Picture Perfect (3): La Piscine

Les extrement se touchent. De ronde rivierkeien op de bodem van een ondiep poeltje buiten zijn de perfecte tegenhanger voor het pluizige grijze tapijt onder een eveneens doorschijnend oppervlak van de salontafel binnen. Doordat de vloer van de zithoek onder het waterniveau ligt, en enkele verschillende stroompjes als watervallen van nog hoger komen, is de waterbeleving helemaal compleet. Ook omdat het raamkader zo subtiel werd gehouden. De bijna rabarberachtige bladeren van de Gunnera plant, en de subtielere Waldstenia en de witte duizendknoop geven meteen verrassend veel variatie vlak bij het raam. Beter dan televisie, zelfs als het regent is er wat te beleven op die paar vierkante meter voor het raam. Een ondiep (30cm hier) rechthoekig vijvertje zoals dit wordt spiegelvijver genoemd. Dat fungeert zoals de naam doet vermoeden als weerspiegelaar: van de wolken of blauwe lucht. Van de bovenstaande planten, of eventueel van de architectuur. Allemaal afhankelijk van uw eigen perspectief en van de lichtinval.

Niet diep heeft voor- en nadelen: de aanleg is goedkoper en het nodige volume water en bijhorende filterinstallatie moeten dus niet de zwaarste zijn. Aandachtspunt is echter meteen wél de zuivering: omdat het niet diep is, warmt het water snel op en koelt het snel af, extremere temperatuurschommelingen die ideaal zijn voor algen. En die willen de meeste mensen dan weer liever niet, ook al omdat ze het spiegelend beeld verstoren. Het water wordt in dit badje van Biopool gefilterd door een externe filter die aangestuurd wordt vanuit de kelder onder het terras (waar eveneens een garage is), waardoor er in dit geval amper onderhoud nodig is. De watervalletjes komen vanuit een witgelakt aluminium element dat meteen ook dienst doet als plantenbak én zitbank achteraan. De tuin is aangelegd door Tuinonderneming Monbaliu en tuinarchitect Francis Broos.

Info: www.biopool.be 

Dit artikel staat flink ingekort in Feeling Wonen / Gael Maison & Eigen Huis & Interieur van deze maand, nu in de winkels.

In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

In een andere reeks No Pictures Please, bundel ik  dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

No Pictures Please (5): Millennial Pink blijft

De eenhoorn, zeepbellen, regenbogen en bloemenkransen. Wie uit de eerste flowerpowergeneratie had kunnen voorspellen dat ze zo hip zouden zijn bij tieners dezer dagen? En wie had tien jaar geleden durven te beweren dat meubelmerken en masse roze sofa’s op de markt zouden brengen? “Roze is het nieuwe zwart”, verklaart kleurexpert en trendwatcher Hilde Francq al jaren. “De kleur is niet langer kinderlijk. Roze is volwassen geworden.”

Hoe is dat zo gekomen?

“Door de kredietcrisis. Harde tijden zijn immers de ideale voedingsbodem voor roze. Uit onderzoek blijkt dat mensen in de Verenigde Staten en Europa die kleur associëren met gevoeligheid, tederheid, zachtheid, zoetheid en de kindertijd. Exact waar ze nood aan hebben in tijden van crisis.”

Waar kwam dat roze eerst voor?

“Niet in de mode, maar in de interieursector. Het Nederlandse ontwerpduo Scholten en Baijingslanceerde pastelkleuren, en ook de Bouroullec-broers pikten het snel op. Ze gebruikten naar eigen zeggen ‘een verschrikkelijke rode daad samen met een verschrikkelijke witte draad’ voor een soort gebreide stoel voor Vitra, die dus roze uitviel. De Scandinavische meubelmerken volgden snel. Pas daarna was het aan de mode: Raf Simons bij Jil Sander in 2012, en snel ook merken zoals Cos. En vervolgens ging de rest overstag. Nu is het gemeengoed. Zelfs haren worden vlotjes roze geverfd. Niemand kijkt ervan op.”

Is het roze ondertussen veranderd?

 

“Absoluut. Eerst was het inderdaad pastelroze met rood en wit erin. Daarna, en daar zitten we middenin, volgde huidskleur. Die valt te verklaren door de gezondheidshype en verwijst naar de aandacht voor het menselijke pure lichaam. Huidskleur is de kleur van een aanraking, van een knuffel. Iets waar we, in deze tijden van schermen en sociale media, blijkbaar naar snakken. Kleur hangt samen met de vormen. Zo zijn meubels minder hoekig dan vijf jaar gelden: ze hebben meer rondingen, als een menselijk lichaam.”

Hoe combineert een mens die verschillende tinten roze?

“Ik vind het geweldig met Yves Klein elektrisch blauw. Het wordt ook vaak met geel gecombineerd, met wit, of met messing, natuurlijk.”

Welk roze komt eraan in 2018?

“Perzikroze. Bijna oranje dus. Het hangt samen met de opgang van het feminisme, en met de aandacht voor nuchterheid en eenvoud. Geen enkele kleur is zo flatterend als roze, voor alle huidtypen bovendien. Zoals gezonde blozende wangen.”

Kleur verkoopt, Hilde Francq, uitgeverij Lannoo Campus, 34,99 euro.

Dit artikel verscheen in Knack Weekend van 28 juni 2017

In de serie No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld.

In een andere reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.

Picture Perfect (2): de doorzichtige plant

 

Ik hou van mannen met een baard. Ik hou ook van mooie armen. En van planten! Toch maakt dit beeld mij niet blij.

Ik leerde Paper Collective kennen in de Antwerpse winkel Espoo, van Dries en Mies. Zij verkopen al jaren de posters met bergen, landschappen en dennenappels op. Die kosten tussen de 20 en 50 euro en er zijn er meestal maximum 500 van gemaakt. En 10 % van de sales van die prints gaat naar een goed doel naar keuze van de artiest. Mooie prenten. Die perfect passen in de wat een vriendin onlangs omschreef als “natuurhistorischmuseum-stijl-interieur” .

Als kind van mijn tijd ben ik fan van oldfashion botanische tekeningen. Ik heb er zelfs een op mijn lijf laten tatoeëren. Ik schreef er eerder zelfs een artikel over voor Nest. Over de botanische tekeningen, niet over de tattoo.

Maar dus, Paper Collective  werkt al een poosje samen  met Moebe, een eveneens Deens merk dat dan weer in zijn collectie Frame als bestseller heeft: twee plexiglaasjes die met een elastiek samen te houden én op te hangen zijn. Simpel en verkrijgbaar vanaf een dikke twintig euro. Leeg. De twee merken vulden elkaar aan op beurzen en in catalogi: de ene de kader, de andere de prent. Hopla.  En ze kwamen in dezelfde winkels terecht.

Begin deze maand lanceerden beide merken een samenwerking die  hierboven zo elegant wordt getoond door een Scandinaaf (tiens, dat woord komt meer in het meervoud dan in het enkelvoud voor, blijkbaar). Samen met Norm Architects brengen ze zeven verschillende transparante prints uit van planten, “speciaal gecreëerd voor de Moebe-Frames”. (De prints zullen  zullen in standaard A5, A4 en A3 uitkomen).

© Moebe / Rasmus Rønne Studio

De foto’s zijn een verlengde van de serie Sabi Leaves die Norm architects eerder in zwart-wit en op papier presenteerden bij Paper Collective. Daarover bestaat dit korte promotekstje:

Jonas Bjerre-Poulsen of Norm Architects uses a rewording of a passage from Wabi Sabi for Artists, Designers, Poets and Philosophers to explain the idea behind the new print:

“The Sabi Leaves photos are inspired by the gathering of botanic samples and classic botanic illustration. Playing with an element of decay, the Sabi Leaves also become iconic expressions of time frozen. They are visibly vulnerable to the effect of weathering and have recorded the sun, wind, rain, heat and cold in a language of discoloring, rust, tarnish, stain, warping, shrinking, shriveling and cracking. Their nicks, chips, bruises, scars, dents, peeling and other forms of attrition are a testament to their history. Through the transparency of print and frame the leaves get a unique sense of multi-dimensionality rarely achieved in printed products.“

Door de foto’s nu niet op een dikke witte poster, maar op een transparant vel te stoppen maken de drie bedrijven het nog gemakkelijker voor de consument om instant dat groene gevoel binnen te halen. What’s not to like? Dit is een kamerplant zonder vervelend gedoe. Zonder water te moeten geven. Zonder bladeren die afvallen.

Maar ook zonder groei. Zonder bloei. Zonder schaduwen, verkleuringen, plekjes en plagen. Zonder echt verval.  Dit zijn  met andere woorden planten die nooit veranderen. Die netjes aan het nageltje blijven hangen. Proper afwasbaarmet een microvezeldoekje  bovendien. Het is dat ze er zelf over waren begonnen, maar dat heeft toch helemaal niets te maken hebben met het toelaten van vergankelijkheid en imperfectie?  Meer anti-wabi sabi bestaat toch niet?  En trouwens:  waarom dan niet gewoon een koppel (gedroogde) bladeren of bloemen tussen dat plexiglas klemmen in plaats van 39,95 euro voor een transparante technisch hoogstaande print?  Waarom moeten zelfs kamerplanten, die amper natuurlijk meer zijn, nog meer getemd worden? Waarom blijft er in vele woningen enkel een zielig dun velletje over? Een ingekaderd schelleke plastic natuur?

Ik moet denken aan boomsoorten die blijkbaar te gevaarlijk dik kunnen groeien om naast autowegen te mogen geplant worden. En aan verdriet om gekapte of bijna gekapte stadsbomen.

 


In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.  Hier de eerste.

Uit het archief : Carolyn Steel

 Gisteren hoorde ik een hedendaagse held: Carolyn Steel, architect en auteur van het boek “De hongerige stad”. Ik hoorde haar niet voor het eerst. Ik mocht haar vijf jaar geleden interviewen. Even enthousiast als toen vertelde ze gisteren over hoe de manier waarop we met ons voedsel omgaan eigenlijk bepaalt hoe we met elkaar en met de planeet omgaan.

Ze kwam supporteren bij de lancering van ’t Dak van Pakt, een samentuin op drie pakhuizen, goed voor 1800 m2 kruiden, fruitbomen en groenten en 200m2 serre. Daarover binnenkort in Knack Weekend meer.

Hoe belangrijk (stads)landbouw dezer dagen is, werd bovendien bevestigd deze ochtend, toen Landgenoten, een coöperatieve aankoper van landbouwgronden de prijs voor Radicale Vernieuwer kreeg van zowel de jury als het Publiek.

Positief duurzaam nieuws vandaag, het mag ook eens.

Hieronder mijn interview van vijf jaar geleden met Carolyn Steel. Ze is bezig aan een nieuw boek, vertelde ze gisteren.

STEDEN ZIJN MEER DAN HUN ARCHITECTUUR. Om architectuur te bestuderen, moet je ervan wegkijken. Ik heb de indruk dat aan het traditionele vakgebied iets ontbreekt, namelijk het leven zelf: net datgene waaraan architectuur dienstbaar zou moeten zijn. Ik wilde de verborgen kant van stedelijkheid, haar relatie met het platteland en met de natuur onderzoeken. Hoe zou het zijn, vroeg ik mij af, als je zou proberen om een stad te beschrijven aan de hand van voedsel ? Dat leidde tot mijn boek De hongerige stad.

OVER VOEDSEL NADENKEN, IS OVER HET LEVEN NADENKEN. We hebben voedsel nodig. Het verbindt ons met elkaar en de natuur en het beïnvloedt ons in bijna elk aspect van ons leven. Sinds het boek kijk ik op een andere manier naar de wereld. Als ik een landschap zie, bedenk ik in hoeverre het aangepast is om ons van eten te voorzien. Als ik door een stad wandel, vraag ik mij af waar men- sen hun maaltijden vinden. Waar zijn de markten, waar zijn de winkels ? Koken ze thuis ? Gaan ze uit eten ? Ik kijk wat bestelwagens leveren, of mensen er gezond uitzien.

HET IS TEGELIJK GEMAKKELIJKER EN MOEILIJKER GEWORDEN DAN VROEGER OM ONS- ZELF TE VOEDEN. Technologieën van nu maken de oogsten efficiënter. Tegelijkertijd verbranden we tien calorieën voor elke calorie die we in het Westen produceren. Dat heeft toch geen zin. Bovendien zijn we met zeven miljard. We moeten ons in de toekomst concentreren op het beheer van grondstoffen. Er zijn er genoeg, maar alleen als we ze eerlijk verdelen, ze behoorlijk waarderen, voorzichtig produceren en stoppen met verspillen.

WESTERLINGEN GAVEN NOOIT EERDER IN DE GESCHIEDENIS ZO WEINIG GELD UIT AAN VOEDSEL ALS NU. Britten besteden slechts tien procent van hun inkomen aan eten, terwijl dat der- tig jaar geleden nog dertig procent was. Dat komt omdat we de echte kosten van het goedkope industriële voedsel op een andere manier betalen : grondstoffen worden opgebruikt en er is veel vervuiling, maar we worden ook geconfronteerd met gezondheidsproblemen als obesitas, kanker en hartziekten. Die kosten zijn immens voor de maatschappij en zullen een steeds grotere rol spelen. In de vorm van een vettaks, bijvoorbeeld. Ik stel het begrip sitopia voor, wat inhoudt dat bij het ontwerp van een stad rekening wordt gehouden met haar voedselproductie en -consumptie.

ZEG MIJ WAT JE EET EN IK ZAL ZEGGEN WIE JE BENT. Die zin werd voor het eerst gepopulariseerd door Anthelme Brillat-Savarin, wellicht de bekendste culinaire filosoof. Ik ben het met hem eens dat voedsel zowel plezier brengt als ons leven vormt. Ik blijf ook onder de indruk van de boer- dichter Wendell Berry, die erg goed schrijft over de relatie tussen voedsel, natuur en leven.

HOE KUNNEN WE EEN GOED LEVEN LEIDEN? DIE VRAAG WAS NIET ANDERS VOOR DE OUDE GRIEKEN DAN VOOR ONS NU. Maar zij zagen het gemakkelijker, omdat ze minder afgeleid werden. Epicurus zegt dat we het leven niet kennen, maar dat we het ook niet kunnen vermijden, dus kunnen we er evengoed plezier aan beleven. Maar met mate, anders verspillen we dat plezier. Een eenvoudige boodschap, die wel tot in de kern van de moderne dilemma’s gaat. We moeten leren ge- nieten van het leven op zich, een nieuwe balans zoeken en focussen op wat dicht bij ons staat.

IEDEREEN HEEFT RECHT OP ETEN, DAT STAAT IN DE UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS. Dat moeten we serieus nemen. Er zijn nieuwe wetten nodig, met strak- kere planningen, nieuwe belastingen en internationale overeenkomsten. De jongste jaren zien we overal ter wereld initiatieven in de goede richting, zoals jullie voedselteams en groententassen.

Carolyn Steel is architecte in Londen bij Kilburn Nightingale Architects en (gast)professor in Cambridge, Wageningen en de London Metropolitan University. Ze was de eerste studio director van het Citiesprogramma van de London School of Economics and Political Science. Vorig jaar verscheen haar boek ‘De hongerige stad’ in het Nederlands, bij het Nederlands Architectuurinstituut. Ze blogt regelmatig op www.hungrycitybook.co.uk.

Dit artikel verscheen in Augustus 2012 in Knack Weekend

Picture Perfect (1) : De mosterdgele sofa

 

Sebastian Herkner sofa voor Linteloo © Sigurd Kranendonk

Mosterdgeel. Er valt  op deze foto van een nieuwe sofa van de Nederlandse fabrikant Linteloo niet naast kijken. De kleur van een broodje hotdog, maar ook van een chique cocktailjurk met bijhorende handschoenen. In sé redelijk retro, en toch doet deze sofa behoorlijk contemporain aan. Hoe dan?

Dankzij zijn onderkant.

Modulaire sofa’s zijn sinds jaar en dag opgebouwd zoals een veredelde Duplo-set. Met een aantal basisvormen kunt u dan “helemaal uw eigen sofa samen stellen”. Ik neem er de technische fiche bij. Dit bijvoorbeeld is een 2,5 seater 1 arm left   (de fabrikant zit niet zelf in de zetel als hij linker of rechterkant bepaalt)  vastgeklikt aan een longchair right. En hop, een hoeksofa is geboren. Er bestaat ook een versie die minder diep is (undeep, heet dat dan officieel). Nu moet u weten dat er bij sofa’s van deze hoogte (430 mm om precies te zijn)  meestal wordt gekozen uit twee pistes: ofwel staan de modules handig op  slim gepositioneerde pootjes, meestal zo onzichtbaar mogelijk. Ofwel is de onderkant opgebouwd uit comfortabele kubussen.

Hier in deze foto (scroll gerust even naar boven) krijgt u visueel het beste van twee werelden. De onderkant is helemaal open wanneer u er voor staat, en gesloten voor wie van achter of opzij kijkt.  Een extreem dun frame in vooraanzicht, maar stoer in zij- en achteraanzicht. Ideaal voor Instagram.

De onderkant is bovendien zoals een boxspringbed bekleed met stof. Een klassieke grijze tweed.   En ook dat is niet toevallig. Dat levendige grijze textiel doet -althans visueel- denken aan beton en dat materiaal is en blijft immens populair. In simpel “natuur” versie of in de massa gekleurd. Vooral accessoires worden dikwijls uit beton gemaakt. Ook terrazzo (ooit een goedkoop cementmengsel met stukjes marmer of andere steenoverschot) is extreem populair in hedendaagse woningen en op Instagram (#terrazzo maar eens: 98 245 posts op dit moment) . Niet alleen als bouwmateriaal, maar ook als lampen. En zelfs compleet fake als print op behang, tote-bag of zelfs telefoon- en laptopcovers. Wie wil er nu met een terrazzo-tegel tegen het oor rondlopen? Bon, ik wijk af.

Een sofa, die moet er best wat comfortabel uitzien en dat wordt hier benadrukt met over de leuning geplooide kussens. Het idee van  die plooikussens werd populair sinds Vico Magistretti zijn Maralunga bedacht in de jaren zeventig, waarbij die leuning rechtopstaand of liggend kan toegepast worden.

Een rond tapijt uit glansfluweel brengt wat luxe én nonchalance in het verder vrij eenvoudige, Japans aandoende huis.  De immergroene bamboe aan het raam en diens perfect vallende schaduw brengt de natuur naar binnen, een populaire wens anno 2017. Maar de getrapte salontafel (ook een ontwerp van de Duitser Sebastian Herkner, die de sofa tekende) had ik in dit beeld toch wat dichterbij gezet, kwestie van net iets gemakkelijker aan de olijven te kunnen die hier picture perfect bij zouden passen.

Ik heb de sofa vorige maand uitgetest in Milaan in de showroom van Linteloo. Vijf minuutjes. Zonder cocktail. Hij stond er vooral in de kleuren beige, grijs, crème en taupe.


In de reeks Picture Perfect? zoom ik deze zomer elke week  in op een nagelnieuw interieurbeeld. Gespot in een meubelcatalogus, op een website, een Instagram-pagina, een magazine of boek.  

In een andere reeks No Pictures Please, bundel ik deze zomer dan weer tekstverhalen over interieur en design, wonen en architectuur. Zonder één enkel beeld. 

No Pictures Please (4): Wifi in de kapel

Waarschuwing: dit is een boekbespreking. Over een boek over architectuur. Zonder prentjes bovendien. Maar wel over tijdsreizen. Ha!

Vandaag 10 mei werd het programma voor het gloednieuwe Festival van de Architectuur voorgesteld.  Herbestemmen is een van de speerpunten van dat festival.

Architecten zijn tijdsreizigers. Het heden bepaalt hun werk door bijvoorbeeld huidige wetgevingen en technische mogelijkheden. De toekomst moet architecten bezighouden, willen ze het gebouw zo lang mogelijk laten gebruiken. En het verleden? Dat is de context waarin architecten werken: het landschap of de bewoonde kern waarin hun gebouwen zich een plek zullen toe-eigenen.

In een nieuw boek van uitgeverij Gestalten kreeg dat tijdreizen de hoofdrol: onder de titel Upgrade worden 52 vrij spectaculaire Europese renovatieprojecten getoond. Van een Zwitserse ruïne tot een cementfabriek in Spanje, van een modernistische Italiaanse woning tot een Gentse rijwoning: allen werden verbouwd tot hedendaagse en toekomstgerichte woningen of werkplekken. Sommigen te midden de stad, anderen op desolate plekken aan de kust, in de bergen of aan een meer. Vooral visueel indrukwekkende projecten werden voor het boek geselecteerd: woningen waar nieuw en oud naadloos in elkaar overgaan of net spannend clashen.

Soms zijn er – in postzegelformaat – ook foto’s toegevoegd van voor de verbouwing, wat extra verhelderend kan zijn. Wat blijft en wat gaat? Is de vraag die de architecten en bouwheren in élke renovatie moeten stellen. Alleen is het antwoord in de projecten in dit boek nét iets extremer dan een slim geplaatste poutrel of steunbalk in een doordeweekse rijwoning. Extra troef: er zijn ook zes Belgische en vijf Nederlandse projecten in het boek opgenomen. Experts Graux en Baeyens uit België en Zecc uit Nederland komen met elk drie projecten ruim aan bod.

Dat het niet gemakkelijk is om bijvoorbeeld isolatie rond een ruïne te voorzien kunt u zich voorstellen. Om nog van leidingen, verlichting of wifi te spreken. Het is geen toeval dat op de cover van dit boek een muurlamp te zien is van Jean Prouvé die met een draad aan een stopcontact in de vernieuwde grond zit. Improviseren hoort bij renoveren. Vandaar dat de kracht van dit boek, naast de mooie plaatjes, ook in de sterke adhoc oplossingen ligt. Hoe multifunctionele opvouwmeubels in rood meranti-multiplex in een door B-ild architecten gerenoveerde bunker in Vuren op ruimte én warmte brengen bijvoorbeeld. Of, ook dicht bij huis, drie compleet andere manieren om licht binnen te halen in oude schuren: Maxwan architecten haalt een lichtstraat in het dak in Geldermalsen; architecten de vylder vinck taillieu snijden een spie uit een Vlaamse schuur; en architect Bart Lens kiest voor een lang smal raam met onzichtbaar kader in Pepingen. In elk geval: ideeën genoeg in dit boek, ook voor wie niet net een verlaten ruïne op een klif op de kop heeft getikt.

Upgrade, Home Extensions, Alterations and Refurbishment, Gestalten,

€ 39.90, ISBN: 978-3-89955-699-5. www.gestalten.com

Dit artikel verscheen in het Aprilnummer van Feeling Wonen / Gael Maison (en français dus)  en Eigen Huis & Interieur. 

No Pictures Please (3): De kwestie van de melkfles

Afval bestaat niet meer, anno 2017. Meer dan ooit zijn er mogelijkheden om afval gericht af te danken of te vermijden, om te recycleren en te hergebruiken. Maar wat doe ik met mijn lege melkfles?

Zondigen. Dat doe ik om de twee weken. Door een kleine vuilniszak buiten te zetten met daarin al mijn huishoudelijk afval. In één zak! Ik hoor drie verschillende vuilniszakken in huis te heb- ben, een glasbak én een kartonnen doos voor papier. Die twee laatste, dat lukt nog net, maar pmd en groenafval apart houden doe ik niet. Omdat ik in een klein appartement woon en geen plaats heb voor al die verschillende zakken. Ik doe er weken over om een pmd- of gft-zak gevuld te krijgen. Dus voel ik me altijd even heel slecht op woensdagavond, als ik dat ene zakje met al eens een melkfles en wat aardappelschillen aan de deur zet.

DESIGN HELPT HET KLIMAAT

Dat stemmetje dat dan “schande!” roept, heb ik op- gelopen in de jaren tachtig. als kind werd het er bij ons ingehamerd: sorteren kan je leren! Met over het algemeen een goed resultaat. In België zijn we kam- pioen in recycleren. Gemiddeld 70 procent van ons afval wordt gerecycleerd. Daarmee staan we aan de top in Europa.

Ik weet dat het moet. Ik weet ook waarom. Ik heb godbetert zelfs ooit Michael Braungart ontmoet. De Duitse chemicus is samen met William McDonough de grondlegger van het cradle-to-cradleprincipe. Dat benadrukt dat grondstoffen op het einde van een levenscyclus niet het stort op moeten, maar opnieuw gebruikt moeten worden, voor nieuwe producten.

“We zijn niet met te veel op aarde, we zijn gewoon te stom”, vertelde Braungart mij een kleine tien jaar geleden. “De opwarming van de aarde is geen ethische kwestie. Het is een praktische designkwestie. Door producten op een andere manier te ontwerpen, kunnen we de problemen oplossen. Door ze te bedenken in een biologische of een technologische kringloop.”

UNIVERSELE RECHTEN VAN MATERIALEN

Ondertussen is Braungarts principe van ecodesign goed verspreid in de industrie. Zijn theorie is de voedingsbodem voor de theorie van die nieuwe afval- goeroe van het moment: architect Thomas Rau. Rau pleit voor services: koop geen lamp, maar koop een soort abonnement om je huis te verlichten. Fabrikanten zullen er dan alle voordeel bij hebben om duurzaam te werken, op alle vlakken. Dan nemen zij de oude peertjes gewoon mee als ze kapot zijn, en ge- bruiken ze de onderdelen opnieuw. Makes sense.

Rau werkt aan circulaire verlichting, circulaire interieurs, kleding, witgoed. en ook aan materialenpaspoorten voor gebouwen en producten. Dat is een samenvatting en telling van alle specifieke materialen die gebruikt zijn. en hij gaat zelfs nog een stap verder: hij pleit voor de universele rechten van materialen, naar analogie met de universele rechten van de mens. Hij wil materialen niet alleen een identiteit geven, maar ook rechten. Zou ik mijn anonieme waardevolle melkfles minder snel richting verbrandingsoven sturen als die een paspoort en rechten heeft?

ETEN HERVERDELEN
Zelf probeer ik de afvalberg kleiner te maken door het gros van mijn huishoudspullen en meubels in de kringwinkels of op rommelmarkten te kopen. (een gemiddelde Vlaming koopt 5 kg aan in kringwinkels (2015), meestal textiel, meubels en huisraad. Het doel is om tegen 2022 naar 7 kg te gaan.) Ik laat mijn fiets nog liever voor 90 euro repareren dan dat ik een nieuwe koop. Ik supporter voor mijn ouders, die fervente vrijwilligers zijn in het lokale Repair Café. Ik ga met een eigen boodschappentas naar de winkel, met mijn menu in de achterzak. Ik maak meestal genoeg voor twee dagen. Ik heb daartoe maar een mini-koelkastje nodig en ik gooi amper eten weg.

Dat laatste is niet onbelangrijk. eetbaar voedsel ver- dwijnt immers nog te vaak in de vuilniszak. “16 à 17 kilogram per Vlaming in 2015 om precies te zijn, dat als ‘vermijdbaar voedselafval’ wordt geklasseerd”, aldus Jan Verheyen van de Ovam. langs Vlaamse kant is er de website voedselverlies.be, die tips en informatie bundelt. langs Waalse kant is er het Plan reGal, dat met 17 acties tegen 2025 dertig procent van de verspilling wil terugdringen op alle echelons van de voedselketen. Onlangs nog werden in Vlaanderen de eerste Food Waste awards uitgereikt. Viel bijvoorbeeld in de prijzen: Rekub, een organisatie die pop- uprestaurants opent met voedseloverschotten.

STRAFFEN EN BELONEN

De overheid doet haar best om afval aan te pakken. er zijn twee strategieën om gedrag aan te passen, dat weet elke ouder: straffen of belonen. Het eerste gebeurt al het langst: verbieden en taxeren. restafvalzakken zijn duurder dan vuilniszakken voor gesorteerd afval. Plastic zakjes worden gebannen in winkels in Wallonië sinds december 2016. In Vlaanderen klinkt de roep naar zo’n ban ook steeds luider. kleine, belangrijke stappen.

anderzijds, en dat is een meer belonende strategie, helpt de overheid ons om “minder stom” te zijn, zoals Braungart het noemt. Ik breng mijn lege batterijen, inktpatronen, elektronische toestellen en olie zonder probleem naar de winkels waar ik ze kocht, bijvoor- beeld. Omdat ik er toch moet zijn. en omdat die win- kels daartoe verplicht werden. Hoe belangrijk nabij- heid is bij afvalverwerking, wordt steeds duidelijker. er worden experimenten uitgevoerd en onderzoek ver- richt, ook bij ons. “Supermarkten produceren een aanzienlijke hoeveelheid afval en nemen veel stedelij- ke ruimte in beslag. Ze bieden de uitgelezen kans om afvalverwerking te koppelen aan ruimtelijke innovatie”, vinden Carmen Van Maercke en Caterina Rosso. Zij zijn de curatoren van de expo ‘een nieuwe kijk op afval’, die nog tot juni loopt in de Singel in Antwerpen.

POP-UPCONTAINERPARK

Mijn glas gooi ik in de glascontainer naast de ingang van de supermarkt, maar mijn lege melkflessen kan ik onderweg (nog) niet kwijt. Nochtans bestaat het, enkele straten verder: een sorteerstraatje. Dat is een plek op een pleintje waar in verschillende luikjes gesorteerd afval terechtkan. een inwoner krijgt een elek- tronische betaalkaart om de vuilnisbakken te openen, via een weegschaal betaal je per kilogram per pmd, gft of restafval. “Antwerpen heeft er, Gent, Sint-Niklaas, Lier en Nieuwpoort. en ook andere kustge- meenten experimenteren ermee. Zij kennen immers een meeuwenplaag én hebben veel tweedeverblijvers die de vuilniszakken al eens te vroeg buiten zetten”, aldus Jan Verheyen van de Ovam.

Nog een initiatief waar ik reikhalzend naar uitkijk: een pop-upcontainerparkje op wandelafstand. Op gezette tijden zal een reizend minicontainerpark naar elke wijk trekken om er grof huisvuil gericht op te halen. “De eerste experimenten lopen”, aldus de Ovam. Ideaal voor wie zoals ik alleen af en toe een kapotte plastic emmer of een restje verf heeft.

TRUCS VOOR EEN ANDER GEDRAG

Een slechte gewoonte aanpassen? Daar zijn psychologische trucs voor. Op de website van moinsdedechets vul ik een charter in. Ik mag vrij uit een lijst van twaalf vijf beloftes kiezen. “Moi, Leen Creve m’engage à respecter 5 comportements exemplaires: Je fais mes paiements en ligne. J’achète des fruits et des légumes de saison. Je prends une boîte à tartines. J’utilise les deux faces d’une feuille. J’évite les parfums de maison.”

Ik kies strategisch die zaken die ik ofwel al doe, ofwel het makkelijkst zijn. Maar die melkfles blijft me aanstaren, om de veertien dagen op woensdagsavond. Zal ik aan dat charter een zesde belofte toe- voegen en dan toch maar blauwe zakken kopen (ik heb net ontdekt dat die ook in kleine formaten bestaan)? Zal ik met mijn halflege exemplaar aan de deuren van mijn buren aankloppen om te checken of ze hetzelfde probleem hebben? Dat stemmetje in mijn hoofd zou er blij mee zijn. en de overheid ook.

Dit artikel verscheen eerder in het aprilnummer van Nest. In het meinummer, vanaf vandaag 5 mei in de winkel, bekeek ik hoe en waarom abonnementen op jeansbroeken, maatpakken of BMW’s interessant kunnen zijn.  

No Pictures Please (2): Vastgoed Leeggoed

Leegstand in Vlaanderen is een probleem, maar ook een opportuniteit. Voor het eerst werden de mogelijkheden in kaart gebracht. Halfleeg of halfvol, het is een kwestie van perspectief.

 

Wow!”, dacht ik toen ik twee jaar geleden voorbij een prachtig, maar verlaten winkelpand stapte. ‘Pop-up te huur’ stond er op de gigantische ramen gekalkt. Lang verhaal kort : ik heb een jaar gewerkt vanuit een statig honderd jaar oud kantoor, mét marmeren schoorsteen. We probeerden er boeken te verkopen en op de eerste verdieping (via een elegante roodfluwelen trap) opende een vriend een kunstgalerie. Een jaar later trok ik er weer uit, de plek bleek te weinig winkelende passanten te hebben. Even later was ze opnieuw bezet, er zat een andere kunstgalerie. Maar sinds begin dit jaar zie ik het pand weer leegstaan. Een grote banner tegen de gevel kondigt al meer dan een jaar ‘nieuwbouwappartementen en serviceflats’ aan. Zonde, denk ik, telkens ik er voorbijfiets en er waarlijk niets lijkt te gebeuren met die prachtige ruimte. Zonde.

Het is niet de enige leegstaande winkel in Antwerpen. Of in Vlaanderen. Recente cijfers geven aan dat één op de tien winkelpanden leegstaat. Meer in de middelgrote dan in de kleinere of grote steden. Waarom? “Omdat er paradoxaal genoeg steeds meer winkels bijgebouwd worden”, verduidelijkt Gerard Zandbergen van Locatus, dat jaarlijks alle winkelleegstand opmeet. “Zolang dat blijft duren, zullen de hoge structurele cijfers blijven bestaan. Tel daarbij de stijging in onlineshoppen en -bankieren, en de structureel hoge cijfers zijn verklaard. Dat is niet goed voor de winkels die overblijven, en ook niet voor passanten en bewoners.”

Hij kent nochtans oplossingen. “Lier bijvoorbeeld doet aan kernafbakening. Ze reserveren een ‘koopzone’ waarbinnen alles in het teken staat van leveringsmogelijkheden, wandelzones, rustbanken etcetera. Eigenlijk niet eens een dure maatregel. Het is veeleer een positionering. Een boodschap voor winkeliers én consumenten: ‘Hier is het te doen, niet aan de rand of langs de steenwegen buiten de stad’.”

Winkelleegstand mag dan – door de glazen vitrines – het meest zichtbare structurele leegstandsprobleem zijn, ook woningen, bedrijfsruimten en kantoren staan soms ongezond lang leeg. Er bestaan wel boetes om leegstand tegen te gaan, subsidiëringen ook. Maar die leveren niet genoeg hergebruik van ruimte op. Vorige maand publiceerde het Departement Omgeving voor het eerst een rapport dat leegstand in kaart brengt op basis van diverse administraties en op basis van terreinobservaties. Wat blijkt ? Er staan 19.700 woningen leeg, 3000 ha bedrijfsoppervlakte en 5700 winkels. Dat moet minder worden, vindt de Vlaamse overheid, die een betonstop wil in 2040.

SLIMMER HERBESTEMMEN

Ondertussen zijn er in Vlaanderen ook steeds meer leegstandsbeheerders aan het werk. Die helpen eigenaars van gebouwen (zowel overheden als privé-eigenaars) aan tijdelijke bewoners. Sommige zijn gespecialiseerd in kantoren, andere in shops of ateliers voor creatieve beroepen. Door de huidige leegstand aan te pakken voor een aantal jaren, houden leegstandsbeheerders een buurt levendig, tonen ze het potentieel van ongebruikte gebouwen en laten ze bouwheren toe om ondertussen alle vergunningen te regelen. Maar uiteindelijk is het pas echt geen leegstand meer als een plek een definitieve toekomst krijgt.

In de leegstandswereld heet dat dan herbestemmen. Er zijn flink wat ontwikkelaars die aan herbestemming doen op indrukwekkende oude sites : brouwerijen, kloosters, abdijen, ziekenhuizen. De kritiek luidt dat dit niet altijd even democratische of kwaliteitsvolle invullingen oplevert. Er blijkt een nood aan alternatieven.

Toen de Oudaan, de politietoren van Antwerpen, vorig jaar te koop kwam, werd er met een ludiek bedoelde actie ‘Wij kopen samen den Oudaan’ op zoek gegaan naar mogelijke gebruikers die samen 10,5 miljoen euro wilden betalen voor de aankoop. Dat bleek ruim onvoldoende om het te winnen van de hoogste bieder : een vastgoedinvesteerder bood meer dan het dubbele. Maar er groeide uit de actie wel een platform dat precies dit soort gebouwen slimmer wil herbestemmen : het Open Promotor Platform of OPP. “Op dit moment zijn we een viertal sites aan het onderzoeken : interessante plekken die een goede herbestemming verdienen”, legt Peter de Groot, de financiële man van het platform, uit.

ANDERS FINANCIEREN

“Projectontwikkelaars nemen posities in door de aankoop van een terrein of gebouw om het op eigen risico te ontwikkelen en dan met winst te verkopen aan potentiële gebruikers of investeerders. Wij werken omgekeerd : wij gaan eerst in de buurt potentiële bewoners, handelaars en andere partners bevragen naar wat er nodig is, om dan pas het project samen met hen uit te werken”, legt de Groot uit. “We onderzoeken ook alternatieve financieringsmodellen zoals forward funding op basis van crowdfunding (waarbij je voorfinanciert en dus risico neemt) of crowdlending (waarbij je een deel van het benodigde kapitaal uitleent en hierop interest vergaart). We merken dat ook de traditionele banken met deze modellen beginnen te werken.”

DIY-herbestemmen is dus een piste, maar sommige steden treden al jaren zelf op als vastgoedmakelaars. Overheden kunnen op die manier een bepalende rol spelen in de kwaliteit van wat herbestemd wordt. Weer een persoonlijke anekdote : ik kocht ooit zélf van een stadsontwikkelingsbedrijf een nieuw casco-appartement. Het was een voormalige semi-industriële plek in een drukbevolkte en volgebouwde woonwijk. De gebouwen werden platgegooid, de gronden gesaneerd. Buren konden een tuin kopen en wat overbleef, daar werden zes woningen op gezet door jonge architecten. Voor een heel interessante prijs kochten wij er toen eentje. We moesten er minstens drie jaar blijven wonen, een regel om speculatie tegen te gaan. Het was een win-winsituatie. Ik woon er zelf niet meer (mijn lief van toen wel nog), maar het was een verdomd goede plek. En ondertussen zie ik in die wat moeilijke wijk meer en meer panden verkocht worden aan jonge gezinnen. In Gent werkt Sogent op een soortgelijke manier.

LINK MET ARCHITECTUUR

Leegstand leeft al een tijd in de internationale architectuurwereld. Enkele jaren geleden ging, op de gerenommeerde Architectuurbiënnale van Venetië, de Gouden Leeuw nog naar de aandacht die het Venezolaanse architectencollectief Urban-Think Tank en de Nederlandse fotograaf Iwan Baan gaven aan Torre David, een gekraakte wolkenkrabber in Caracas. Eind maart verscheen van uitgeverij Gestalten het boek Upgrade. Daarin worden meer dan vijftig Europese projecten uitgelicht van unieke renovaties, waarvan het gros jarenlang leegstond. Vijf projecten uit het boek bevinden zich in Vlaanderen.

Ook de link tussen erfgoed en hedendaagse architectuur wordt hier nu meer gelegd. Het Team Vlaamse Bouwmeester werkt samen met het Agentschap Onroerend Erfgoed. In januari nog werden zes interessante herbestemmingsprojecten geselecteerd, nu worden er via een Meesterproef architecten gezocht om met die projecten aan de slag te gaan. Open Monumentendag en de Dag van de Architectuur vallen dit najaar op dezelfde dag, op 10 september. Er zal een apart programma opgezet worden rond slimme en toekomstgerichte herbestemmingen.

Leegstandsuitdagingen voor de toekomst? Ziekenhuizen zullen de komende jaren leeg komen te staan, omdat grote campussen verhuizen naar buiten de stad. “En villa’s in de buitenwijken en op het platteland. Die zijn te groot, te moeilijk te isoleren en te duur voor jonge gezinnen”, legt Tania Rens van Prevenda uit. “De eerste projecten lopen nu in de Kempen en aan de kust: we nodigen artiesten uit om er in residentie in alle rust een tijd te komen werken, zoals we dat eerder in kastelen deden.” Wordt vervolgd.

Dit artikel verscheen in Knack Weekend van 26 april 2017. 

PS: Deze post is de tweede in een aantal No Pictures Please artikels die ik deze zomer online breng. Omdat design, wonen, architectuur en interieur over meer gaat dan mooie plaatjes. 

No Pictures Please (1): Li Edelkoort

Haar handen friemelden onafgebroken aan haar fluwelen kleed en ze sprak zacht. Ze had rode lipstick op, en schoenen met pompons. Toen Lidewij Edelkoort afgelopen winter een lezing gaf in Texture in Kortrijk, op uitnodiging van Biënnale Interieur, mocht ik haar een half uur spreken. Ik vind het heerlijk dat iemand met de naam “Edelkoort” zo van textiel houdt. Dit is wat ze onder meer vertelde: 

Hoe meer we virtueel zijn, hoe meer we nood hebben aan materiële dingen om ons heen. Als we alleen nog schermen voelen, verdwijnen onze vingers en krijgen we klauwtjes en onderontwikkelde hersenen. Baby’s komen al heel snel in aanraking met schermen. Veel wetenschappers zijn daar ongerust over. Omdat bepaalde linken in de hersenen niet gemaakt kunnen worden als je geen vormpjes vastneemt, geen teddybeertjes … Dan mist die baby essentiële informatie. Tactiel contact is nodig.

Het primitieve komt ook op andere manieren naar boven. Er is vernieuwde interesse in samenzijn, werken in teams, weg van het individualisme. Rituele vieringen ook. Ik was onlangs in Afrika waar dorpen dance battles aangaan. Uren en uren. Het is een manier om via het lichaam negatieve energie kwijt te raken. Wij zouden daar beter een voorbeeld aan nemen. Het is niet toevallig dat meer en meer mensen aan yoga doen en mediteren. Er zijn genoeg redenen om aan te nemen dat we ook als maatschappij primitiever worden, wat eigenlijk vooruitstrevend is. Het is noodzakelijk voor de toekomst van ons mens-zijn. En voor ons gevoel van belonging.

Ik ben ervan overtuigd dat we alleen maar de toekomst kunnen ingaan als we weten waar we vandaan komen. Anders bestaat die innovatie alleen maar voor de innovatie zelf en dan verlies je het noorden. Ik zie dat in de Verenigde Staten. Enkele honderden jaren geleden zijn velen daarheen geëmigreerd. Ze gaven hun relatie met het verleden op. Daarom zie je daar een stormloop op innovatie. In Europa weten we dat we van heel ver komen. Ik kijk graag naar archeologische stukken zoals eerste kledingstukken, werktuigen enz. Die tonen hoe de mens zich van in het begin kon ontwerpen. Dat geeft mij hoop op de verre toekomst. Het toont aan dat we als mens die intuïtie en die gave hebben om te creëren en vorm te geven.

Filosofen hebben het tegenwoordig over ‘new materialism’. Zoals je mensenrechten hebt en dierenrechten, zouden er ook materiaalrechten moeten bestaan, vinden ze. Omdat het materiaal zo kostbaar en levend is dat we er zuinig mee moeten omspringen. Dat soort visies wijst op een verandering in de maatschappij die teruggaat naar het begin van de menselijke cultuur. Materialen krijgen weer spirituele eigenschappen toegedicht. Respect tonen voor materiaal en er nieuwe vormen mee maken: dat hadden we niet verwacht voor de toekomst, maar het gaat gebeuren.

De losbandigheid van textiel krijgt weer waardering. Het idee van franjes en onregelmatigheden zal belangrijker worden. Minder en minder wordt materiaal gedwongen in een vorm. Het omgekeerde is waar: er wordt geluisterd naar het materiaal om de vorm te bepalen. Mode in 2017 is wild, hoor. Zo is er bont gemaakt van raffia of van cellofaan of lichtgewichtgarens. Er is een grote terugkeer naar textiel. Een van de grote tendensen van de toekomst is dat textiel het harde van de hightech gaat verzachten.

Ik ben uitgenodigd door Parsons (een designinstituut in New York) om een Master in Textile op te zetten. Ik ga werken met studenten uit verschillende disciplines : beeldende kunsten, design, architectuur, mode, toneel. Ons doel is om het midden te vinden tussen hightech en softcraft. Die twee disciplines werken eigenlijk aan eenzelfde utopische toekomst. We hebben het over weven van zonnecellen, computergarens, geluidsgarens. Over het maken van biotechnologische zijde, zonder dat daar een spin aan te pas komt. We hebben het over 3D-printen, over robotisering enzovoort.

Textiel is een interessant materiaal voor de toekomst. In Amerika wordt verwacht dat textiel de toekomst van het internet is. Tegelijkertijd zien we in Hudson Valley, rond New York, een revival van arts & crafts. Met garens direct van het schaap en de geit, geproduceerd net buiten de steden. Dat is ook een belangrijke tendens. Dus zullen er lessen zijn in borduren en quilten. Maar ook lessen over de antropologie van textiel, om te achterhalen wat de relatie is tussen mens en textiel. Als je iets leert over garens, dan leer je ook iets over het inkopen van vezels. Je maakt een collectie, een businessplan. Het wordt heel spannend en erg innovatief.

Lidewij Edelkoort (66) begon als styliste bij De Bijenkorf, en werd een van de bekendste trendwatchers. Time noemde haar een van de 25 invloedrijkste modemensen. Zij start volgend jaar een masteropleiding Textiel in New York.

Dit artikel verscheen op 5 april 2017 in Knack Weekend 

PS: Deze post is de eerste in een aantal No Pictures Please artikels die ik deze zomer online zal brengen. Omdat design, wonen, architectuur en interieur over meer gaat dan mooie plaatjes. 

 
 

Lentewoontrend (11): De interieurkleuren van nu

 

Aytm

Diep, rijk en voluptueus. De nieuwe kleurcombinaties voor in huis  zijn geïnspireerd op de natuur, art deco en het menselijke lichaam. 

Natuurlijk zijn er ook dit jaar “kleuren van het jaar” geselecteerd: jeansbroekblauw bijvoorbeeld. Of felgroen. Maar toch lijkt de tijd van dé kleur van het moment een beetje voorbij. Eerder dan dé kleur, zijn er grote kleurgroepen te zien van verfrissende kleurcombinaties. Drie grote regenbogen (zie kader) duiken op in de interieurs vandaag: enerzijds is alles wat met de natuur te maken heeft populair en kunnen groenen in zo wat alle tinten. Ook diepe art deco tinten die bovendien op erg grafische wijze toegepast worden en met messing, goud of andere metallic details gecombineerd worden. In die trend is ook de terugkeer van donkere interieurkleuren te kaderen. Meest verrassend is de subtiele huidskleur die onder verschillende namen opduikt en zowel met knalrood als met donkerbruin of beige gecombineerd wordt. Of geel. Anything goes. Regeltjes voor interieurkleuren, die bestaan nog amper.

 

En de accentmuur, waarbij een van de vier muren een opvallende kleur of patroon krijgt en de drie anderen discreter geschilderd worden, lijkt op dit moment minder populair. De kleuren worden de hele kamer rond gebruikt, of op andere manieren toegepast. “Er wordt wel meer met ‘accentvlakken’ gewerkt: strepen, blokken, cirkels, grafische vormen allerhande,” legt Isabelle De Ganck, Colour Manager bij verffabrikant Levis uit. “Een andere nieuwe hedendaagse techniek die de traditionele accentmuur vervangt, is het ombre-effect: twee kleuren op één muur die zacht in elkaar overvloeien.”

“Vermits accentmuren een beetje ‘uit’ raken, neemt het gebruik van behangpapier ook wat af. De enige reden om tegenwoordig nog behang te gebruiken is als die een structuur heeft. Variatie in texturen en materialen worden steeds belangrijker in een hedendaags interieur. Denk in raamdecoratie bijvoorbeeld ook aan de evolutie van strakke Japanse panelen naar lange, weelderige overgordijnen met grote hoeveelheden textiel,” verduidelijkt Isabelle De Ganck van Levis verder nog.

De opvallendste nieuwe trend is dat kleur niet alleen via gordijnen, tafelkleden, beddengoed, tapijten of accessoires het huis binnenkomt. Echt kleurrijke meubels zijn immers weer populair. Niet zozeer knalrood of Yves Klein blauw, maar meubels met diverse en schijnbaar bij elkaar gegooide kleuren. Meubelfabrikanten hebben daarvoor zelfs hun eigen kleurexperts. De Nederlandse ontwerpster Hella Jongerius bijvoorbeeld doet de job van kleurbepaler al jaren voor Vitra. Eerder dit jaar bracht ze haar boek “I dont’ have a favourite colour” uit. Dat het geen evidentie is, kleuren kiezen, weet ze maar al te goed. “De mogelijkheden zijn zo goed als oneindig. Je kunt er onzeker van worden. Die diversiteit overweldigt me nog altijd. Kleur is tenslotte een complex onderwerp: kleuren veranderen in de loop van de dag en zijn extreem moeilijk te reproduceren uit het geheugen. Ik heb maar één raad en overtuiging op dit punt: vertrouw voor kleuren op je intuïtie.”

Haar collega-ontwerpster Patricia Urquiola is dan weer art director bij het Italiaanse Cassina en haar hand en smaak is duidelijk te merken. Dat meubels best wel kleurrijk mogen zijn, benadrukt ze met haar nieuwe fauteuil Gender waarin ze roze, groen, blauw, beige, leder en stof moeiteloos combineert. “Het zijn tijden waarin alles in elkaar overloopt, toch?”. Toen Urquiola een hotel aan het Como meer aan het inrichten was (dat net opende) vroeg de klant haar naar het kleurschema “Niet nodig,” zou Urquiola gezegd hebben. “We gebruiken het blauw van het water, en het groen van de tuinen en het bos.” “Ik ben niet bang om kleur te gebruiken,” legt Urquiola uit. “Ik weet dat mijn kleurgebruik soms wat onconventioneel is. Kleur is een middel. Soms maakt kleur deel uit van de ziel van een project, maar soms niet. En dan kan het gebeuren dat ik kleurloos werk.” Zowel Jongerius als Urquiola zijn meesters in ongedwongen mix ’n match van kleuren en materialen en beïnvloeden met hun intuïtieve aanpak een hele generatie ontwerpers en fabrikanten.

Soberder en misschien net iets rationeler zijn dan weer de Franse broers en ontwerpers Bouroullec. Kleurexpert Hilde Francq is vol lof over de broers Bouroullec. “Ik schreef net een boek “Kleur verkoopt” ,dat eind mei verschijnt. Ik interviewde daarvoor de Bouroullecbroers. Ook zij kiezen nooit voor typische kleuren. Ze verleggen grenzen. Ze legden uit dat puur zwart, industrieel gefabriceerd, niet interessant is. Wel heel erg donker aubergine bijvoorbeeld, bijna zwart. Dat is harmonieuzer. Je ziet het niet, maar je voelt het wel.”

 

Trendkleur 1/ Nude

Montana

“Pink will be the new black heb ik drie jaar geleden voorspeld,” zegt Hilde Francq. “Op dat moment hebben weinigen dat geloofd. Roze is nu al aanwezig in flink wat interieurs, maar het wordt nog zachter. Nog witter. Dat nude is een niet-evidente kleur, maar eigenlijk combineert ze gemakkelijk: met donkerrood en bordeaux bijvoorbeeld, maar ook met geel. En met messing natuurlijk. Deze kleur blijft!”

Muller Van Severen voor Valerie Objects

“Zowel poederroze als oudroze en abricot (een zachter oranje) zijn grote hits bij ons,” klinkt het bij behangfabrikant Arte. De vrij klassieke fabrikant Durlet, gespecialiseerd in leder, koos resoluut voor zachtroze stof bij de voorstelling van een nieuwe bank van ontwerper Sylvain Willenz. “We vinden het interessant om de ‘ernstigere’ lederkleuren te mengen met enkele frissere en optimistische kleuren (in stof),” aldus zaakvoerder Anton Vanzieleghem. Tegelijkertijd tonen ze hun leder op een ander model zo puur als mogelijk. En zacht als een babyvel.

Durlet

Trend 2/ Art Deco

Arte

“De Scandinavische interieurmerken geven nog steeds de toon aan. Vrij nieuw is het Deense Aytm. Zij laten de typische Scandinavische stijl met lichte kleuren en hout achterwege en kiezen voor een gesofisticeerd, donker kleurenpalet met accenten in glas en metaal. De verfijnde objecten lijken wel een hedendaagse interpretatie van art deco,” aldus Hilde Francq. Art deco, de interieur- en architectuurtrend van zo’n 100 jaar oud was grafisch, felgekleurd, chic en elegant. Een beetje een mix ook van stijlen. Vooral het rijkelijke komt terug. “Door fluweel, maar ook door metallics en marmer in diepe kleuren bijvoorbeeld. Klassieke materialen die zekerheden bieden in onzekere tijden,” aldus Francq. Ook Muuto en Normann Copenhagen hebben nu metallics in de collectie. En Montana herlanceert een draadstaal rekje dat Verner Panton himself ooit in 1971 ontwierp voor hen.

Deltalight bij Roomin

“Metallic kleuren zoals goud en chroom tinten zijn onze nieuwste toevoegingen.” “Het zijn de kleuren van de oude meesters,” legt Saskia Vanderhaeghe, product manager bij Boss Paints, uit. “Het is een rijk en weelderig palet van groenen. De kleur van pauwenstaarten. Maar ook dieppaars, accenten van roze, lederkleuren, roestbruin, rood en geel koper, …….” Ook geometrische patronen uit de art deco komen duidelijk naar voor in behangpapier en in hometextiel en zelfs lampen, spiegels en andere interieuraccessoires.

Sabine Marcelis bij Victor Hunt


Trend 3/ Groen als de bomen

Boss Paints

Deze trend spreekt het meest voor zich: natuur in huis halen doen we op allerlei manieren: door veel hout te gebruiken, kurk, natuursteen en dus ook natuurtinten. Groene meubels zijn opvallend aanwezig, maar ook in de kleurpaletten van de verffabrikanten duikt de tint in alle verscheidenheid op: van het nog altijd populaire muntgroen tot moskleur en bijna blauw.

Brabantia

Tot natuurlijk echte natuur: grote kamerplanten en een boeket bloemen zijn de ultieme groenmakers in huis. Een boeket bloemen is meteen een goed experiment om te checken welke kleurcombinaties goed werken in een bepaalde ruimte.

Levis