinds vandaag een expo lopen in Galerie Atelier Jespers  in het kader van Design September in Brussel. Het ideale moment dus om dit interview uit november 2013 voor Knack Weekend nog eens boven te halen. Zijn principes zijn immers ongetwijfeld dezelfde gebleven, het is een serieuze man.  Hij was toen al lang bezig, maar zijn naam was toch nog nieuw in de designwereld. Ik ben wat blij dat ik hem sindsdien min of meer moeiteloos uitgesproken krijg. Want de man blijft toonaangevend in de lampenwereld.

Zijn eerste lamp was er een die absolute stilte nodig had om te kunnen branden. Interview met Michael Anastassiades, lampenontwerper uit Londen en zintuiglijke veelvraat.

Helemaal boven in zijn huis staan we na de vele trappen wat uit te blazen, de assistent van Michael Anastassiades en ik. Maar het kan geen kwaad om even niets te zeggen, want het uitzicht is overweldigend en verandert constant : achter de voorbijrijdende treinen van Waterloo Station draait het reuzenrad London Eye. Hier woont de Cypriotische ontwerper Michael Anastassiades (46) en dit huis vertelt veel over de man : dat hij houdt van beweging. Van natuurlijke materialen, zoals donker hout, marmer en gepatineerd leder. Van koper en glas. En dat het een propere mens is. Al zou dat natuurlijk ook kunnen liggen aan het feit dat er toen net een expo liep met zijn jongste lampen voor Flos : de IC en de String Lights.

Hoewel hij al zo’n twintig jaar lampen bedenkt en zelf laat maken in ateliers in heel Europa, zijn dit de eerste die industrieel vervaardigd zullen worden. En dat is omdat hij nu eenmaal een perfectionist is, zegt de burgerlijk ingenieur als we hem een week later opbellen : “De expertise en technische kennis van Flos is zo uitzonderlijk dat alleen zij dit kunnen maken. Ze appreciëren mijn werk, dat voel ik.”

FLEXIBILITEIT

In elk geval zullen veel verbouwers zijn nieuwe String Lights appreciëren, want de lange draden en het ophangsysteem maken het mogelijk om zonder boren, slijpen of kappen op gelijk welke plek in huis exact daar licht te hebben waar je dat wilt : boven die ene leesplek aan het raam, boven de grote gezinstafel, aan de kinderhoek of in de hal. “Wanneer je de kamer opnieuw inricht, dan verhang je ze gewoon. Als je verhuist, neem je ze gewoon mee. Ik hou van die flexibiliteit. En ik hou van de sculpturale kwaliteiten die je met verlichting kunt creëren : niet alleen als ze aanstaat, maar ook als ze uitgeschakeld is. In de natuur zorgt licht ervoor dat niets ooit twee keer hetzelfde is. Licht creëert leven en zorgt voor dynamiek. Die magie wil ik een klein beetje proberen vangen, zoals bijvoorbeeld lichtkunstenaars James Turrell en Dan Flavin dat ook doen.”

String Lights Flos

Hij is beeldend kunstenaar, bedenkt ook eenmalige installaties of richt ruimten in met levende planten. Toch is hij veeleer per toeval met lampen begonnen, zegt hij. “Een van de eerste die ik bedacht, was de Anti-Social Light. Die had een ingebouwde decibelmeter, wanneer het niet absoluut stil was, kon je ze absoluut niet doen branden. Het was een statement piece, natuurlijk. Maar ik wilde wel dat ze echt bestond. En zo ben ik ze zelf beginnen te produceren. Dat vind ik mijn taak als productontwerper. Zoals een schilder schilderijen wil maken, wil ik producten maken. Geen ideeën. Daarna maakte ik de Tube Chandelier, dat moet in 1996 geweest zijn, en dat is mijn entree geworden. Sindsdien heb ik gewerkt aan een uitgebreid netwerk van ateliers in heel Europa : glasblazers, steenkappers, houtbewerkers, metaalbewerkers. Zij maken mijn lampen. Maar ik ontwerp ook spiegels, tafels en andere objecten. Daarbij vind ik de afwerking cruciaal, het tactiele en de kwaliteit van de materialen.”

Bovenstaande collecties duiken flink op in hedendaagse interieurs en in publieke ruimten. Ze passen helemaal in de art-deco trend van vandaag. Bij Atelier Jespers toont Anastassiades de expo 13 mobiles.  Nog tot 2 oktober. www.atelierjespers.com